

Uitgave: decolumnist@ruudverdonck.nl
(©) Ruud Verdonck 2012
Uitgave: decolumnist@ruudverdonck.nl
Technische verzorging: Browserbeest.nl, Amsterdam
Foto cover: Suzanne Rodrigues Pereira
ISBN 978-90-820225-0-6
Met beide armen tot om en nabij zijn oksels roerend in de verzamelbak met het dagelijks nieuws over de bekende Nederlanders en hun levens vol eigendunk, hun zelfover-schatting, hun vele vormen van aanstellerij, hun ziekelijke zucht naar publiciteit, hun liefdeloze affaires, vandaag in verwachting – morgen er weer uit, en hun culturele barbarij, begon het Henri Knap te dagen dat het eerloze einde van zijn ruim 30-jarige journalistieke carrière met grote letters op de voorpagina geschreven stond. Het hele vak ging naar de knoppen waar hij zelf bij zat. Hij had het er maar mee te doen, want zo bezorgd waren zijn collega's niet. Die schreven maar raak, of het nou voor in de krant was of voor op een boterhammenzakje. Knap schudde demonstratief zijn hoofd voor het geval hij door een van zijn zogenaamde collega’s bekeken werd en schoof de Hollandsche Nieuwe Courant van zich af. Dat ze maar wisten dat dit niet aan hem had gelegen.
'Hebbes!' stond er met grote letters dwars over een foto van de televisiepresentator Johnny Walker heen. Jan Kuier, zoals hij bij de burgerlijke stand heette, maar dat was alleen op beperkte schaal bekend, was verwikkeld in een onbeschaamde pose met een vrouw die haar gezicht vanwege de heersende extase juist achterover had geworpen; haar grote, beetje vlezige, wijd openstaande neusgaten bepaalden het bovenaanzicht. Jakkes!, was het eerste dat hem te binnen was geschoten. Had ook in de kop gepast. Knaps afkeer gold overigens niet het dominante, ordinaire beeld op de voorpagina, niet eens die
schreeuwerige kop, nog minder de kwast van de avondploeg die dit had bedacht, maar het pijnlijke besef dat hij als krantenmaker nauwelijks dieper kon zinken zolang er geen oorlog uitbrak en hij op zijn heldhaftigheid zou worden aangesproken.
Hij keek somber om zich heen. Zo zag de redactie van een krant er tegenwoordig uit. Het was niet de eerste keer dat het hem stoorde, maar de omvang van de troosteloosheid greep hem elke dag iets steviger bij de keel. Het had er meer weg van het callcenter van een energiebedrijf dat klanten bij de vijand poogde weg te paaien, dan dat het er een brandpunt leek van nieuwsgaring, selectie, maatschappijkritiek en opinievorming. Het was een verzameling van onpersoonlijke werkplekken met vage geluiden van fluistergesprekken achter gebogen ruggen. Nergens iets te merken van de opwinding die hoorde bij de echte nieuwsfabriek. Het zouden allemaal goedkope werkstudenten kunnen zijn; de meesten waren dat ook. Natuurlijk wilden ze carrière maken, maar niet in het krantenvak.
Knap was als leerling-journalist begonnen nog in de tijd van de ratelende typemachines die een stevige ondergrond van lawaai verzorgden waardoor iedereen de hele dag met mensen uit het nieuws kon telefoneren en met elkaar moest discussiëren over de belangrijkste nationale en internationale kwesties en hoe daar over te berichten, zonder dat er iemand geïrriteerd vroeg of het misschien wat zachter kon. Alle journalisten rookten als de schoorstenen van een Engels mijnstadje in het najaar, en ook niemand die daarover klaagde.
De eerste generatie computers was haar opmars tegen het journalistieke engagement begonnen met de gedwongen stilte en de aanvankelijk geheim gehouden elektronische prikklok bij systeembeheer. Er waren na verloop van tijd werkhokken ingericht, want zo kon het niet langer, ze hoorden elkaar nog achter hun hand fluisteren. Kleinste kamertjes met volop glas zodat iedereen vanaf de gang kon zien of er werd doorgewerkt. Alleen de hoofdredacteur zat achter melkglas en had een rood licht boven zijn deur voor als hij zijn maîtresse van de telefooncentrale over de vloer had of serieus bezet was.
Al gauw werden op verzoek van alle betrokkenen de ruiten van de hokken met grijs plastic afgeplakt en de deuren kregen een toiletslotje zodat de redacteuren ongestoord konden bellen met hun vrouwen en vriendinnen. Daarna kwamen nieuwe klachten over intimiderend hard kloppende collega's, die riepen of het daar binnen nog lang ging duren, daar zij een belangwekkend artikel hadden te scheppen voor de krant van morgen en vóór het avondeten. ,,Wat zit jij daar te doen? Jij geeft toch alleen de bioscoopagenda door? Maak open, man!” Toen wilden zij voor alle zekerheid ook een rood lampje. Het leek er onderhand de Stoofsteeg.
Bezet was bezet, had de hoofdredacteur verordonneerd, geen gekke gezichten meer op de gang en geen klop meer op de deur. Dat zal ongeveer de laatste keer zijn geweest dat er nog naar hem werd geluisterd. De rust keerde eindelijk weerom. Depressieve collega's konden er vanaf toen zelfmoord plegen, dat de portier het pas na een paar dagen 's nachts op zijn ronde begon te ruiken.
Onder druk der omstandigheden hadden de eerste
thuiswerkers zich op eigen houtje afgezonderd, want elke dag zaten dezelfde collega's in de hokken. Behalve als ze een stagiaire hielpen bij een diepgravende analyse van de politieke situatie in de Centraal Afrikaanse Republiek of elders ver weg, dan nam hij haar even voor een uurtje apart in een louche hotel.
De hoofdredactie probeerde paal en perk aan de nieuwe tijd te stellen maar er was geen houden aan sinds in het hele bedrijfsleven de thuiswerker werd gepredikt als de oplossing voor elk probleem in de logistieke sferen. Op de meeste kantoren kwam het nog niet helemaal uit de verf. Het zijn altijd dezelfde luieriken die het liefst thuis niets uitvoeren, klaagden de collega's van de administratie, die onvermijdelijk op tijd op de zaak aanwezig moesten zijn, anders liep de hele tent in het honderd. Maar op de krantenredacties, met al die eigen baasjes die zich specialisten noemden, liefst op hele kleine gebieden, wisten ze al gauw niet beter. Helemaal als het mooi weer was, kon je een kanon afschieten op de redactie zonder één klacht over het lawaai.
Vanzelf lieten de eersten ook de post thuis bezorgen die zij niet aan collega's toevertrouwden: nieuwe boeken en grammofoonplaten vooral. De specialist stripverhalen werkte al een half jaar bij de concurrent toen ze er op zijn oude krant achter kwamen dat ze van de uitgevers nooit meer een stripboek ter recensie ontvingen.
Vanwege de voortschrijdende techniek kregen ze op kantoor een verplichte tikpauze voorgeschreven teneinde een immer loerende aanval van RSI te voorkomen. Waar was de onbekommerde tijd gebleven van de eindredacteur die er elke avond op eigen kosten een halve fles jenever
doorheen joeg die hij ter afkoeling aan een touw uit het raam had hangen? En die collega's stiekem bijvulden met water. En toch niet meer taalfouten dan in de andere kranten. Overleg moest steeds vaker georganiseerd worden met herhaalde elektronische convocaties, want er werd onderling nauwelijks meer gepraat, laat staan gediscussieerd, en dan nog was het afwachten of er iemand kwam opdagen. De hoofdredacteur voorkwam dat de grootste en meest tijdrovende lastposten aanwezig waren door ze geen uitnodiging te sturen en dan later te klagen over een computerstoring. ,,Blijkbaar.”
Rond die tijd was ook het rookhol ingericht in een kamertje langs de weg naar de toiletten. Er werd niets nagelaten om de journalist zijn prachtige statuur te ontnemen. Het hol moest elke avond laat door de schoonmakers worden uitgemest. De volgende dag zorgden de bureauredacteuren ervoor dat het er vanzelf weer een zwijnenstal werd. Niemand voelde zich er verantwoordelijk voor de verfrommelde kranten, niet voor de half opgegeten broodjes kaas, niet voor de rook, niet voor de ruimschoots gemorste thee, niet voor de half gesmolten plastic koffiebekertjes die als asbak werden gebruikt, niet voor de plukken shag op tafel en op de grond, niet voor de goudkleurige herenstring die er op een avond werd gevonden. Alsof ze tot hun volle tevredenheid in een vuilnisvat zaten te roken en te roddelen.
Over de krant ging het nog maar zelden. Elk had zijn eigen deskundigheid en steeds vaker zijn eigen streng afgeperkte werkterrein waar geen ander zich op mocht wagen. De specialist asielzoekers viel niet harder te beledigen dan 'm aan te spreken op nieuws over
onderbetaalde buitenlandse werknemers. Als hij met vakantie ging dan was er gewoon drie weken lang geen asielzoekersnieuws.
Niemand voelde zich meer aansprakelijk voor het geheel of nauw betrokken bij de dagelijkse gang van zaken. Hun krant was het al amper meer en het zou alleen maar minder worden. Als ze het met elkaar ergens over hadden dan was het over de zorgelijk stijgende benzineprijs, nieuwe automodellen en vermoedelijke relaties van collega's. Het rookhol was de stinkende voorbode van het complete journalistieke verval. De hoofdredacteur? Die had van de directie wel wat anders aan zijn hoofd gekregen dan de zorgen over de toestand van de journalistiek bij hem op kantoor. Bovendien viel zijn kamer niet onder het strenge rook- en drankprotocol. Hij kwam nog zo min mogelijk naar buiten.
Henri Knap was gestopt met roken nadat een collega hem op luide toon had gevraagd waar de reis nu weer heen ging: ,,Ik dacht dat jij onderhand wel een keer gewoon moest piesen.” Het zou pas zijn tweede sigaret van de dag worden, wilde Knap zeggen. Toen had hij al de klaagzang te pakken van de gestopte roker, die zich af en toe ook wilde verpozen onder collega's zonder dat er meteen 'ssst' geroepen werd vanaf het belendende bureau. ,,Dan ga jij toch lekker buiten op de stoep staan ouwehoeren,” had Knap geïrriteerd gereageerd, niet wetende dat hij daar binnen een paar jaar ook verdreven zou zijn door de laatste rokers die daar klagend, kleumend en fluisterend bijeen groepten om er een explosie van buitenechtelijke relaties te verzorgen. Voormalige rokers die jarenlang de lucht hadden vergiftigd voor hun collega's werden de
grootste activisten tegen zelfs de kleinste gedoogzones, vier grijze tapijttegels nabij de koffieautomaten; als die ene dikke van economie er stond te paffen, was het vol. Na volop mislukte pogingen ter gelegenheid van een reeks jaarwisselingen, waaruit in sommige geledingen van de familie zijn voor de journalistiek typerende karakterloosheid werd verklaard, bleek het stoppen met roken onder deze omstandigheden voor Henri Knap een fluitje van een cent.
In de maanden dat Knap het afgelopen jaar mismoedig had gezocht naar een nieuwe baan, was blijkbaar de volgende fase aangebroken. Bij de Hollandsche Nieuwe waren alle redacteuren op de redactiezaal van elkaar gescheiden met geluidwerende kappen over de bureaus. Alsof iedereen zijn eigen telefooncentrale beheerde en er geen redactiezaal meer bestond. Onderling werden alleen nog beleefdheden gemompeld. Theoretisch mocht er het een en ander veranderd zijn, praktisch keerde het onaangename solitaire kantoorregime uit de tijd van Charles Dickens weerom.
Knap gromde. Uit een ooghoek zag hij de hoofdredacteur van de Hollandsche Nieuwe stampend uit zijn kamer tevoorschijn komen. Nog zoiets dat nooit bij een krant had gehoord. Hoofdredacteuren en journalisten op leeftijd waren magere, breekbare mannetjes geweest, zichtbaar geteisterd door stress, tabak, alcohol en vreemde vrouwen. Sloffend en in een slecht zittend pak van de Wehkamp, want daar kregen ze korting via de vakbond. Ontevreden over het leven, nauwelijks content met zichzelf. Als er eens een de 65 haalde werd dat als een onverwachte strop ervaren door het pensioenfonds. Maar sterke drank,
stinkende tabak en slechte vrouwen waren onderhand marginalia die hoorden bij de laatste oude collega's, alsof het voorlichten en opvoeden van het volk onder invloed van de technische vooruitgang langzaam alleen nog iets voor leden van het Leger des Heils was geworden.
Lücker, die doorgaans alleen op de werkvloer verscheen omdat er geen andere weg naar buiten was behalve een sprong door de dubbele beglazing, een mindere keuze op zeventien hoog, stampte met gebalde vuisten, recht op zijn redactiechef af, alsof hij deel uitmaakte van een exotisch trompettercorps bij de Taptoe Delft. De hoofdredacteur erkende slechts de commandolijn die begon bij Henri Knap, de enige van het stel die tenminste bruikbare ervaring had opgedaan bij een echt dagblad. Knap legde juist alles gereed om met de nieuwe krant te kunnen beginnen en vooral de oude te vergeten.
Lückers frenetieke bewegingsritme vormde een passende combinatie met zijn kale kop, gelijkend op een onbekende ruige diersoort waar in het voortraject een aap aan te pas moest zijn gekomen. Die ogen, die neus en die mond, ze bewogen geheel op eigen houtje als hij sprak. En ze misstonden dan weer volledig bij zijn strak gesneden maatkostuum met de onvermijdelijke krijtstrepen, de glimmende vaak roze stropdas en de smalle lichtbruine brogues van 750 euro; twee paar dezelfde, onlangs onder dwang van zijn vriendin aangeschaft tijdens een kooptocht te Milaan. Aan zo iemand konden ze onmiskenbaar niet eens het weerbericht overlaten.
Knap had zich al een paar keer voorgenomen hem te waarschuwen dat hij zijn optreden moest aanpassen aan de status van zijn nieuwe bedrijf. Maar als het er op aan kwam
vermoedde hij dat het bij Lücker weinig zou uithalen. Op diens eigen onbehouwen manier was hij immers ook De Keukenkolos geworden, de van de Ster-reclame en een doe het zelf-programma landelijk bekend geworden brutale baas van de winkelketen, die hij een jaar terug voor een reusachtig bedrag van de hand had gedaan aan een roedel Britse blufkapitalisten. Die waren onderhand bezig alles te ontwarren om de ene vestiging na het andere magazijn voor de prachtigste bedragen aan Lückers voormalige concurrenten te verkopen. Keukens hier, badkamers daar. De naam De Keukenkolos in zwarte en rode voor eeuwig gedoofde neonletters bungelde soms nog aan de gevels van ontruimde filialen waar ze een briefje met minimaal twee spelfouten op de deur hadden geplakt dat de klanten verwees naar de buren van Het Kookparadijs of anders De Kok & Co aan de overkant, even verderop langs de meubelboulevard.
Lücker had er danig de pest over in. Zijn tijdens jaren van hard werken opgebouwde imperium werd verhandeld als een keten van profijtelijke onroerend goed transacties. ,,Mijn gebouwen waren geheel ontruimd meer waard dan met mijn naam erop, mijn handelsvoorraad erin en mijn vaste klanten ongeduldig voor de deur. Het kapitalisme is de weg volledig kwijt.”
Daar lag dat grimmige optreden van Lücker op de redactie overigens niet alleen aan. Het ging na al die maanden nog steeds niet goed met zijn gratis krant die hij voor een zacht prijsje had overgenomen van een oude vrijgezelle entrepreneur, zoals dat in zijn kringen heette, die geen zin meer had in wat ooit een familiebedrijf was geweest met voor elke gemeente van enige omvang een
eigen editie. Lücker had van het pakket huis-aan-huis bladen een gratis landelijk dagblad gemaakt. Volgens onderzoek was er in vergelijking met andere welvarende Europese landen nog volop ruimte in dat segment. Marktonderzoekers, je kon ze alles vragen en elk gewenst antwoord krijgen. Het was ook goed voor de verse almachtige god van de voorspoed: concurrentie. En hij wilde iets om handen hebben. Hij wilde weer een tent waar hij de vakken naar eigen believen kon vullen, zonder dat hij er een vakopleiding voor nodig had.
Knap keek hem vaak meewarig na: meneer de hoofdredacteur. Maar, gaf hij toe, de directeur van Philips hoefde ook geen gloeilamp in elkaar te kunnen zetten om toch voor een miljoenensalaris te functioneren. Als het voetvolk maar de gevraagde beroepsopleiding had gevolgd en dan maar met iets minder maandloon tevreden was.
Lücker, die geweld van plan leek, was tot stilstand gekomen naast Knap, die mismoedig voor zich uit keek. Was er bij de Hollandsche Nieuwe eindelijk een weliswaar groezelige primeur te vieren, verscheen de hoofdredacteur nog met die grimmige kop van 'm. Lücker wees dwingend op de compromitterende exclusieve foto van Johnny Walker, die dit seizoen wekelijks het populaire vulgaire tv-programma 'Hebbes! Ik dacht al dat de mijne vreemd ging' presenteerde. Ieder probleem dat elk fatsoenlijk mens tot voor kort zo lang mogelijk binnen de eigen vier muren probeerde te houden, tot er onontkoombaar met huisraad werd gesmeten en de politie er bij te pas kwam, was tegenwoordig rijp voor een ontluisterende televisieshow waar smakelijk om gelachen werd in miljoenen huiskamers. Het leek alsof elke aflevering rustte
op een onooglijk, lelijk kereltje dat er daadwerkelijk een ordinaire, kolossale geheime vriendin op nahield, of omgekeerd. Vaak moesten ze ondertiteld worden, want ze kwamen zelden uit de grote stad. Nooit twee frappant mooie mensen of een patserige directeur met zijn spetterende secretaresse. Zo'n stel werd altijd met de verborgen camera betrapt op een sjofele motelkamer. Vloeken, tranen, vaak scheldkanonnades van de verraden partij, die altijd met de cameraploeg mee kwam, vleugje bloot, soms dreigende klappen en Walker erbij om alles gierend van de pret van extra ranzig commentaar te voorzien. Geen mens had in de gaten dat vrijwel alle incidenten in scène waren gezet. Het was een gouden format, wist de producent. Er meldden zich elke week voldoende kandidaten om er een geloofwaardig avondvullend programma van te maken, maar hij liep liever geen juridische risico's met de privacy en wat er tegenwoordig al niet meer tegen de vrijheid van meningsuiting werd verzonnen. Trouwens, de afleveringen moesten ook nog gedurende vele jaren overdag herhaald kunnen worden op een van de vier andere netten die de zender te vullen had. Want bij de tiende vertoning, op een verloren middaguur, als alleen nog een paar Alzheimerpatiënten vol verbazing toekeken, waren er nog steeds voldoende adverteerders van naam en faam die er hun spotje bij wilden zetten. Zo zag een moderne goudmijn er uit.
De Hollandsche Nieuwe had binnenin nog een tweede, kleinere foto van Johnny Walkers samenzijn, plus de laatste regels van een onnozel bericht waar eigenlijk alleen in beschreven werd wat er op de foto's te zien was. Hij
lag uitgeteld, als een natte dweil over een onherkenbare vrouw heen.
Eigenlijk niet gek veel bijzonders. Zulke onbeschaamde foto’s verschenen de laatste tijd steeds vaker op internet en daarna vanzelf in de internationale media. Aanbod zat. De grootste sterren legden hun intiemste escapades voor alle zekerheid vanaf de eerste voorzichtige kus vast op foto of film, zodat ze de beelden naar internet konden laten lekken als het wat stroever liep met hun scheiding of hun carrière.
De nippleslip, een quasi toevallig zichtbaar tepeltje, was iets voor soapsterretjes van amper 18 jaar oud en toch al een heuse relatie met een ervaren knar uit het vak. Pedofilie, daar werd in het filmbedrijf heel anders tegenaan gekeken. Iets oudere filmsterren waren vaker, verdorie nog aan toe, helemaal vergeten dat ze hun onderbroek thuis hadden laten liggen als de dames zich voor het front van flitsende fotografen zo onelegant mogelijk aan hun Hummer trachtten te ontworstelen. De echte profs hadden een complete, goed verstaanbare, fraai uitgelichte copulatie in een luxe hotelkamer met hemelbed gereed; ze deden het desondanks op het vloermatje.
Allemaal begrepen ze desgevraagd nooit hoe die beelden in vredesnaam voor eeuwig op internet terecht hadden kunnen komen. Onbegrijpelijk dat ze tijdens de opnamen niets gemerkt hadden. Heel erg vonden ze het, gênant gewoon voor hun ouders en voor hun drie kinderen van even zoveel verschillende vaders. Over schadeclaims vernam men slechts bij hoge uitzondering. Als ze hun hondje kwijt waren, schreeuwden ze moord en brand en boden in het lokale tv-journaal duizenden euro's om het
kreng terug te vinden. Maar zo'n filmpje, ach, het was weliswaar in hun blote gat en d'r werd houterig in geacteerd, maar ook dan bleef het gratis publiciteit.
De uitgelekte foto's van Johnny Walker gaven de lezer van de Hollandsche Nieuwe het prikkelende gevoel een wettelijk gedoogde voyeur te zijn. Er bestond slechter kosteloos divertissement om de dagelijkse saaie reis naar kantoor mee te veraangenamen. En dan ging het hun niet eens om het bloot en de daad, daar zat internet vol mee. De sensatie was dat Johnny Walker duidelijk zichtbaar niet met een van zijn doorgaans ordinaire sportschoolvriendjes te bed was geraakt. Voor een actiefoto van zo een workout was zelfs een gratis krant nog niet rijp. In dat geval had moeten worden volstaan met een ongeïllustreerd bericht waarin de nieuwe liefde alleen een non-descripte voornaam kreeg. De juichende kop 'Hebbes!' van de Hollandsche Nieuwe sloeg zowel op de primeur, als op de naam van Walkers tv-show, als op die al een beetje gezette, anonieme verovering van de zanger: Johnny was overgestapt naar het kamp van de echte mannen.
,,Wat hebben we hier morgen nog meer van!?” donderde Lücker, een vraag van de generaal als een bevel aan een hem nauwelijks bekende korporaal. ,,Als ik dat wil lezen, dan wil iedereen dat lezen.” Zo simpel zat de journalistiek in elkaar.
Knap keek hem verbaasd aan. Niet eerder had die keukenboer zich zo openlijk met de dagelijkse gang van zaken op zijn eigen krant bemoeid. Waarom zouden ze morgen meer van dit hebben? Hij wist het nu toch? Artikel 1 van Lückers redactionele wetboek luidde niet voor niets: ,,Nieuws is alles wat ik nog niet wist.” Een pijnlijker definitie
van de journalistiek bestond er niet. Tot Knaps verbazing bleken nogal wat gediplomeerde journalisten zich daar helemaal in te kunnen vinden.
Henri Knap hield het bij een professionele reactie, want daarmee voorzag hij in zijn dagelijkse onderhoud. ,,Onze nieuwe correspondente in Vlissingen heeft afhoudend gereageerd op de vraag om meer informatie, las ik in het nachtrapport. Het zou mij niet verbazen als zij die plaatjes na een elektronische inbraak van de lokale whizzkid heeft gekregen. Wij fungeren als haar opstapje. Misschien is die vrouw wel een bekende Nederlandse. Wij zetten het schandaal op de agenda. Als er meer is, en helemaal met haar met naam en toenaam in beeld, dan verkoopt onze correspondente dat, na alle stampij van deze dag, aan de hoogste bieder van een van die quasi nieuwsrubrieken op de televisie en anders gewoon aan de zogenaamde bladen. Die ZZP'ers van ons leren snel.”
,,Lul niet. In dat geval ben ik de hoogste bieder. Desnoods ga ik zelf bij dat Vlissingse vrouwtje langs, kan ik meteen eens zien wat voor vlees we daar in de kuip hebben. Misschien is het nog beter dan wat die vent in bed heeft gekregen. En voor als het jou gevraagd wordt: wij zijn bezig met onderzoeksjournalistiek, onthoud dat, Knap.” Hij zweeg en keek zijn verbaasde chef redacteur een paar tellen met strakke ogen aan. Toen barstte Lücker opnieuw in lachen uit. Alsof hij zich in één klap bewezen had als een ervaren communicatiedeskundige.
De rest van de redactie bestond nog steeds uit versteende ruggen. ,,Goddomme, eindelijk waren mijn bakken vrijwel leeg.” Hij wreef in zijn handen. ,,We drukken er morgen 10.000 bij als dat Zeeuwse wijfje
tenminste levert. Een extra ruime vergoeding kan er van af. Ik wil er een serie foto's bij hebben van andere homo's die er op zeker moment toch maar met een vrouwtje vandoor zijn gegaan; even afgezien van hun oude moedertje natuurlijk. En daar zet jij 'Mietjes!' boven. Knap? Gehoord? 'Mietjes!' De volle breedte. Zo doen ze dat in Engeland. Dat vind ik leuk, dus dat vinden de mensen leuk.”
Knap schatte dat hij een beroep zou moeten doen op de 92 punts letter, die gereserveerd stond voor als de derde wereldoorlog zou uitbreken. Smerig werk is ook werk, prentte hij zichzelf daarbij in, zo lastig als hem dat afging. Hij kon wel principieel gaan doen, maar daar werd hij niet gelukkig van, het avondeten kreeg hij er niet van betaald en de journalistiek werd er niet mee gered.
Joop Lücker beschouwde de Britse tabloids als zijn voorbeelden, hoewel hij zelf met zijn steenkolen Engels nauwelijks verder kwam dan een Nederlandse minister-president. Zulke kranten hadden minstens twee sensationele onthullingen per dag. Minstens één ervan was de uitgebreide ontkenning van wat de kop beloofde. Soms beide. Al wisten de kopers zich elke dag weer bij de neus genomen, toch zwichtten ze telkens bij het krantenstalletje als de kop maar verleidelijk genoeg was. Canards en andere tegenvallers werden snel vergeten als de lezers doorbladerden naar pagina 3 waar de extra fors uitgevoerde blonde stoot van de dag stond. Dan hoorde je helemaal niemand meer klagen.
Alle kranten in het oude Albion zouden de foto van Johnny Walker ook op de voorpagina hebben afgedrukt, met een nog veel schreeuweriger kop, maar ook met een grote gele
ster over de botsende onderlichamen. Daar waren ze streng in sinds koningin Victoria verordonneerd had dat geslachtsdelen buiten de slaapkamer geen bestaansrecht hadden. Hele grote blote borsten konden er elke dag volop mee door want dat waren geen geslachtsdelen maar geslachtskenmerken, had een bejaarde rechter ooit bepaald.
Per onthulling over vermeende vreemdgaanderij moesten de hoofden van beide betrokkenen wel steeds goed herkenbaar in beeld zijn, plus alle beschikbare intieme informatie over wat het stel aan het doen was, hoe, waar en of ze het vaker deden, want dat viel allemaal onder de persvrijheid. Ook een beschrijving van wat ze droegen; sommige bekende Britten hielden het shirt van hun favoriete voetbalclub aan als ze zelf een punt wilden zetten. Alles opgehangen aan een uitgebreid curriculum vitae van de bekendste participant van de twee, met tot in detail meer rommelige oude personalia uit de archieven en een woedende reactie van de bedrogen echtgenote. Het geheel voorzien van een foto van zijn arme bloedjes van kinderen in hun uniformpjes onder begeleiding van de nanny op weg naar hun particuliere school. Wat een schandaal. En wat een nanny. Die wilden ze morgen op pagina 3.
Niemand protesteerde tegen de storende gele sterren als een vorm van censuur in wat van oorsprong een gidsland voor de vrije meningsuiting heette. Tegenwoordig wist elke lezer dat binnen een paar uur dezelfde foto's, alleen dan zonder die ster of een balkje, gratis op internet te zien zouden zijn. Soms met vaag bewegende beelden. Heel het land tevreden, in afwachting van de volgende minister die naar het bordeel ging; het leek soms alsof ze daar vaker
kwamen dan op hun eigen departement. En anders moesten ze het er maar mee doen tot er nieuwe aanvoer kwam van een lid van de koninklijke familie.
Allemaal kopij waar in Nederland tot voor kort terughoudend mee werd omgesprongen, zelfs in de zogenaamde pulpbladen. Geen bloot en nooit een vloek of ander onvertogen woord, dat hield de oplage stabiel. Maar de gratis kranten tastten de grenzen van het publieke leven steeds meer af in een brutale, meedogenloze overlevingsstrijd. De echte kranten volgden, maar op een afstandje. Die zochten een serieus lijkende invalshoek om hetzelfde nieuws te kunnen publiceren. En als die niet bedacht kon worden, dan spraken ze in een of ander mediarubriekje schande van de berichtgeving bij de concurrent en plaatsten ter illustratie van hun klacht de gewraakte foto, maar dan zo klein dat hun lezers naar de loep of internet moesten grijpen om te zien van welke geslacht die andere was.
Dat het geval Johnny Walker een primeur betrof, was in de vroege ochtenduren op radio en tv gebleken waar aandacht aan dit bericht uit de Hollandsche Nieuwe was besteed. Een enkele keer zelfs met bronvermelding. Nog belangrijker waren de mediaprofessoren aan de telefoon die hijgend tegen elkaar opboden met hun vaste nummer: zij hadden elk voorspeld dat dit soort van berichten in de Nederlandse maatschappij van groot belang ging worden. Ere wie ere toekwam. In de eerste tv-journaals werd bij het diverterende berichtje een foto van Walker vertoond maar dan als jurylid bij een tv-wedstrijd kruisboogschieten voor bekende Nederlanders of als zanger op bruiloften en partijen, niet die scandaleuze foto's van de Hollandsche
Nieuwe Courant. Dat kwam, bloot mocht pas vertoond worden na kinderbedtijd, volgens de mediawetgeving.
De voornaamste indicatie dat het om onweerlegbare feiten ging waar het grote publiek van op de hoogte moest worden gebracht, was het zwijgen van Johnny Walker en diens entourage. Zijn manager noch zijn advocaat had zich gemeld met protesten en schadeclaims van allicht in de tonnen. Terwijl Walker erom bekend stond dat hij bij alles wat hem in de pers niet zinde meteen krijsend stampij maakte. Zijn advocaat eiste om de minste of geringste roddel een financiële genoegdoening met minimaal vijf nullen die doorgaans een paar dagen later stilzwijgend werd omgezet in een portie free publicity, straks bij het verschijnen van zijn nieuwe cd. Het heette hier per slot van rekening Nederland. Alles was toch net wat minder sensationeel of ruw. Een nippleslip was een echt onhandigheidje van een aankomend, nerveus sterretje dat een uur lang op de hoek van de straat had zitten wachten in de McDonald’s tot zij aan de beurt was voor die honderd meter in de verlengde witte limousine naar de rode loper van het filmtheater. Zij moest toch wat, als zij ooit met een nietje door haar navel in de Playboy wilde.
Zonder tegenspraak werd alles wat in de krant stond vanzelf een feit. Meestal dan toch. Want de Hollandsche Nieuwe had een paar lastige rechtszaken lopen van klagende uitgerangeerde en al bijna vergeten tv-presentatrices van zekere leeftijd, beiden op haar onelegantst gefotografeerd. De een tijdens het vroeg in de ochtend uitlaten van de hond, en wat voor een scharminkel, de ander bij het een uur later schielijk verlaten van het pand van een tv-producent. Na een
bars telefoontje van de advocaat, die de dames in de arm hadden genomen, had Lücker voor alle zekerheid de serie 'Net gewone mensen' van een beginnende paparazzo laten stopzetten. ,,Zulke lelijke takkenwijven,” zoals Lücker ze vanaf toen noemde, ,,moeten mij goddomme ook niet nog eens geld gaan kosten. Een gratis krant is geen hobby van de baas. Als ze vervelende vragen over censuur stellen, Knap, dan zeg je maar dat er grenzen zitten aan wat ik en de mensen willen zien.”
Lücker prees zich gelukkig dat de Hollandsche Nieuwe bij toeval nog geen foto had gepubliceerd van de advocaat en zijn jongste verovering, een bekende Nederlandse naar men zei. Hij keek er op de foto's steeds gevleid bij alsof zijn klanten niet op zijn juridische kennis afkwamen maar net zoals zijn vriendinnen op zijn gepommadeerde kop. Wat bij de meeste klanten ook zo was, want juridisch stelde hij, buiten zijn notoire kabaal, niets voor.
Zowat elke rechtszaak met hem was een bij voorbaat verloren strijd, maar tijdens de aanloop viel binnen zijn netwerk van gedienstige journalisten volop gratis publiciteit te scoren. Bekende klanten leverden hem zendtijd op in tv-programma's waar hij anders om voorrang had moeten strijden met collega's en hun onthullingen over moord en doodslag die hun klanten ook nooit gepleegd hadden. Om zeker te zijn van zijn plaats en zijn eigen gelijk, was hij medepresentator geworden van een dagelijkse tv-show die grossierde in de ranzigste nieuwtjes over bekende Nederlanders, zoals hij er zelf een was geworden.
Te zien aan de voorpagina van de Hollandsche Nieuwe moest de hele wereld, te beginnen bij Nederland, alles van Johnny Walkers metamorfose weten.
,,Hij zal toch niet naar het Journaal gaan?” had Knap aan de ontbijttafel overdreven bezorgd gegrinnikt tegen zijn vrouw terwijl hij op de foto tikte.
,,Ze zijn er daar rijp voor,” had zij hoofdschuddend geantwoord. ,,Thee?”
Zijn vrouw had het niet zo op de journalisten van de moderne tijd. Zij had zelf bij de krant op het secretariaat gewerkt en ,,van het een kwam het ander,” zoals zij die tijden samenvatte als er naar werd gevraagd. De hele redactie had achter haar aan gezeten. Zij had onder invloed van volop bier en geveinsde genegenheid ruim na middernacht het comfort van haar weerbarstige lendenen aan menige collega gegund, tot Knap de enige ware bleek. Na hun huwelijk was zij bij een Amerikaanse firma gaan werken die gespecialiseerd was in kasregisters maar waar helemaal niemand in de directie een idee had van hun enorme voorsprong op de markt van alle nieuwe soorten rekentuig. Ze hadden de opkomst van de computer volledig gemist of onderschat en vrouw Knap had behoord tot de eerste lichting personeel die daar het slachtoffer van was geworden. Daarna had zij zich nog slechts aan het huishouden gewijd, wat Knap de mogelijkheid had geboden zich dag en nacht op de journalistiek te concentreren.
Zijn demonstratief veranderde voorkeur duidde erop dat Johnny Walker in onderhandeling was over een nieuw programma bij een andere televisiezender, die beter betaalde, maar waar kennelijk geen plaats was voor zijn normale relnichterige aanpak. Voilà: hij had onmiskenbaar ook een macho op zijn repertoire staan aan wie men stevige kost kon overlaten. Een eigen talkshow wachtte ongetwijfeld aan de horizon.
,,Goddomme, zoek uit wie dat wijf is, Knap. Daar wil ik d’r 06 van hebben!” Lücker moest nog steeds luid om zichzelf lachen. ,,Ik wil morgen in mijn eigen krant alles over haar lezen. Heb jij trouwens al iemand achter die Walker aan gestuurd?” De hoofdredacteur had het nog steeds alleen tegen Knap en op een toon alsof hij twijfelde aan zijn vakbekwaamheid.
,,Johnny Walker zit op Tuvalu, dat is een toeristische trekpleister in opkomst. Kan en mag niet gestoord worden.” Alsof hij nederig op rapport kwam. ,,Ze nemen de oudejaarsspecial op. Kost een godsvermogen. Bekende Nederlandse volwassenen spelen verstoppertje. Er moeten zoveel mogelijk kijkers sms'en achter welke boom Walker zit, anders moet er geld bij. Precies onder het eerste rotje zal wel weer blijken dat een zogenaamd neefje van de regisseur de breedbeeld tv heeft gewonnen. Hoeven ze die ook niet weg te geven. Het is sappelen in de showbizz en omstreken.”
Knap zuchtte demonstratief. Dat hij zulke dingen nog eens zou moeten uitzoeken. ,,Helaas mogen wij daar absoluut niets over schrijven. Hun sponsors zijn onze enige adverteerders. Had de hoofdredactie meer ideeën voor de krant van morgen?” Henri Knap sprak accentloos, verzorgd Nederlands zoals hij dat vijftig jaar terug had geleerd. Hij sprak de letters uit zoals ze er stonden. Allemaal. Dat werd tegenwoordig al gauw bekakt of arrogant genoemd, want het verschil daar tussen was ook vervaagd.
Lücker had zich al met een ruk omgedraaid zodat hij zijn trendy blauwe leesbril met een tikje van zijn wijsvinger weer in het lood moest zetten. Hij marcheerde handenwrijvend terug naar zijn kamer.
Knap was in vrijwel alles het tegendeel van zijn nieuwe baas. Bij de eerste aanblik dachten vrouwen vaak dat ze met een ouderwetse vrijgezel van doen hadden, gezellig. Zo een waar ze hun eigen stuk chagrijn graag voor zouden inleveren: bedachtzaam gezelschap en weinig gedoe toe. Knap met zijn ronde bril met een dun donkerbruin montuur had daar geen idee van. Hij droeg graag tot op de lederen elleboogstukken versleten colbertjes, want die zaten hem als gegoten en ze konden nog goed mee, vond vrouw Knap. Daarbij een wit overhemd dat Chroetsjow nog had meegemaakt. Gewoonlijk had hij er een klassieke blauwe stropdas op met enkele dunne, gekleurde baantjes al naar gelang zijn ochtendhumeur. Alleen op feestelijke dagen completeerde een vlinderdas het ensemble. Hij strikte hem zelf; voorgevormde fabrieksstrikken waren hem net zo een doorn in het oog als biefstuk onder plastic in de supermarkt. Knap had een dunne haardos met een kaarsrechte scheiding in het midden. Als hij op een stormachtige herfstdag op kantoor arriveerde, leek hij soms net een Flandriën, zo'n ouderwetse Belgische wielrenner met zijn stofbril hoog op zijn bemodderde voorhoofd, pet net afgezet, na een dag dokkeren op de kasseien. Wind, regen en slijk tegen, en niet eens bij de eerste twintig. Alleen keek Knap er bij alsof hij van pianoles kwam.
Henri Knap hechtte binnen zijn financiële mogelijkheden en zijn degelijke maatschappelijke overtuiging aan een gedistingeerd voorkomen. Het hoefde niet in jacquet maar enig decorum was toch gewenst als een verslaggever namens zijn krant en zijn lezers de burgemeester ondervroeg. Hij zei het op de redactie niet hardop want
daar werd anders maar om gelachen en later van geprofiteerd. Hij kende collega's die hun hele garderobe via de onkostennota hadden binnengehaald ter gelegenheid van ontvangsten waar de koningin bij werd verwacht en alles met de minister-president.
Geen van de redacteuren had gereageerd op het luidruchtige optreden van Lücker. Verbaasde Knap niets. Er bestond geen wij-gevoel bij de Hollandsche Nieuwe. Daar waakte de hoofdredacteur voor. ,,Krijg ik alleen maar gezanik van en relaties op de werkvloer. Krantenvolk, dat staat daar algemeen om bekend.” Net zoals hij er geen team van wilde maken. ,,Dat doen ze maar met voetballers en in de Tweede Kamer. Als ze bij mij op survivaltocht willen, dan dragen ze zelf de kosten en zoals bij iedere andere poging tot zelfmoord: slechts indien de werkzaamheden het toelaten.” Hij bulderde weer om zichzelf.
De hoofdredacteur sprak meestal luid en met minachting over zijn medewerkers, op een vanzelfsprekende toon, alsof Knap het beroepshalve alleen maar met hem eens kon zijn. Vraag het mij dan niet, dacht die er vaak licht panisch bij, want hij vreesde zijn eigen luide bijval.
Van kunstmatige groepsgevoelens, die de oude gedeelde idealen moesten vervangen, en die in de mode waren gekomen onder managers die volgens Lücker ,,in meerderheid eerder een meelijwekkende mensensoort vormen dan een competente beroepsgroep,” gingen de redacteuren na hun dienst samen zuipen en dan haalden ze het in hun hoofd dat ze op de krant alles te vertellen hadden. ,,Je weet nooit wat ze precies doen, managers. Als ik op de tv iemand zie die zich manager van of in 't een of
ander noemt, dan doet 'ie mee aan een quiz en dan heeft 'ie alleen de vraag naar z'n eigen naam goed.”
Lücker moest niets hebben van de macht van de managers maar ook niets van hun tegendeel, de medezeggenschap ter redactie. Knap kreeg er een rood hoofd van: in de nadagen van de journalistiek was hij het op te veel onderdelen eens geraakt met die amateur.
Knap dankte de lieve heer op zijn blote knieën dat er bij de Hollandsche Nieuwe op redactievergaderingen niet met handopsteken gestemd kon worden. Hij vreesde het ergste, zeker als zijn zogenaamde collega's naar hun opvattingen over het vak was gevraagd. Gelukkig hoefde hij daar geen punt van te maken want het instituut van de redactievergadering bestond onder Lücker niet. Voor zover het de journalistiek betrof was Henri Knap na al die jaren niet zozeer çonservatief geworden als wel pragmatisch in de variant zonder overtuiging, illusies en idealen. Aardig geschikt als leerling-verslaggever. ,,Dromen doe je maar in bed,” had de laatste hoofdredacteur in zijn tijd bij de echte krant geroepen tegen iedereen die dacht dat hun dagblad een geheel eigen profiel hoorde te hebben, met maatschappelijke denkbeelden en een politieke overtuiging. In die tijd schreef Knap al steeds vaker alsof het weer oorlog was: alles voor brood op de plank.
Henri Knap had de overgangstijd tijd meegemaakt van een kleine redactie die vrijwel niets te vertellen had, daar geen behoefte aan had en daar dus ook niet opstandig van werd, want zo waren ze thuis opgevoed, tot de door de vakbond afgedwongen eerste redactievergaderingen waar de agenda binnen een half uur en liefst bij acclamatie was afgewerkt; veel mochten ze aanvankelijk toch niet
beslissen. Maar binnen een paar jaar was langs die weg de hele oude, conservatieve leidinggevende lichting verdwenen en bij handopsteken vervangen, vaak zonder afscheidsfeest, zonder groet, geen bloemen en als ze jaren later dood gingen zonder een necrologie of zelfs maar een meelevende advertentie van de hoofdredactie waar zijn punctialiteit bij het doorgeven van de scheepsberichten speciaal in benoemd werd. Als je zulk eerbetoon wilde, kon je maar beter als jonge, mooie, vrouwelijke losse medewerkster onder de tram raken: de hele redactie, dagenlang, tranen met tuiten.
De medezeggenschap was door de journalisten bevochten om de diversiteit van de pers te waarborgen tegen de schaalvergroting in, de commercialisering en de economische druk. Ze hadden gedacht met hun redactiestatuut het imposante verleden van hun krant voorgoed vast te leggen en te bewaken, een onverwoestbare pilaar te worden onder een levendige democratische samenleving, dwars tegen de verzakelijking in, tegen de concentraties en fusies, in het vertrouwen op een overheid die de pers zou steunen als het nog slechter met de kranten zou gaan. Veertig jaar later legden hun opvolgers met behulp van dezelfde statuten vooral hun eigen positie en inkomen vast, zo ver mogelijk verwijderd van alles waar de krant ooit voor had gestaan. Ze mochten zelf hun hoofdredacteur aanwijzen en kozen er steeds vaker een die donders goed wist van wie hij voor zijn inkomen voortaan geheel afhankelijk was en die daar rekening mee hield in zijn personeelsbeleid. Er was toch al niemand geweest die zich ooit iets van zijn inzichten had aangetrokken toen hij nog alleen maar chef was. In een
doorsnee bordeel werden ingewikkelder eisen gesteld tijdens het keuzeproces.
Onafhankelijkheid en objectiviteit werden in de media meetbare begrippen gevonden. Nergens bij horen is ook ergens bij horen, beweerde Knap, maar dat werd fel bestreden door de meerderheid van de objectieve onafhankelijken van de laatste lichtingen.
Het opsteken der handen tijdens een vergadering had alleen voeten in de aarde bij precaire kwesties die grote persoonlijke gevolgen konden dragen, als iedereen eerst wilde zien wat de vertrouwelingen van de hoofdredacteur op de voorste rij deden. Geheime stemmingen werden zoveel mogelijk vermeden daar de hoofdredacteur dan geen zicht had op wie hem volgden. De uitvlucht heette dan dat de vraag om een schriftelijke stemming een gebrek aan vertrouwen in de eigen redactionele democratische spankracht verraadde. Ze begrepen niet eens dat de hoofdredacteur in werkelijkheid allang het willige, duur betaalde verlengstuk van de directie was dat de redactie zo gek moest zien te krijgen om mee te doen aan het hoofdpunt van de moderne bedrijfsvoering zowel in goede als in kwade tijden: zo strak mogelijk bezuinigen. Ambities werden niet langer op prijs gesteld, kwaliteit werd schouderophalend afgedaan, creativiteit was een bedenkelijk woord dat de hoofdredacteur in zijn plannen niet eens foutloos kon schrijven. ,,Flauw,” had zijn oude baas schouderophalend gezegd toen hij hem daar op wees. ,,Een fout tijdens het uittikken,” verklaarde hij later desgevraagd, zodat iedereen dacht dat het aan die van het secretariaat lag. Knap had gezwegen.
Het stelsel van beloningen was het belangrijkste wapen
van de hoofdredacteur en zijn adjuncten, die alleen soms de straat over hoefden te steken en desondanks op en neer naar huis reden in leasewagens uit de A-klasse. Als het vuur hem te na aan de schenen werd gelegd, beweerde hij dat hij die stukjes van 'ze', de hoofdredacteur haalde z'n schouders eens op over zijn eigen redactie, niet eens las. Zo onbeduidend was iedereen in vergelijking met hem en zijn medestanders. Werd hij te zeer belaagd, dan deelde hij eens een ontslagje uit. Kon makkelijk, want onder invloed van de wisselende economische inzichten was er volop sociaal bedoelde wetgeving gekomen om elke dwarsligger of gewone vijand er binnen een dag en zonder veel bijkomende kosten en heisa uit te kunnen schoppen. Dat hield de rest wel koest.
Mede op die basis was een veelkoppig monster ontstaan in een bedrijfstak die volgens zijn eigen uitgeschreven commentaren vond dat de rest van Nederland het best afgerekend kon worden op strenge prestatiecontracten, gemaximaliseerde salarissen, onmiddellijk af te schaffen bonussen, een ontslagverbod en een beschaafde bedrijfsvoering. Het was een verdachte positie, maar anders hadden ze niets meer om over te schrijven.
Onder invloed van de aandeelhouders hadden de kranten directies gekregen die meenden dat ze in de meest ruwe sector van de papierhandel zaten waar het krap aan verdienen is. Daar landden alom lompe, luidruchtige, per ongeluk omhooggevallen prutsers van op de cruciale kruispunten in de branche. Ze lieten zich manager van het een of ander noemen als de titel van CFO of CEO, wat dat mocht inhouden, al vergeven was en ook wat er verder nog aan afkortingen was komen overwaaien uit de VS.
Daar hoorden vanzelf hoofdredacteuren bij die al net zo makkelijk en schielijk verkasten als managers, die juist weer toe waren aan een nieuwe uitdaging als hun fouten en miscalculaties aan het licht dreigden te komen. Zo was een organisatie ontstaan die zich moeiteloos verdedigde tegen elke vorm van interne kritiek. En de buitenwacht had zich al helemaal nergens mee te bemoeien. Zo slecht als het ging met de kranten, zoveel abonnees als ze verloren, zoveel verlies als ze maakten, zoveel kwaliteit als ze ingeleverd hadden, nog nooit was er een hoofdredacteur gesneuveld wegens wanbeleid. Laat staan een directeur. Ze moesten ook wel heel stom zijn als ze niet op tijd waren vertrokken.
Hoofdredacteuren moesten hun belangrijkste bijdragen leveren tijdens vergaderingen van de concernleiding, als die ene, verdomde, marginale idioot van dat bijkans vergeten lokale sufferdje, die de inhoud van zijn krantje belangrijker vond dan het rendement van het hele bedrijf, overstemd moest worden. Wie zich als manager in zo een groothandel had bewezen, kon overal in de tweedehands auto's direct aan de slag. In de moderne journalistiek was de belangstelling voor afkeurende voetnoten in eigen zaken snel tanende.
Wat dat betreft marcheerde Knap in zijn nieuwe werkomgeving aardig gelijk mee op. Alleen van aanvaringen met de hoofdredacteur kon bij hem nauwelijks sprake zijn daar Lücker zich vrijwel niet met het productieproces van de Hollandsche Nieuwe bemoeide. Hij had zijn redactionele werkformule op een A4tje geschreven en dat op de eerste dag aan Knap overhandigd: ,,Zeg, eh, dinges, leg dit op de gang even onder het kopieerapparaat
van de buren - dat verreken ik later wel met ze. En dan ronddelen: op alle bureaus een exemplaar.”
Lücker had een schriftelijke cursus journalistiek aangeschaft en de verkorte inleiding voor eigen gebruik samengevat. Knap betwijfelde of hij de lesboeken verder zelfs maar vluchtig had doorgenomen. Maar waarom ook? De hoofdredacteur had aan de wand van zijn kamer het ingelijste diploma hangen van een Amerikaanse universiteit waar hij afgestudeerd was in de Theory of Universal Masscommunications. Knap had ook een paar keer spam gehad van dezelfde St. Johns' University of Harlingen, waar ze in elke gewenste wetenschappelijke richting voor vijftig dollar een certificaat verkochten. De belangrijkste aanbeveling luidde dat de student er helemaal niets voor hoefde te weten of te kunnen, laat staan dat zoiets gecontroleerd werd. Het overmaken van het schoolgeld was het eindexamen. Zo werd een halve eeuw later de wetenschap alsnog gedemocratiseerd naar de normen van de jaren zestig. In de sombere buien, die Knap regelmatig overvielen, vond hij dat er eigenlijk maar weinig verschil was met de diploma's van de Hollandse journalistenmulo's.
Als Lücker al eens vergaderde, dan was het met Holdert, zijn financieel adviseur, die zonder omhaal doelgericht over de redactie stuiterde, richting hoofdredacteur en weerom. Hakkie, zoals Lücker hem noemde, was een nerveus, mager ventje met blond stekeltjeshaar dat over zijn montuurloze brilletje heen met diep dedain neerkeek op iedereen die echt moest werken. Hij had behoorlijke zeiloren. Het complete ensemble wekte slechts wantrouwen op bij Knap. Hij zou nog niet de besteding van een stuiver spaargeld aan dat onsympathieke sujet overlaten. Daar
had Lücker blijkbaar geen last van of hij had er geen zicht op.
De hoofdredacteur overlegde noodgedwongen elke dag kort met Knap, omdat die nu eenmaal de praktische leiding had. Meestal was het niet meer dan een terloops gesprekje over een belangrijk onderwerp bij de Hollandsche Nieuwe zoals het weerbericht, afgesloten met wat onnozele marsorders of een platte grap die hij in het café of op de Rotary club had gehoord, daar zat weinig verschil tussen. Knap kon hem bij die gelegenheid de smoezen overbrengen voor allerlei bizarre verhalen waar Lücker op zat te wachten maar die nooit geschreven werden. De meeste had hij elders gelezen en aanvankelijk had hij een paar keer gedreigd ze desnoods gewoon te laten overschrijven. ,,Jullie doen niet anders tegenwoordig.” Knap had hem er van overtuigd dat hij veel van zijn moeizaam verworven statuur van hoofdredacteur zou verliezen als hij daar op betrapt zou worden door de concurrent. Hij bedoelde dat een idee van Lücker meestal van die schoolkrantenrommel was die stonk naar: als ik het wil lezen, dan wil iedereen dat lezen.
Lücker beheerste zich op zo een moment slechts met moeite, maar Knap had hem gewaarschuwd dat als hij iets te ferm met de zweep over de redactie zou knallen, ze hem op het laatste moment de ramp met de half lege pagina's zouden bezorgen. Zo veel hadden zij van de journalistiek al wel begrepen. Zoiets hoefden ze maar één keer te doen, dan had elke hoofdredacteur in de gaten wie er werkelijk de baas was over zijn drukwerk. ,,Zoiets zouden zij mij zelfs flikken.”
,,Allemaal klootzakken!” De woorden lagen Lücker in de
mond bestorven als hij het had over zijn redacteuren en zijn lezers. Knap schatte dat dit vaak ook zijn laatste woorden waren voor hij in slaap viel. En dan betrok hij er ook nog de regering bij, waar hij gelijkluidende denkbeelden over koesterde, hoe de coalitie er ook uit mocht zien en waar hij ook op gestemd had.
Er mocht in de Hollandsche Nieuwe slechts onder uitzonderlijke omstandigheden aandacht worden besteed aan de politiek. Lücker had onder dat kopje liever kopij over een beschonken minister die tegen een onnozel hectometerpaaltje aan was gereden, met een deuk in de bumper van zijn privéauto tot gevolg, dan dat er werd uitgeweid over een dreigende kabinetscrisis, een conflict met Vlaanderen of het afscheid van Europa.
,,Nee, Knap, dat willen de mensen helemaal niet lezen. Een zatte minister, zo'n vent, die hangt! En terecht!”
Henri Knap had een voorlopig contract gekregen, net als de bureauredacteuren. Tenminste, dat beweerde Lücker, maar hij had Knap tijdens diens sollicitatiegesprek al zijn half netto maandloon onder de tafel aangeboden als ze het bij een mondelinge afspraak konden houden.
,,Zonder al die papieren rompslomp. Dat gelul met van die maandelijkse loonbrieven, dat wil jij helemaal niet. Ik zorg dat Hakkie Holdert dat voor jou regelt. Een man, een man, een woord, een woord. Pensioen? Niet gelezen in de krant? Daar kun je het beste zelf voor sparen. Dat heb ik ook gedaan. Dan weet je zeker dat je een mooie oude dag hebt.” Hij zei het alsof hij een gouden tip gaf.
Knap had geweigerd. Hij had geen flauw idee hoe hij zwart geld kon witwassen, zonder meteen bij de bakker tegen de lamp te lopen.
,,Ook goed,” reageerde Lücker alsof het hem om het even was. En hij maakte een aantekening.
Het legertje van tientallen thuiswerkers dat de Hollandsche Nieuwe overal verspreid in het land had zitten, werd ouderwets per regel betaald. Althans, als ze daarop aandrongen, want er waren er die het voor niets deden. Het hield ze van de straat, ze hadden er een fijne hobby aan en ze dachten dat een gratis krant, die op het platteland niet eens werd verspreid, net zo een goed doel moest zijn als het Rode Kruis of de Zonnebloem, daar zag je ook alleen iets van als ze met een quiz op de televisie waren. Op de redactie maakten ze er Nederlands van zonder opvallend veel fouten voor het genre.
Niet dat Lücker zijn hele bedrijfsvoering zo had bedacht om de linkse quasi democratie van de jaren zestig, waar hij al zijn maatschappelijk ongenoegen aan ophing, nog een trap na te geven. In zijn kringen durfden velen dat pas een halve eeuw later voorzichtig te doen. Zijn benepen beloningssysteem zonder vertegenwoordigend overleg was een van de moderne liberale kurken waar inmiddels een belangwekkend deel van de maatschappij op dreef. ,,Hard werken voor een schrale beloning en je kop houden, dat wil iedereen toch voor zijn eigen vrouw en zijn buurman?”
De boekhouding en andere administratieve klussen had Lücker uitbesteed aan een kantoor dat Holdert hem had geadviseerd en waar hij de naam niet van kon onthouden daar het iets met twee buitenlandse klinkende termen was en nog drie losse hoofdletters in het midden, het geheel aan elkaar geschreven. Het hoofdkantoor zat in Luxemburg, dat was ook Europa, dus dat was safe. De advertenties, niet bepaald een gestage stroom, kwamen
via een mediabureau binnen dat vanuit Liechtenstein de rekeningen verstuurde. Hij had een mannetje uit de stad dat op afroep over het computersysteem waakte. Die had dan weer een bank op Guernsey voor de nota's.
,,Allemaal geleerd van de koningin,” lachte Lücker. Hij had twee plekken gehuurd op een callcenter waar de telefonische oproepen voor de krant werden opgevangen en van een apaiserende smoes voorzien. Voor de rest knapte hij alles zelf op. Hij wenste niet eens een secretaresse. ,,Daar krijg je op den duur altijd meer gelazer mee dan dat je er pret van hebt. Vertel mij wat, ik versleet ze bijkans per dozijn. Als die meiden een beetje ingewerkt zijn, knopen ze hun jurk dicht tot aan hun kin.”
Knap had in de loop der jaren zijn deel van de merkwaardigste collega's gehad. Maar een hoofdredacteur van het type Lücker had daar bij benadering nooit tussen gezeten. Lücker was dan ook niet gekozen of door het hoogste echelon benoemd, hij had zich de functie toegeëigend, zoals hij tevens chef personeelszaken was, alleen daar deed hij dan weer een stuk minder pretentieus over.
Henri Knap moest toegeven dat Lückers opzet met al die amateurcorrespondenten in het land zo gek nog niet was. Zelfs de sjiekste echte kranten smeekten en soebatten dagelijks bij hun lezers om nieuwtjes voor op de website, om gekke dingetjes die ze gehoord hadden op straat of bij de buurtsuper, iets wat ze bij toeval hadden gezien of gefotografeerd, of kent u nog iemand die onlangs vermoord is? Als het echt wat voorstelde maakten ze er op de redactie min of meer stiekem ook nog een stukje van voor in de krant. Een lezer die het puzzeltje naast het
weerbericht goed oploste, kon een boekenbon van een tientje winnen, maar als hij prachtkopij leverde dan deed hij gratis zijn burgerplicht.
Aan selectie deden ze nauwelijks op die websites, want ze moesten permanent vol zijn. Altijd minstens een meter scrollen voor de afnemers. Iemand kon zijn voet verstuiken en langs elektronische weg wereldnieuws worden omdat hij er zo gek bij had gekeken toen hij van de overkant van de straat gefilmd werd. Filmpjes wilden ze graag. Prentjes ook, vooral van bekende Nederlanders die hand in hand waren gesnapt met een onbekende vrouw, blond graag. Als het achteraf de moeder van de bekende bleek, wreven ze ter redactie in hun handen, hadden ze een plaatje van het mens voor het in memoriam, als zij niet uitgenodigd werden aan haar doodsbed. Verder waren ze gek op alles met politie, brandweer, ambulance of traumahelikopter er in. Elk loos alarm kon een bericht met foto worden, als er maar een brandweerman radeloos bij had gekeken. Onder elk bericht stond het verzoek aan de lezers om een portie verse hersendrab: reageer!
Lückers correspondentenregime zou binnen een paar jaar gelden voor al het drukwerk van de resterende, noodlijdende kranten. Daar waren geen grote voorspellende gaven voor nodig, wist Knap. Aanvankelijk met van die verneukeratieve slijmheisa als: uw mening telt, wij willen weten wat u van ons wilt horen, alles naar wens of had u nog een puddinkje gewild, m'neer? Tegen die tijd zou de directie de laatste redacteuren dwingen om van hun drukwerk een handzaam bijproduct voor de website te maken. Als een lezer de opening van de krant aanklikte, kreeg hij een koekenpan cadeau of een geheel
verzorgde vakantie naar de brandhaard van de dag. Op die manier moest na verloop van tijd nog eens de helft van de verslaggevers eruit kunnen. En daarna moesten de aanklikkers, zoals de lezers dan waarschijnlijk zouden heten, betalen als ze hun stukje of hun plaatje gepubliceerd wilden zien. Win! Win!
Als voorschotje op die gouden tijden werden de journalistieke producties in de directionele plannen nu al content genoemd, inhoud, maar er werd gewoon vulling bedoeld of vullis eigenlijk, maar dat konden ze moeilijk opschrijven. Dan waren er alleen nog een paar goedkope klerken nodig om alles een beetje te fatsoeneren en de reacties te censureren, want die zouden nog steeds steevast afkomstig zijn van lui wier bovenkamer nauwelijks beter gestoffeerd was dan die van een baviaan in Artis. Daar kon je er beter niet te veel van hebben voor zolang als je jezelf een kwaliteitsmedium bleef noemen.
Zo gek was het niet dat Lücker voor de Hollandsche Nieuwe vertrouwde op zijn thuiswerkers, die meestal geen journalistieke wetten kenden en verder alle noodzakelijke bagage misten. Hij had een voorsprong te pakken.
,,Wat heeft die vakbond van jou daar, goddomme, op tegen? Hoofdredacteuren zijn ook redacteuren!” Lücker was op een dag telefonerend en druk gesticulerend de redactie op komen lopen. Het bleek dat een vakbondsbestuurder informeerde naar de ongewenste cumulatie van de functies van hoofdredacteur en directeur bij de nieuwe krant en dan ook nog al die zogenaamde correspondenten. ,,U kunt uw leden wat dat betreft feliciteren: ik ben er namelijk de enige eigenaar bij. Dan houdt ten minste iemand de centen nauwlettend in de gaten.”
Knap vermoedde dat Lücker op deze manier tevens zijn eigen werknemers probeerde te intimideren.
,,Een goedemiddag gewenst. En dat die leden van u de Hollandsche Nieuwe maar goed mogen lezen!” brulde Lücker er achteraan. ,,Dat zal ze nog van pas komen!”
Nadat hij hem had aangenomen als redactiechef, had Lücker een beetje peinzend tegen Knap gezegd: ,,Directeuren, mijnheer Knap, daar zijn er tienduizenden van in het land, managers helaas nog veel meer, maar hoofdredacteuren, dat is een dun gezaaid, exclusief soort.” Hij straalde, hij had het zo ver geschopt. Alsof hij van die titel alleen al vakbekwaam was geworden.
Henri Knap keek er niet van op. Bij zijn oude krant had hij de laatste jaren, net als in de hele krantenwereld, volop lui met donderend geraas omhoog horen vallen die dachten dat alle gevraagde kennis en kunde hun per benoeming vanzelf kwam aanwaaien. Vrouw Knap had schamper gelachen als hij ervan vertelde. Van sommigen van de collega's wist zij bijna even veel als van haar man. Lücker was naast zijn oorkonde blijven stilstaan, alsof hij verwachtte dat zijn chef redacteur er een kiekje van zou nemen voor in zijn plakboek.
Henri Knap waagde het niet hardop te zeggen, want dat zou hoe dan ook verkeerd uitpakken, maar een Lücker was nauwelijks een opvallende verschijning onder zijns gelijken. Intellectuele of politieke zwaargewichten waren in zijn functie een zeldzame verschijning geworden. Het leek alsof een correspondentschapje in de Verenigde Staten nog de beste opleiding voor hoofdredacteur was. Als je wist waar New York ongeveer lag, had je al een aanbeveling te pakken. Zulke lui werden na een tijdje terug naar huis
gehaald, als ze uit verveling al niet uit zichzelf waren teruggekropen, om leiding te geven aan een organisatie en een product waar ze jarenlang geen enkel zicht op hadden. Ze konden hun eigen huishouden al nauwelijks bij elkaar houden.
Ze profiteerden optimaal van hun naamsbekendheid. Want correspondenten in de VS waren contractueel verplicht om hun naam te zetten boven elke regel die ze overschreven uit de lokale media of meepikten van de plaatselijke radio en de nationale tv. Daar konden de lezers aan zien dat hun abonnementsgeld goed besteed was, dat het gerust wat mocht kosten om al dat papier van zo verre gevuld te krijgen. De correspondenten konden ook gewoon thuis in Purmerend blijven, een schotelantenne aanschaffen en een bijbehorend kastje met 600 kanalen. Namen ze internet erbij, waren ze net zulke thuiswerkers als hun collega's van de binnenland redactie. Maar als zoiets uitkwam, voelden de lezers zich bedot. Daarom pikten ze vaak de onnozelste berichten uit de onbetrouwbaarste kranten. Dat was wel zo geloofwaardig en zoveel gebeurde er zelfs in de VS niet, dat ze uit pure nood een paar keer per week wel naar de yellow papers moesten grijpen om zich in het vaderland waar te maken. Volop Amerikaanse akkefietjes, die geen aandacht hadden gegenereerd als ze hier gebeurd waren, promoveerden zo naar een belangwekkende plaats in de Nederlandse media omdat de correspondent er toevallig over gelezen had en nog veertig regels te vullen had gekregen. Het management was gek op hoofdredacteuren met zulke internationale antecedenten. Geschikter vond je ze nergens. Weinig binding ook, met de rest van zo een lastige redactie.
De hoogste krantenleiding was op vele plaatsen in handen geraakt van dikwijls beginnende jobhoppers die een krant eigenlijk maar onzin vonden, ,,niet meer van deze tijd,” zoals ze elkaar tijdens het happy hour over alles napapegaaiden, ,,de dode bomen industrie”, maar waar anders kon je om te beginnen terecht als je gespecialiseerd was in een van de vele kluchtige hbo-opleidingen met ergens communicatie in de naam?
Logisch, dat lui, die met moeite de journalistenmulo hadden afgemaakt en eigenlijk een hekel aan het vak hadden, zich tussen zulk volk wrongen. Langs een managementcursus, een seminar onder leiding van een sportpresentator die van z'n gezond niet wist, een cursus alledaags Engels en meer van zulk spul dat eerder bedoeld was als een leuke aftrekpost voor de belastingen dan om er bedrijfsmatig voordeel uit te peuren, beklommen ze de krantenladder. Ze hadden ook nog een middag over gloeiende kolen moeten lopen, maar dat konden ze maar beter geheim houden als ze elders in het bedrijfsleven nog eens hun slag wilden slaan.
Hoofdredacteuren beschouwden hun functie niet langer als een eindstation. Het was meer een vage fase in hun leven. Elke dag hun naam op de voorkant van de krant en eens per maand als coryfee in een middagprogramma op de televisie, dat waren de emolumenten op korte termijn. Het ging ze vooral om de naamsbekendheid als opstap naar een veel beter betaalde baan in de echte zakenwereld. Met bonussen! Minstens directeur corporate communications bij een multinational. Zo'n verandering werd altijd verkocht als een geweldige promotie, als erkenning en als beloning voor al die intellectuele arbeid die ze blijkbaar bij de krant
hadden verricht met al hun schitterende commentaren, hun aangrijpende reportages, de persconferenties van de Amerikaanse president, het weerbericht.
Of ze werden iets in de voorlichting nabij de regering. Met een beetje geluk werden ze dan nog eens staatssecretaris, als de premier een onbeduidende paljas tekort kwam voor het partijevenwicht in de coalitie.
Liefde voor het vak, voor hun krant of voor een politieke richting vonden zij die daarbij voorop hadden moeten lopen een ouderwetse, vreemde, zelfs gevaarlijke afwijking. Over zulke dingen was hun op de journalistenmulo in het geheel niets geleerd, noch op hun postdoctorale cursussen, laat staan dat ze er tijdens hun correspondentschap over hadden vernomen. Liefst praatten ze deftig na, schreven ze vluchtig over en dan snelden ze naar hun postvakje, benieuwd of er vandaag al een nieuwe uitdaging bij zat. Een hoofdredacteur sprak in gezelschap liefst deftig van 'mijn krant'. Wel vaak al met een blos op de wangen.
De hoofdredacteuren hadden ook steeds vaker een stoet adjuncten onder zich, alsof ze geen krant waren maar een fokvereniging. Eerste garnituur meelopers, die tevreden moesten worden gehouden met een apart titeltje. Ze hadden minder cursussen mogen volgen maar ze bleken net zo vluchtig als de hoofdredacteur voor zijn hele krant, gespecialiseerd in hun eigen zaterdagse bijlage, welk formaat die deze week mocht hebben of volgende maand weer zou hebben en of die nu over de cultuur ging, de wetenschap of de nieuwste hebbedingetjes, als zij er in godsvredesnaam maar adjunct-hoofdredacteur bij werden genoemd.
Op zaterdag speelde Knap met zijn echte krant in de
hand I.F. Stone zaliger nagedachtenis. Dan scheurde hij om te beginnen alle pagina’s eruit die hij toch niet van plan was te lezen. Hield hij een overzichtelijk setje over. En dan begon hij eerst maar eens aan het cryptogram in de bijlage O&W, ophoepelen en wegwezen.
Knap rilde nog bij de gedachte aan de vakantierubriek van driekwart kolom die hij ooit bij zijn oude krant een paar maanden erbij had moeten doen als vervanger van een collega die 's avonds laat met zijn dronken hersens was gestruikeld over een auto. De versie van de betrokken chauffeur luidde op onderdelen anders. Knap had per week drie uur de tijd voor het overschrijven van wat reisfolders. Zijn geblesseerde collega had er een volledige dagtaak aan gehad. ,,Dat doe jij er moeiteloos bij,” had zijn hoofdredacteur gezegd alsof zijn geblesseerde collega altijd al met een geestelijk defect had rondgelopen.
,,Er hebben zeker al die tijd geen uitnodigingen bij de post gezeten voor tweepersoons persreisjes naar warme bestemmingen,” constateerde vrouw Knap tot slot.
In de nieuwe eeuw was dat rubriekje een aparte zaterdagse bijlage van minimaal vijf pagina's geworden met een eigen adjunct-hoofdredacteur en met een pretentieuze cover waar in elegante letters 'reizen' op stond, dwars over elke week een andere mooie ansichtkaart heen. Reizen, met een kleine letter, want dat stond exclusiever dan vakantie of toerisme. Dat was eens per jaar de bouwvak in de tent in Frankrijk of met de caravan naar Duitsland. Echt reizen dat deed de doelgroep het hele jaar door, in het weekeinde. Voor hun was het net zo een onderwerp geworden als de inrichting van het huis of alles over koken, zeg maar al die onbereikbare
verworvenheden waar vroeger de maandbladen op het salontafeltje thuis over schreven. Toch kregen de lezers de wereld in de bijlage aangeleverd alsof ze nog nooit gewaagd hadden het vaderland op eigen houtje te verlaten en al helemaal geen kaas hadden gegeten van geografie. De bijlage betaalde zichzelf want bij reizen hoorden volop advertenties, schreeuwerige last minute-aanbiedingen tot de kleinste annonces voor de wildkampeerders, andere natuurliefhebbers en naturisten aan toe. En dan van alle soorten nog apart de terreur van de singles.
'reizen' werd elke week gevuld met ruim geïllustreerde reportages, liefst over tamelijk bar ogende omzwervingen maar steeds in dure modieuze seizoenskleding, behalve de singles, die wilden onder alle omstandigheden de snel afritsbare broekspijpen.
Alleen, over één ding werd niet geschreven, wist Knap allang: slecht weer! Daar bestond een stilzwijgende afspraak over onder de specialisten en de reisbureaus. Als het tijdens zo'n gratis geheel verzorgde persreis steeds regende, zou de touroperator maar met de gebakken peren zitten. Liever stelden de verslaggevers hun volgende gratis reis veilig door er tegen de regen en kou iets extra gevaarlijks doorheen te gooien: wilde beren die in de buurt waren gesignaleerd of witte haaien heel erg in de verte. Nooit iets over buikloop of tropische ziekten, dat moest de bijlage wetenschap maar opvangen.
,,Voor de journalistieke geloofwaardigheid moet er onderhand toch eens een zo'n verslaggever onderweg het loodje leggen,” knarste vrouw Knap.
Twee keer per jaar luidde de coverstory 'In de voetsporen van James Joyce'. De VVV van Dublin stond
bij alle Europese toeristische rubrieken zeer hoog aangeschreven. Die daar waren uitzonderlijk scheutig met vliegtickets, hotelvouchers en consumptiebonnen, geldig in alle pubs van de stad. En hoorde een bondige samenvatting van Ulysses bij want als ze die eerst helemaal hadden moeten lezen, kregen ze geen man over de vloer. Ook Warschau gooide hoge ogen voor herhaalde bezoeken. De meiden van het toeristenbureau daar deden alles voor een positief artikeltje. Alles? Alles, wisten ze in de branche.
Meest gelezen rubriek van de bijlage was uiteraard het weekeindje weg. Aanvankelijk was dat een sloom columnpje geweest van een schrijfster die nooit bezuiden Maastricht was geraakt, over plaatsen waar zij van had gehoord en graag een keer heen wilde. Maar dat kon er niet vanaf. Zij moest het gewoon opzoeken in de folders en de encyclopedie. Bij gelegenheid van de laatste formaatwijziging was dat op verzoek van de reisbranche een hele pagina geworden. De schrijfster was vervangen door een modieuze man. Die ging dan met zijn man naar Barcelona voor de tapa's bij Alfredo di Stefano op de Ramblas. En anders naar een opvoering in de opera van Verona; met de zangeressen scheen het behelpen maar ze hadden er echte olifanten. Stond er een foto bij, drie keer zo groot als de ronkende tekst, bleek alleen dat die van de illustratieredactie vergeten waren dat Pavarotti allang dood was: ,,Hebben wij dat dan in de krant gehad?”
Bij een volgende restyling stond het weekeindje weg op de nominatie voor een eigen bijlage.
Knap zuchtte diep, de media kregen steeds vaker een hekel aan journalistiek. Ook de televisie, waar ze de achterstand op de echte journalistiek al nooit meer hadden
kunnen inhalen, had het onderdeel toerisme omhelsd als een extra podium voor voor hun bekende Nederlanders en voor hun sluikreclames. Ze konden het daar niet 'reizen' noemen, die doelgroep was te klein en zat waarschijnlijk elders naar verantwoorde praatprogramma's en documentaires te kijken. Bij hun volkje was kamperen in een gehuurde tent of caravan altijd raak en alles met all-in vakanties in Spanje of Turkije. De adverteerders, sponsors en andere bedrijven die in de aftiteling werden bedankt, bepaalden waar hun kijkers dit jaar heen moesten, hoe ze er kwamen, wat ze er aan moesten trekken en wat ze er van vonden. ,,Staat er zo een blond presentatiegansje,” vatte Knap zijn afkeer samen, ,,dat zelf naar de krant belt als zij nieuw liefdesgeluk vermoedt omdat er een slagersjongen naar haar heeft gefloten, ergens op een vage berg te kwetteren alsof ze de Bos Atlas op een kardinale fout heeft betrapt: ,,Veel mensen weten niet dat Tirol zich tot in Italië uitstrekt'.” En dan was het waarschijnlijk nog waar ook.
Hij haalde zijn neus eens op: zo'n schande was het niet om onder een specimen als Lücker te moeten werken. Het was tenminste nog een krant en de aftakeling ging net zo hard voor andere beroepen op: advocaten, notarissen, accountants, pastoors. Het waren ooit achtenswaardige functionarissen geweest met gedurende vele generaties patriciërsfamilies als hofleveranciers. Tegenwoordig figureerden hun nazaten steeds vaker met slechts hun initialen in onthullende berichten. Pastoors waren er vrijwel niet meer. Maar ook de laatsten dier Mohikanen lieten de kans op een publicitair aantrekkelijk zedenschandaaltje niet gauw aan zich voorbij gaan.
Lücker had op de dag dat hij hem had aangenomen al quasi terloops bij Henri Knap geïnformeerd of die wist of hij zich moest aanmelden bij de organisatie van hoofdredacteuren. Want dat was de bekroning op de aanschaf van een dagblad. Volop aanzien op de Lions Club, waar ze allemaal dachten dat hij nu op voet van jij en jou was met de hele regering. ,,Joop, hoe flik je hem dat toch?” Ze dachten dat hij zijn krant elke dag ook nog tot op de onderste regel zelf vol schreef.
Lücker had Knap bedachtzaam aangekeken: ,,Of zouden ze mij vanzelf op het spoor komen? Hoofdredacteuren waren vroeger in principe ook journalisten, nietwaar? Of dat jij ze anders een tip geeft? Dat ze achter mij aan komen.”
,,Volgens mij kun je beter op een golfclub gaan.”
,,Sodemieter op. Dat is nordic walking voor mensen met veel geld en weinig interesses.” Lücker dacht dan nog liever een zeiljacht te leasen waar alle hem bekende populaire Nederlanders op af zouden komen als muggen op mensenbloed.
,,Ah, de Prince de Lignac II,” had Knap gegrinnikt.
,,Nee. Bij mij komt er geen enkele Thaise jongen aan boord.” Lücker keek opgewekt bij het vooruitzicht. ,,Wel volop Thaise meiden natuurlijk. Zul jij eens zien wat voor nieuws daar uit komt met al dat televisievolk elke dag bij mij aan boord. Eens in de maand een menselijke reportage op de buis over mijn gouden kranen in alle kajuiten.”
Knap kon hem niet helpen. Hij had geen idee hoe het genootschap van hoofdredacteuren, alleen zo een naam voor ijdeltuiten al, aan zijn leden kwam, of er geballoteerd werd of dat iemand er vanzelf bij hoorde als zij alleen maar
het kwartaalbericht van een naturistenfederatie samenstelde en thuis in de kelder stencilde, om de vijf pagina's haar hele buik weer onder die verdomde inktspatten. Zoiets zal het zijn, dacht Knap. Bij een in principe intellectueel beroep kun je geen eisen stellen over de oplage of de doelgroep. Hoofdredacteur is hoofdredacteur.
Hij had in zijn rol van verslaggever de soort een keer vergaderend bij elkaar gezien. Een ontluisterende ervaring. Voortreffelijke consumpties maar inhoudelijk nauwelijks een schoolreisje. Eens per jaar dineerden de hoofdredacteuren van hun lidmaatschapsgeld dat de krant betaalde in een gelegenheid die de penningmeester had opgezocht in de nieuwe Michelin gids. Eerst een half uurtje hamerstukken er doorheen jassen en dan hield de voorzitter een toespraak die deftig zijn jaarrede werd genoemd, maar die alleen in zijn eigen krant en dan nog zo kort mogelijk ergens achterin werd samengevat, strafwerk voor een stagiair, die op de redactie had moeten blijven en een kopietje had gekregen. Het gehoor knapte ondertussen een uiltje in afwachting van het warm eten en het uitdelen der vrijkaartjes voor het traditionele bordeelbezoek.
Om het ergens op te laten lijken, voegden de hoofdredacteuren zich als club en als soort hartstochtelijk in elke onbekookte woedeaanval die de journalistenvakbond beving als ze daar lucht hadden gekregen van de ruwe behandeling die een vakgenoot ergens ver weg had ondergaan: de vijanden van het vrije woord hadden wederom genadeloos toegeslagen. Hoofdredacteuren waren zelden de pineut, die kwamen ook daar hun kamer nauwelijks uit.
,,Weer moordaanslag op journalist,” werd er groot op de voorpagina's gezet, en daar kon sinds een paar jaar al zo weinig op. ,,Hoofdredacteuren eisen garanties en ingrijpen van VN.” Het maakte niet uit of het slachtoffer zijn eigen naam foutloos kon schrijven, of hij ooit bevallen was van een berichtje, of hij desnoods als vrijwilliger een bonafide buurtkrant had rondgebracht, of dat het achteraf een vrouw met een hoofddoekje bleek te zijn met een heel behoorlijke lokale kookrubriek. Nee, dacht Knap, de reisbijlage zal 't daar niet zijn geweest. In de westerse optiek garandeerde een desnoods zelf gefabriceerde perskaart de houder een universele, van god gegeven vrijheid van handelen. Elke beperking werd een directe aanslag op de grondwaarden van de vrijheid genoemd.
Knap had niet tegengesputterd, want dan werd hij een beroepsverrader genoemd. Terwijl uit het feitenrelaas van een persbureau, dat het bericht ook weer van een internetsite had opgepikt, bleek dat er ergens in een vuile oorlog waar wij nog niet van hadden gehoord, geschoten was op een niet nader genoemd dorp, waar de onderwijzer van de lokale lagere school zonder naam, tevens plaatselijk correspondent van een niet genoemd dag-, week- of maandblad, juist zat te lunchen, en dat wisten ze dan weer wel: er stond dunne groentesoep met schapenballen op het menu. Zulke details, daaraan herkende men de betrouwbare berichtgeving over de aller-achterlijkste streken. Hij had het overleefd, maar slechts op het nippertje. Vreemd dat hij de gelegenheid niet te baat had genomen om er zelf een behoorlijk bericht voor de rest van de wereld van te maken. Knap begreep het wel: ,,De schrik zal er nog in gezeten hebben.”
Nooit eerder dan in de nieuwe eeuw waren zoveel totaal onbekende, zelfs niet eens voor het paspoort gefotografeerde gemaltraiteerde en dode journalisten opgevoerd als de helden van het vrije woord op de kleurrijke totempaal van de risicoloze Hollandse journalistiek: ,,Bel de minister van buitenlandse zaken!” Die was immers vaste klant van de tweede alinea: de minister ging de ambassadeur op het matje roepen. Alleen ambassadeurs werden nog op het matje geroepen, in alle andere gevallen kregen mensen gewoon op hun falie, donder of lazer. Dat werd nog eens onderstreept met een communiqué waar de hele journalistiek uit afleidde dat elk moment de oorlog kon uitbreken. De voorpagina werd al opengebroken. Maar dan bleek deze soep toch niet zo heet gegeten te worden, liet de minister weten. Soms riep hij onze eigen ambassadeur terug. ,,Ook erg daadkrachtig,” knorde Knap bij zo’n bericht. ,,Maar als die dan twee dagen later weer op zijn plaats is gaan zitten, valt dat nergens te lezen. Er had ook net zo goed kunnen staan: 'Wederom Afghaanse kruidenier beschoten'. Want de uitbater van de lokale super behoort veel vaker tot de slachtoffers van een onbekookte fundamentalistische of terroristische aanval. En van hun overlijden hebben ze pas echt last op zijn dorp. Maar de middenstanders zijn nu eenmaal niet zo goed georganiseerd als de journalisten, zeker niet internationaal.”
Journalisten richtten meteen een internationale belangenclub zodra er een paar een gezamenlijke interesse hadden ontdekt. Zo was de Japanse koikarper ook aan zijn overmatige publiciteit geraakt. De bonsai was ze voorgegaan. Ook hielden ze in vrijwel elke sport onder
elkaar wielerkampioenschappen en zo. Voor straf meestal gewonnen door een freelancer van een regionaal nieuwsblad, die elke veertien dagen het stukje over het eerste elftal van zijn eigen voetbalclub schreef waar hij zelf op doel stond. Maar hij kwam altijd op de fiets.
De hele soort werd echter één donderende, kolossale, verongelijkte juichkreet als per incident, met wat voor aanleiding of afloop dan ook, een verband kon worden gelegd met de Russische overheid: kopij te over. ,,Alsof ze de stop van het bad niet kunnen vinden,” bromde Knap.
De Nederlandse regering werd, ongeacht de samenstelling, steevast beschouwd als een samenzwering van handelingsonbekwame provinciale knoeiers. De Russische regering was echter per definitie alleen maar de grootste maffia. ,,Als Napoleon had gewonnen bij Moskou, was ons deze misdaadgolf bespaard gebleven,” stelde vrouw Knap vast. Haar man had het steeds lastiger met zulke opmerkingen want zij had al net zo vaak gelijk als Lücker met zijn opvattingen over de journalistiek.
Het van de communisten verloste Kremlin herbergde, blijkens de berichten van de correspondenten, een verbijsterende coalitie van canaille, antidemocraten, dieven, fraudeurs, moordenaars, alcoholisten, hoerenlopers, oliemiljardairs en eigenaren van buitenlandse voetbalclubs, plus hun vrouwen, vriendinnen, maîtresse en andere prostituees. Die daar hadden het vanzelf gedaan als er weer zo een zogenaamde kritische Russische journalist ergens dood was gevonden.
Echte kritische journalisten, die waren hier te lande al nauwelijks met een kaarsje te vinden, laat staan in nota bene de voormalige Unie van Sovjetrepublieken. En toch,
per moord hadden ze er weer een die vanzelf tot held van het vrije westen werd gepromoveerd. Hoewel de slachtoffers zulke invoelende aandacht beter hadden kunnen gebruiken toen zij nog in leven waren en het elke dag zo vreselijk lastig hadden als achteraf beschreven werd. Niemand die zich toen zelfs maar had afgevraagd hoe die lawine aan kritische artikelen kon blijven verschijnen bij zo een overmacht aan regerend, gespecificeerd tuig dat voor geen enkele vorm van geweld en machtsmisbruik terugdeinsde.
De westerse, vrijheidslievende correspondenten hadden ook geen fysieke verdedigingslinie gevormd rondom al die kritische lokale journalisten die zij achteraf zo goed gekend hadden en van wie de meesten nog hun opleiding hadden genoten bij de Pravda. Er werden geen verhalen over of met al die anonieme dissidenten gemaakt om ze zo in elk geval de internationale bekendheid te gunnen als schild tegen gevreesde aanslagen. In de ijzige winterkou, met hun bontmuts op, bewezen de correspondenten achteraf hun verontwaardigde lippendienst in een standupper op het Rode Plein. Dat de kijkers thuis maar niet dachten dat zij daar klappertandend voor hun lol stonden.
De gemiddelde, derwaarts gezonden Hollandse overschrijver dacht intens tevreden dat hij zichzelf met zo een voorspelbaar bericht over een vage moord bewezen had als onvervaard strijder voor de persvrijheid. En als de autoriteiten volgens hem de verkeerde dader oppakten, dan konden ze het nog een keer op hun boterham krijgen.
Over een paar jaar, als de Amerikaanse betrokkenheid bij zulke pregnante incidenten uit een CIA-rapport zou blijken, zaten de correspondenten van toen allang tevreden achter
de Hollandse geraniums met in de keuken, doende met de afwas, hun snel verwelkende, ooit blonde Russische schommelkont, genaamd Natalie van het Rode Plein. Want hoofdredacteur werden ze zelden als ze in Moskou hadden gezeten – daarvoor moest je in Washington zijn. Maar ze keken nog net zo tevreden als al hun collega's die ook de petities getekend hadden die hun vakbond ontwierp, met een gezicht alsof ze met die ene pennenstreek hun leven in de waagschaal hadden gesteld en waarvan niemand wist wat er ooit mee gebeurde. Knap wist al wat hij er boven zou zetten als hij dat bericht over de CIA-intriges te verwerken zou krijgen: 'Kritische beroepsgroep wéér bij neus genomen'. Past!
Knap haalde zijn schouders eens op terwijl hij een concurrerend gratis ochtendblad vluchtig bekeek, al die journalistiek hulpbehoevende buitenlandspecialisten, zo uitzonderlijk waren ze ook weer niet in de branche. Als het vak zo nodig naar de vaantjes moest worden geholpen, deden ze op alle redacties hun best. Binnen de eigen landsgrenzen raakte het journaille op het punt van de zelfhulp en kameradenhulp per voorspelbaar incident al net zo makkelijk opgewonden en volslagen van het padje af als wanneer ze te Moskou waren gestationeerd.
De sensaties waar zij vanuit de polders over berichtten bleken vaak ook een zelfbedacht, zelf ingekleurd, zelf verspreid en vooral een zelf overdreven gevaar te vormen voor de gehele mensheid. De opwinding moest ergens vandaan worden gehaald, anders konden ze de tent net zo goed sluiten. De bekendste en dus grootste binnenlandse politieke deskundige van het hele spul had als deelnemer aan een televisiequiz de boel nog eens tamelijk
meelijwekkend besodemieterd om de geschiedenis in te kunnen gaan als de grootste nieuwskenner. Merkwaardig genoeg had dat voor zijn journalistieke geloofwaardigheid geen enkele consequentie. Helemaal niet onder collega's. In Amerika, een land waar elke ambitieuze Hollandse journalist graag naar verlangt wegens de daar gehanteerde hoogste en strengste journalistieke normen, werd zoiets een doodzonde genoemd met ontslag tot gevolg plus een miljoenenboete en scheiding van vrouw en kinderen, waar later nog een dramatische speelfilm over gemaakt zou worden waar natuurlijk een Oscar mee gewonnen werd want de beroemdste acteurs wilden graag voor journalist spelen. In de polder werd zulke fraude afgedaan als een stupide incidentje van niks van een of andere verbouwde voorlichter. Hij bleef de grote deskundige die in talkshows op de tv kwam vertellen welke politici niet deugden vanwege nog veel kinderachtiger incidenten. Ze hingen aan zijn lippen, de kritische presentatoren en collega's. De politici bleven hun geheime stukken ook gewoon naar hem lekken.
Op dezelfde manier maar op andere terreinen hadden zelfs de meest marginale inktcowboys en televisiescharrelaars de blinkende maarschalkstaf door collega's van concurrerende media in hun ransel geduwd gekregen, als zij 'm er al niet zelf in hadden gestoken. Het was dertig jaar eerder onvoorstelbaar dat zoiets gebeurde. Hun specialisme was belangrijker geworden dan hun medium en hun vak. Helemaal wanneer zij zich de stuntjournalistiek eigen hadden gemaakt waar elke fatsoenlijke vakman uit de generatie van toen zich dood voor zou hebben geschaamd.
Ook bij de Hollandsche Nieuwe had Knap al een stapel van zulke ongevraagde bijdragen opgestuurd gekregen, en ze weer als een zwerm bromvliegen, met een knorrig briefje teruggestuurd. Toch toog er elke maand weer zo een relkuifje, bovenkamer tegen elk aannemelijk bod ongemeubileerd te huur, met de nepbom uit het Hilversumse rekwisietenmagazijn onder zijn arm en een cameraploeg op zijn staart naar Schiphol voor de ontluisterende primeur. Televisiezenders vochten om zijn handelswaar: 'Majesteit ontsnapt aan moordcomplot', vatte hij zijn bevindingen graag samen. Dat haalde alle journaals. Bleek dat het stuk ongeluk in een hutkoffer langs de douane was gesmokkeld en de weg had gevonden naar de catering. Hij had de hele koninklijke familie, als die morgen hier vandaan had zullen vertrekken en al niet met skivakantie naar Lech was geweest, kunnen vergiftigen met een portie arsenicum, dat hij toevallig niet bij zich had, maar nog wel het doosje lucifers dat even tevoren zo voortreffelijk dienst had gedaan als de kilo semtex. Vroeger noemden ze een dergelijk tv-programma 'Poets!', tegenwoordig werden het undercoveroperaties genoemd. Al op de voorhand schreven de kranten lovend over zulke doldwaze avonturen.
,,Moet dat nou alweer?” schamperde Knap dan.
,,Wij vinden als goede vaderlanders elke poging om de koningin te vermoorden groot nieuws,” had zijn voormalige hoofdredacteur verontwaardigd gereageerd. ,,Het interesseert mij persoonlijk geen reet maar die lezers van jou en mij raken er van boven hun theewater.” Hij had met het relkuifje op de journalistenmulo in de klas gezeten. Ze hadden dezelfde feesten bezocht en met dezelfde meiden
gevreeën. Dat verleden schiep een band die ver voorbij de persvrijheid en de journalistieke onafhankelijkheid ging.
De arme baas van de luchthaven moest telkens na zo een uitzending voor de televisiejournaals komen doen alsof hij wederom zeer geholpen was met de praktische tips van deze hooggewaardeerde luis in de pels. Hij kon moeilijk zeggen dat hij al die persmuskieten liefst gewapenderhand de toegang tot zijn terreinen had ontzegd, ook als zij daar half juli met hun ordinaire vriendinnen verschenen als vakantiegangers op weg naar het bij tureluurse leeghoofden in de mode geraakte Chersonissos.
Een enkele keer werd zo een journalistieke knoeier en flagrant délit toch nog gesnapt door een bewaker, want de soort mocht dan al tien keer hebben bewezen dat ze overal binnen konden komen, heel Schiphol konden opblazen, de leden van de Tweede Kamer ontvoeren en het werkpaleis van de koningin kraken, ondertussen bleven er ook 's nachts potige en alerte bewakers in de weg lopen op die verdomde luchthaven. Op zo een wanhopig moment voor de moderne journalistiek trad Catch 22 in werking. Als de gewaande verslaggever met zijn door handlangers gejatte personeelskaart en twee lege rolletjes toiletpapier met daarop in hanenpoten 'dynamiet' gekladderd, werd gesnapt door een veiligheidsgorilla, dan heette dat een gewelddadige aanval op de persvrijheid. Hij was bijkans gewurgd en doodgeknuppeld, klaagde hij. Eerst maar eens naar de politie om aangifte te doen, dan naar het hospitaal en dan zat het werk er voor vandaag weer op. Bloemen kopen en maar eens zien of het vrouwtje de deur alweer van het slot wilde doen.
Bij de vakbond hadden ze dan de grote trom al
tevoorschijn gehaald. Werd de voorzitter van de club van hoofdredacteuren wakker geschud: m'neer, m'neer, weer een schandaal. Altijd prijs in de journalistieke ballentent.
Knap schudde mistroostig en vol schaamte het hoofd als hij het slagveld van zijn werkzame leven overzag. Zijn vak heette lang geleden een roeping. Met als bekroning taart, want vader wordt toch nog hoofdredacteur!
Tegenwoordig zaten op zulke belangrijke posten de ambitieuze uitvoerders van de rampzaligste bezuinigingsoperaties, want dat was het maken van een krant in de eerste plaats geworden: ontslaan, bezuinigen, wegwerken en met een dunne smoes de vacatures niet opvullen. En dan alleen nog even gauw de oplagecijfers opleuken. Die oplichterij was nog het makkelijkste aan het vak want alle kranten deden daar aan mee. Zo een unieke dwaas was Lücker ook weer niet met dat nepdiploma van 'm aan de muur.
Ontslaan gaat zelden zonder bloedvergieten, zeiden de hoofdredacteuren elkaar diep bezorgd na als er op hun redactie weer een stuk of tien uit moesten en ze de verwijten naar hun hoofd geslingerd kregen dat ze altijd begonnen met het opruimen van hun persoonlijke vijanden: twee problemen in één keer opgelost. Ondertussen schreef de inktkoelie die de hoofdredactionele maaimachine had weten te ontwijken als wederdienst een groot beschuldigend artikel over een of ander bedrijf waar de niet deugende directeur iedereen eruit had gegooid die vree met de mooie kantinemeid waar de baas zijn oog op had laten vallen.
Vanaf die rokende puinhopen had voorlopig niemand de durf om een verband te leggen tussen het
hoofdredactionele beleid en het kale feit dat er elk jaar tienduizend abonnees wegliepen. Een hoofdredacteur, die daar lucht van kreeg en ook nog wat van de marketing begreep, zou dan trouwens allang opdracht hebben gegeven om dagelijks tienduizend kranten extra te laten uitdelen door werkstudenten op de stoepen van de supermarkten. Er waren inmiddels een paar mensen bij Knap in de straat die er prat op gingen, ,,jij bent toch journalist, niet?”, dat ze al jaren niet meer betaald hadden voor hun krant. Die waren eeuwig gratis proefabonnee. Ze beklaagden hun buren die het studententarief moesten betalen tot ze met pensioen gingen en daarna op vertoon van hun bejaardenpas dezelfde korting konden genieten.
Overmoedige hoofdredacteuren fabriceerden op die manier jaarlijks weer een licht stijgende oplage. Dan werden ze bejubeld door het bestuur en kregen ze een bonus van de directie. Ze mochten er graag zelf enthousiast over berichten, want de waarheid zoeken over zoiets, dat deed je maar elders. Bovendien wisten ze dat niemand hun bedrog aan de schandpaal waagde te nagelen. 's Avonds laat wreven ze thuis eens stevig in hun kruis en dan voelden ze aan hun water dat ze onderhand toe waren aan een nieuwe uitdaging.
Henri Knap keek betrapt op, maar niemand bij hem in de buurt op de redactie van de Hollandsche Nieuwe Courant kon er een vermoeden van hebben waar zijn gedachten zich het afgelopen kwartier hadden verpoosd. Hij profiteerde meteen van zijn bui: alleen blonde vrouwen ontliepen opvallend vaak het vernietigende werk van de hoofdredactionele kaasschaaf. Dat kwam goed uit als er iemand klaagde dat er nog zo weinig vrouwen in het vak
zaten. De hoofdredacteur vond dat hij aantoonbaar zijn best deed. Als zo'n blondje na verloop van tijd wegens de gegarandeerd opspelende relationele crisis niet meer dagelijks bij hem in de buurt te handhaven was, dan zond hij haar desnoods naar Zuid-Afrika voor een correspondentschapje. Gooide hij de vaste medewerker voor al het binnenlandse nieuws van onder de grote rivieren er uit. Daar zaten te weinig abonnees en daar gebeurde toch nooit iets van belang. Speelde hij weer quitte.
Hoofdredacteuren. Als ze het niet meer wisten en de nieuwe uitdaging liet maar op zich wachten, dan bemoeiden ze zich ineens met hun website. Daar lagen beste bonuskansen want daar hadden ze in de directie helemaal geen verstand van, die kon je alles wijsmaken. De krant mocht na de reeks grote zeperds op de elektronische snelweg, de revolutie van de sociale media niet ook nog eens missen, stelden zij alleen op luide toon vast.
Voorlopig konden ze er uit de voeten, leunend op een vers aangeboorde achterban van revanchisten, racisten en fascisten met hun reacties die van taal- en stijlfouten aan elkaar hingen, hun verlangen naar een sterke man, hun afkeer van de democratie, van buitenlanders, van de stad, van links maar ook van boeren, en eigenlijk van iedereen met een soort schoolopleiding, aangevuld met hun voorspelbare antwoorden op de dagelijkse onnozele enquêtes die de zogenaamde webredactie aanreikte, en verder hadden ze toch niets beters te doen want ze lazen geen krant.
Waar de redactie in de echte krant per ingezonden brief, waar ze er elke dag een stuk of vijf fel ingekort van
publiceerden, inclusief alle scherpe afwegingen die hoorden bij een journalistiek hoogwaardig product, waar ze de taalfouten er uit haalden indien ze hadden besloten tot plaatsing en waar ze mallotige scheldpartijen al helemaal de toegang ontzegden tot hun kolommen, daar profiteerde het smerigste grauw, het domste gespuis en liefst erger van de gratis websites waar de kranten hun hoop voor een profijtelijke toekomst op hadden gevestigd.
Al die toevallige passanten op de elektronische snelweg die ook nog de Holocaust ontkenden als ze daar zin in hadden, alle Marokkanen naar huis schopten en voor elke Antilliaan alleen een banaan over hadden, die zouden op korte termijn langs deze nieuwe weg worden binnengehaald als respectabele, betalende lezers met een open blik op de rest van de wereld, objectief en onafhankelijk in hun weloverwogen oordeel, waarna alsnog het grote, rijke overleven der dagbladconcerns zou beginnen, gevolgd door de wereldwijde zegetocht van deze vorm van democratie. En een lintje voor de heer hoofdredacteur, tenminste, als hij met zijn dronken hersens niet achter het stuur was betrapt, want dan mocht je nog zo'n goede hoofdredacteur zijn geweest, dan kon je fluiten naar een koninklijke onderscheiding.
Met een beetje handig geschreven businessprogramma kwam er altijd geld los voor iets met internet. De managers op het hoofdkantoor waren er alleen fel op tegen om dat bedrag te investeren in zoiets vaags en onbegrijpelijks als journalistieke kwaliteit.
Knap was er van overtuigd dat internet het gedrukte woord niet zou marginaliseren, zoals iedereen bij de kranten elkaar sinds jaren nariep en daar beleid op
bouwde. ,,Het is veel erger,” had hij met regelmaat beweerd, ,,de verantwoorde journalistiek staat op het elektronische schavot met de strop om de nek. Wachtend tot iemand het stoeltje wegschopt.”
Echte journalisten werden in rap tempo van de nieuwe media af gejaagd en vervangen door de moderne welingelichte kringen van internet. Sensatiezoekers, querulanten, pesterige pubers, fanatieke lobbyisten en een ongelooflijke hoeveelheid misdadigers, klaplopers, Nigeriaanse spam-koningen en ander tuig uit de seksindustrie.
Knap stond het vloeken nader dan het grommen: ,,Dan heb ik het niet eens over de zulthoofden die wekelijks met behulp van hun politieke barometers dwingend richting proberen te geven aan het sentiment in het land, in de politiek en in hun eigen leven. Elke malloot kan handelen in lauwe lucht als de georganiseerde tegenspraak van de pluriforme kranten niet meer bestaat. Zo ver is het. En wij moeten geloven dat daar geen plan, doel of complot achter zit?” Alsof hij een menigte toesprak die het vanzelf met hem eens werd.
Achter hem werd slechts fluisterend af en toe een schouderpartij opgehaald over iets heel anders.
Toen Knap zijn vorige hoofdredacteur niet eens in zulke pregnante bewoordingen voor die toekomst had gewaarschuwd, had die hem panisch aangekeken. ,,Dat wil ik op deze krant nooit meer horen!” Alsof Knap met een handgranaat gereed stond. ,,Als dat bij de directie doordringt, krijg ik helemaal geen cent meer voor mijn plannen.”
Mijn plannen? Hij zei het zo arrogant mogelijk, want hij
was nog nooit van zelfs maar een klein plannetje - geringer bestaan ze niet, bevallen. Als anderen een project hadden bedacht dat hij begreep en dat de hoofddirectie mogelijk beviel, dan kraste hij alleen de naam van de bedenkers door en verving die door die van hemzelf. Toen Knap dat een keer plagiaat en diefstal had genoemd, had de hoofdredacteur hem vol onbegrip aangekeken: ,,Nu is jouw plan, het plan van de hoofdredactie geworden. Dat wilde je toch, stel ik mij zo voor. Nou, wat zeur je dan?”
Bij de uitwerking van zulke gepikte plannen bleek altijd dat hij niet alleen zijn meest onbekwame vrienden erbij had gehaald als uitvoerders, hij had ook meteen die verdomde website er een hoofdrol bij toegekend, want dan begon de directie te juichen. Die gooiden dan nog eens een halve ton extra naar een onderzoeksbureau van een directionele vriendin en verdraaid dan bleek binnen veertien dagen dat ze helemaal op de goede weg waren, de grote toeloop van de jonge abonnees kon elk moment losbarsten. De directeur hing de vlag zovast uit.
En morgen allemaal een mooie bonus! Niet allemaal natuurlijk. Er moesten vanwege de aanvullende kostbare verbeteringen minstens acht redacteuren weg hoewel die allemaal een behoorlijk stuk konden schrijven. Jammer, maar wij van de moderne pers, de koningin der aarde, wij gaan nu ook meedoen aan GeenStijl, VolkomenKut, ImmerKloten, VetteTetters. Wij zijn voortaan ZwaarGelul.nl. Welkom!
Knap zuchtte nog eens diep en hoorbaar door zijn neus als een paard klaar voor de start van de Grand National. Hij had Lücker nooit uitgebreid verteld wat hij op basis van zijn jarenlange dagbladervaring dacht over
hoofdredacteuren, want Lücker deed al zoveel moeite om er bij te lopen zoals hij meende dat de hoofdredacteur van een de Hollandsche Nieuwe Courant er uit hoorde te zien. Straks zou hij ook nog hun trucs willen overnemen. Waarom zo'n man teleurstellen die hem, onder de gegeven omstandigheden, een aanmerkelijk beter maandsalaris fourneerde dan een bijstandsuitkering? Brood op de plank, hij voegde zich moeiteloos in het devies van de moderne journalist en die van onder '40-'45.
Lücker had het vak ongetwijfeld bij zijn krantencollega Superman afgekeken en anders had Hakkie Holdert hem geadviseerd dat zijn functie hem van verre moest zijn aan te zien. Desnoods met die belachelijke paradepas en die ordinaire modieuze kleren.
Van over zijn luxueuze glazen bureaublad had Lücker tijdens hun eerste gesprek Knap naderbij gewenkt. ,,Pas op, mijnheer Knap, ik was geen maatje pink in de keukenbranche. Het grote publiek zal er aan moeten wennen dat ik niet langer die keukenboer ben maar die krantenman. Mijnheer die krantenman, voor u.”
Knap had geknikt: rare knakker, maar hij had gelijk.
Lücker had zich als de hoofdredacteur van de Hollandsche Nieuwe gepresenteerd in een advertentiecampagne met posters in alle bushokjes waar anders mooie meiden in weinig lingerie hingen want daarvan gingen pubers naar een of ander radiostation luisteren. Zo simpel zat de communicatiemaatschappij in elkaar. De hoofdredacteur stond spastisch deftig op zijn eigen affiches met een dummy van zijn krant in de hand en naast hem de nationale driekleur op een haringkar. ,,De Hollandsche Nieuwe Courant: elke dag is voortaan vlaggetjesdag!”
Aan die lelijke kop van 'm was te zien dat ze geen fotomodel hadden gehuurd, en hij hoefde ook weer niet speciaal jonge meiden over de streep te trekken.
Elke dag vlaggetjesdag was trouwens niet waar, want op zaterdag en zondag verscheen er geen enkele gratis krant. Op zaterdag moesten de meelevende burgers betalen als ze wilden weten of het vanmiddag nog oorlog werd of dat het zou gaan regenen? De echte kranten verschenen tenminste nog zes dagen per week. Een enkeling daarvan had geëxperimenteerd met een zondagseditie, maar dat was een tragische mislukking geworden. Ze waren natuurlijk begonnen op zogenaamd dringend verzoek van de lezers, die niet zonder konden en die wisten dat heel het raderwerk op zondag gewoon door draaide. Bij de opheffing kregen alle gemankeerde lezers op hun falie dat zij op zondag nog te bedonderd waren om uit bed te komen om een krant te kopen. Wel vond sindsdien vrijwel de complete pers dat alle winkelbedienden op zondag hoorden te werken, dat was de dag dat zij tijd hadden om te winkelen. De dag der heren.
De baas van het spul wilde afgerekend worden op zijn heuse krant. Of die nou gratis was of dat ervoor betaald moest worden, en helemaal wat er precies in stond, dat maakte niets uit voor Lückers imago. ,,Voor de meeste journalisten maakt de inhoud trouwens niet meer uit,” stelde hij tevreden vast toen hij de eerste lading sollicitatiebrieven had doorgenomen. ,,Zij willen artikeltjes typen en ik betaal. Zo gaat dat ook met stratenmakers en vakkenvullers. Vraag en aanbod.”
Lücker wilde in weerwil van het feit dat hij vrijwel geen echte journalist had aangenomen, sociaal, intellectueel en
financieel serieus worden genomen in de maatschappelijke kringen die voor de Keukenkolos altijd onbereikbaar waren gebleven. Op zijn voormalig werkterrein had hij de intelligentsia slechts aangetroffen op de middag van Eerste Pinksterdag, met het hele gezin op zoek naar een nieuw salontafeltje.
Joop Lücker was zijn werkzame leven begonnen als leerling-verkoper in een degelijke meubelzaak waar nog werd neergekeken op de traag lucratiever wordende markt van de jaren zestig, zonder huishoudelijke modes en zonder opvallende vernieuwingen in de interieurs, de tijd van de kleurige Tomado-rekjes, een enkele handgevormde fruitschaal en soms een egaal pastelkleurige schemerlampkap in plaats van een oud-Hollandse winterschildering.
Bij hem op de zaak deden ze in eikenhouten bankstellen die de showroom vulden dat de klanten het er benauwd van kregen. Zo zouden ze ook bij hun thuis in de voorkamer komen te staan, dat ze het er benauwd van kregen. Het aantal modellen bleef beperkt, er was alleen een ruime keuze in de bekleding. Er hoorde een meubelmakerij bij voor de stoffering en het korter zagen van de poten, want oude mensen haalden vaak de grond niet meer als ze eenmaal waren gaan zitten. Reparaties? Die dingen gingen de eerste drie generaties niet stuk.
Het kwartje viel toen Jopie Lücker, die in de avonduren schriftelijk studeerde voor zijn middenstandsdiploma, een nieuwe keuken moest opmeten bij een kroostrijk gezin waar de vlam in de frituurpan was geslagen terwijl zij in de voorkamer naar een aflevering van 'Paul Vlaanderen' hadden zitten luisteren.
Keukens verkocht zijn baas vanuit de folders van de fabriek. Daar bestonden nog minder modellen van dan van de eiken bankstellen. Knap kwam alleen maar voor alle zekerheid langs. Keukens in oude wijken hadden soms ongewone maten.
In de stinkende rotzooi kon de deur niet helemaal open omdat de gesmolten koelkast er noodgedwongen achter stond, waar anders? Tegenwoordig staat de koelkast steeds vaker in de weg, schoot het de hijgende Lücker te binnen. Geen architect had tot dan toe rekening gehouden met het bestaan van een dergelijk enorm keukenmeubel, zelfs niet de ontwerpers van de recent opgeleverde lawine aan naoorlogse woonwijken. Veel gezinnen kregen nog een kleine kelder waar ze zelf een vliegenkastje bij moesten kopen voor de bederfelijke waar.
In vrijwel elk nieuwbouwhuis bevond zich dezelfde keuken in het verlengde van dezelfde vestibule en dezelfde gang. Het aanrecht bestond nog niet als een door klussers te plaatsen onafhankelijk handelsproduct. Ze zagen er allemaal hetzelfde uit. Het werkblad was van graniet, houten kastjes met vierkante ruitjes en boerenbonte gordijntjes die elk voorjaar een keer in de was gingen, deurtjes met houten knoppen. Het fornuis liefst onder een kleine schouw zodat de meest pregnante geuren op eigen gelegenheid konden vertrekken langs het rookkanaal, want de afzuigkap moest nog bedacht worden. Tegen de muur een plank waar een serie kale voorraadpotten op stond. De koffiemolen was aan de wand geschroefd. Dit hier was moeders trots. Vader had slechts recht van overpad. Koken konden ze nauwelijks, maar de Hollandsche keuken bestond weldegelijk.
Zo was het geweest tot de vaste klanten van een grootgrutter voor een vol boekje met zegeltjes plus een klein maandelijks aflossingsbedrag een manshoge koelkast hadden kunnen aanschaffen. Het luid zwoegende apparaat kon niet anders dan achter de deur in de weg staan.
Bijna bezwijkend onder de last van een lening voor de huur van zijn eigen showroom van amper twee kamers groot op een kleine winkelgalerij en voor zijn handelsvoorraad, was Lücker zijn opmars als zelfstandige keukenspecialist begonnen. Het hele kookgebeuren, zoals hij het veel later was gaan noemen, kwam net overwaaien uit Amerika. Op enkele plaatsen vatten de eerste middenstanders de moed voor specialisatie. Lücker hoorde er bij en stelde zijn keukens op met de koelkast als een voorziening die even belangrijk was als het gasfornuis. De consumenten hielden halt op de galerij, keken verbaasd naar binnen en constateerden na enig nadenken bedroefd dat zij een huurhuis hadden. Een nieuwe keuken was een geschenk van de huisbaas en die deden daar niet aan, geschenken. De luxe lag ook ver buiten de financiële mogelijkheden van de meeste huizenbezitters. Lenen voor zoiets, dat deed je bij de familie, de bank zag je al aankomen. Trouwens, de familie ook.
Toch stapten er soms mensen naar binnen. Die hadden, na een calamiteit in huis of in de relatie, ook echt een nieuwe keuken nodig. Niemand kwam zo maar een kijkje nemen.
Hij was er zelfs eerder bij dan de damesbladen waar pas na verloop van tijd de eerste geïllustreerde reportages in verschenen over de Amerikaanse keuken- en badkamerrage. Nogal iets anders dan de artikelen over de
opmars van de elektrische koffiemolen of het patroon voor een blouse volgens de laatste Parijse voorjaarsmode. Filmsterren die kortgeleden hun keuken en badkamer voor geen goud aan een fotograaf hadden willen wijzen, zij kookten namelijk nooit zelf en zij poepten al helemaal niet, openden hun nieuwe heiligdommen bijna dwingend voor een fotosessie. Zij poseerden in een glimmende, lange avondjurk, parelketting om de nek en met in een hand een pannenlap of een washandje, in de andere een glas gekoelde champagne. Ah, die waren nog eens gelukkig.
Het ging natuurlijk om de speciaal te bestellen tegeltjes, wit of zwart, de glimmende grote kranen, de onberispelijke kastjes in twee, al gauw zelfs drie kleuren verkrijgbaar, een hardstenen aanrecht. En alles steeds lekker opgeruimd want de magnetron bestond nog niet, de sinaasappelpers liep nog niet op 220 volt en het ongelukkigste woord uit de Nederlandse taalschat moest nog bedacht worden: koffiezetapparaat. Gelukkig bestond het woord badkamer al, wie weet hoe ze dat vertrek anders hadden genoemd.
Alles aan het keukenfront werd in korte tijd als op de Olympische Spelen: sneller, hoger, verder, duurder. De voormalige pijpenladen van keukens werden al vlug twee maten groter aangetroffen op de vreemdste plekken in de verbouwde villa's, met een eethoek er aan vast. Dat was vroeger de garage geweest, maar ze hadden ook juist een auto gekocht en die moesten de buren zien. Zo begon de doorbraak. Lücker maakte tegelijk werk van zijn afdeling badkamers.
Hij had de tijdgeest van de The Beatles herkend en beschouwde zijn klanten zoals een herenkapper die wist dat het tegenwoordig even kon duren, maar dan ging de
deurbel en dan waren ze er weer. De klanten van zijn concurrenten kochten in één keer de hele keukenzooi voor het leven, net zoals ze de rest van de uitzet aanschaften, lakens, kussenslopen en tafelkleden. Waren ze er maar vanaf. Eerst sparen, dan trouwen. Scheiden bestond niet.
Maar als Lückers gestaag groeiende klantenkring aangeraakt zou worden door de welvaart, wilde verhuizen, uitgekeken raakte op de oude keuken, of ze hadden een leukere gezien bij de buren, dan werden ze vanzelf langzaam rijp gemaakt voor een nieuwe. Er was nog zoveel aan het keukenfront te verbeteren. Die groep, verwachtte Lücker, zou explosief groeien als het zo goed bleef gaan. 's Avonds bad hij voor alle zekerheid dat er maar geen oorlog kwam, want als de Russen zouden winnen, kon hij zijn luxueuze tent wel sluiten.
Hij hoefde er verder eigenlijk alleen een beetje extra aardig bij te doen. Zijn klanten kregen in december een kalender van hem toegestuurd met prachtige foto's. Het ene jaar met wilde dieren uit het Afrikaanse oerwoud en dan weer met typisch Belgische huizen of allemaal decent zonnende Zweedse meisjes in ruime badpakken, want daar zaten de fotografen die zulke plaatjes schoten, in Zweden. De rest van de consumenten, het grootste segment van de markt, sloeg hij gewoon over. Voorlopig geen droog brood aan te verdienen, allemaal zonde van het geld. Hij beidde zijn tijd en verstuurde folders over de nieuwste elektrische ovens voor mensen die wisten wat voor plezier zo een apparaat gaf, de keukenboiler, de dubbele gootsteen, de mengkraan en wat er allemaal niet meer op de markt verscheen. Met aanlokkelijke foto's, weer filmsterren in de buurt met nog langere handschoenen, nog grotere borsten,
en geen woord over de kosten van de noodzakelijke kolossale verbouwing. Binnen een paar jaar bestierde ,,mijnheer de keukenkolos,” zoals zijn verloofde hem op een dag verwijtend had toegeroepen toen hij weer te laat op hun afspraak kwam en zij zo een vermoeden had dat hij achter die goudgelokte verkoopster aan zat, drie filialen en dat was pas het begin geweest. Hij had ook eindelijk een goede naam gevonden voor zijn onderneming.
De naam voor zijn nieuwe krant had hij vanaf het begin geweten. Een statige, ouderwetse naam moest het zijn, die meer leek te zeggen over de inhoud dan die van zijn concurrenten, die hun gratis krant naar van alles en nog wat noemden, behalve naar een krant. De kop in een antiek lijkende letter. En met een ouderwets woord erin dat het blad cachet gaf en degelijkheid beloofde. Dat was het halve succes bij onnozele mensen, wist hij van de keukens.
Voorzichtig had Knap geprobeerd Lücker duidelijk te maken dat er bij een krant meer kwam kijken voor een hoofdredacteur dan alleen een neus voor zaken doen. ,,Jij bedoelt dat ik af en toe een stukje zal moeten schrijven? Daar heb ik jou toch voor aangenomen. Noem jij eens een hoofdredacteur die van zichzelf een leesbaar, laat staan interessant stukje kan schrijven? Zo een waar je in andere media nog vol ontzag over leest,” hoonde hij. ,,En kom bij mij niet aan met hun eigen ingezonden preekje op zaterdag. Mijnheer de hoofdredacteur en zijn column. Lees jij die wel eens? Dan zie je meteen dat ze niet aangenomen zijn omdat ze zo’n alleraardigste pen hebben of verstand van het maken van een krant. Maar dat is ook helemaal niet nodig.”
Knap had zijn hoofdredacteur verbaasd aangekeken.
,,Dacht jij soms dat ik in mijn vorig leven een keuken bij elkaar kon timmeren? Sodemieter op. Ik kon 'm verkopen!”
Noem jij eerst maar eens de namen van drie andere hoofdredacteuren had Knap in stilte gedacht.
De hoofdredacteur van de Hollandsche Nieuwe behoorde tot het soort dat meende dat hij bij de aanschaf van zijn krant vanzelf de noodzakelijke extra portie hersens cadeau had gekregen. Knap kon het hem nauwelijks verwijten. Als hij zag wie er recentelijk allemaal kortere of langere tijd minister waren geweest of nog steeds in het parlement zaten, dan moesten er in Den Haag aan de lopende band noodlandingen van de Heilige Geest plaatsvinden. Dus waarom dan ook niet in de media? Dat was vaak toch al één pot nat.
Een extra portie hersens en een mooie vrouw. Dan had hij verder alleen nog een bekwame redactiechef nodig om die krant in elkaar te zetten.
Dat was Henri Knap geworden, ervaren journalist zonder dat hij daartoe naar de vakmulo was geweest, die een paar maanden zonder werk had gezeten wegens eruit gegooid door zijn vorige hoofdredacteur. ,,Hebben ze hier op de redactie wat over jou te zaniken, dan stuur je ze maar naar mij toe in mijn hoedanigheid van chef personeelszaken, kunnen ze meteen hun congé krijgen. Zeg mij niet dat ik daar geen verstand van heb.” Zo ging het overal.
Dat lekker wijf, zoals hij elke vrouw noemde die hem beviel, had Lücker al snel te pakken gekregen. Zij heette Gracia, naar die van Monaco. Wie met zo een annotatie op de wereld was gezet, kon alleen maar veel mannen verslijten. Daar hield elke overeenkomst met de betreurde
prinses op. Tijdens de nazit van een luchtig middagmagazine op de tv waar hij zijn plannen met de gratis krant ontvouwd had voor een publiek bestaande uit vaste bezoekers van de Huishoudbeurs, en waar zij haar beoogde zomerhitje 'Sangria in Athene' had geplaybackt, bleek de aantrekkingskracht wederzijds, al was de basis ervan tamelijk onderscheiden. Zij raakte geïnteresseerd in zijn koopkracht, zoals hij zijn vermogen graag noemde, en hij raakte ouderwets onrustig zo dicht nabij haar met trucs en tips geaccentueerde vormen. Alles in het leven was te koop, wisten zij beiden. Dat schiep om te beginnen een band.
Gracia stuurde elk kennismakingsgesprek in de richting van de door haar uitgebeelde leeftijd. In werkelijkheid was zij over de angstaanjagende hobbel van de veertig heen. Het hele datinggebeuren waar de meeste kranten zich niet onbetuigd in lieten, was haar laatste reddingsboei, als Lücker er niet was geweest. Iedereen taxeerde Gracia vijf tot zelfs tien jaar jonger dan zij zelf hoopte, afhankelijk dan weer van de kans die hij bij haar dacht te maken.
,,Nou, mooie jongen, wat schat jij?” had zij bij de kennismaking met Knap overdreven schalks gevraagd, alsof ze aan de bar van een louche tent zaten. Henri Knap met zijn rooie kop had zich niet aan een gokje gewaagd. Bij vrijwel alle andere mannen was de lucht na zo'n opening vol van complimenten aan Onze Lieve Heer wegens diens ongeëvenaarde boetseerkunsten. ,,Zijn die ook echt?” vroeg er al gauw een op schalkse wijze. En dan bedoelde hij de steentjes in haar oorbellen.
Gracia lepelde alleen gauw een ander onderwerp op als er iemand bij bleek te staan die begon te rekenen, omdat hij
zich dacht te herinneren dat zij het product was van een ongelukje ten tijde van de Praagse Lente van '68, toch? Daar had zij het over in interviews aan het begin van haar Hollandse carrière. Knap had er nog een van doorgegeven: ,,Mijn ouders zaten al twee dagen onder de trap, buiten reden de tanks af en aan, de televisie deed het niet, ze hielden niet van kaarten en niet van lezen. Wat moet je dan? Ik heb het van geen vreemde.” In werkelijkheid was zij die lente al vijf jaar oud en onder de trap had nooit iemand gezeten bij hun op het Oost-Europese dorp. Er stond niet eens een huis met een trap.
Zulke anekdotes werden in de media zeer op prijs gesteld. Alleen, zie ze nog maar eens kwijt te raken. Wie zoiets één keer aan een journalist vertelde, kwam dezelfde vraag voor datzelfde antwoord voortaan in elk interview tegen. Op de tv hoefde de presentator van een talkshow alleen te zeggen: ,,Ik las ergens, heel bizar, dat jij verwekt bent ten tijde van de Hongaarse opstand? Moet je even uitleggen voor onze jonge kijkers.” Alsof hij diepgaande studie naar haar had verricht. Praagse Lente, Hongaarse opstand, Moskouse revolutie, hij zat in elk geval geografisch in de richting. De rest was een detail.
,,Dat je dat weet! Wat wil je dat ik de jongelui uitleg, dat verwekken of die opstand?”
Gracia was zoals elke bekende Nederlander van alles een beetje, hoewel van sommige dingen maar een heel klein beetje. Maar ook daarin onderscheidde zij zich nauwelijks: nergens voor opgeleid, dus actrice, fotomodel, presentatrice, zangeres, musicalster, tevens voor al uw winkelopeningen, sekssymbool, desnoods journalist en altijd bereid aan te schuiven in panels voor zulthoofden
waar de tv in grossierde. Het ging alleen de laatste tijd allemaal wat minder. Drie keer per week deed zij pogingen om op de sportschool haar basisvormen binnen de perken van de knellende bandjes te houden.
Desgevraagd antwoordde zij steeds dat zij in veelbelovende onderhandeling was over haar toekomst in de entertainmentindustrie. Haar manager had haar bevolen om over onderhandelingen, of die nu wel of niet bestonden, tegen de buitenwacht nooit concreet te worden: ,,Doe maar alsof je een voetballer bent, je weet zogenaamd van niks, maar je houdt alle opties open. Dan vragen die journalisten nergens meer naar.” Voor een geval van nood tijdens een persconferentie, niets te vertellen en al gauw geen vragen meer te beantwoorden, had zij een bevriende werkloze journaliste, die in ruil voor af en toe een extra cd'tje om weg te geven aan de neefjes, na een knik van haar quasi terloops vroeg: ,,Zeg, klopt het dat jij bent benaderd voor het kerstnummer van de Playboy? En dan bedoel ik niet voor het interview.” Lachje van beide kanten er overheen.
Daar kon zij 'helaas' niets over zeggen. Gegarandeerd dat Gracia de volgende dagen alom in de berichten opdook als de sensatie van de komende kerstviering onder mannen van zekere leeftijd. Haalde zij zonder moeite drie talkshows op de tv mee. Omdat het niet altijd Kerstmis was, liet zij haar vage vriendin soms vragen of het waar was dat zij een reisprogramma op de televisie ging presenteren? Kon zij ook niets over zeggen. Bingo!
Het was stevig doorwerken maar Gracia stond nog met regelmaat in de krant, alleen steeds verder achterin.
Het zingen was haar geadviseerd als reddingsvest voor haar naamsbekendheid. Iedereen kon zingen, dat was op
alle tv-stations te zien. Alleen haar vertrekpunt was nog altijd een stuk beter dan dat van de zoveelste huisvrouw uit Ter Apel die in haar badkamer zo mooi 'I will always love you' kon nadoen.
Gracia zat voor alle zekerheid ook een uur per week op paaldansles, mocht de nood aan de vrouw komen.
,,Nou, schat, wij hebben talent,” had de leraar gezegd. ,,Gaan wij de spagaat oefenen. Hebben wij kinderen?”
,,Wij?” had zij verleidelijk gereageerd.
,,Nou, niet van mij, hoor, schat," klonk hij zangerig.
Een technicus van de platenmaatschappij vervormde ondertussen op zijn laptop, noot voor noot, haar geluid van schuurpapier tot nachtegaal. Na een jaar had zij dan wel weer een cd bij elkaar. Lücker betaalde tegenwoordig de lessen en het voorschot voor de platenmaatschappij.
Gracia had na twee snel beëindigde huwelijken met aanvankelijk best leuke maar al gauw toch merkbaar armlastige leeftijdsgenoten, een reeks opzienbarende, ruim gedocumenteerde relaties met oudere mannen aangeknoopt. Nouveau riches en ander verdacht geld, beetje penose, een verlopen voetbaltrainer, iemand uit een soap, iets van achter de schermen bij de televisie - bleek achteraf de bezorger van de pizza's te zijn geweest, een handvol ondernemers uit de ICT. Die affaires werden vaak na de eerste sensationele onthulling in de tweede week geïllustreerd met volop geposeerde foto's van het gelukkige paar, gekenmerkt door de terloops uitgesproken wederzijdse kinderwens: de liefdesbaby.
Zij had aanvankelijk niet eens in de gaten gehad dat zo'n ouwe bok dat alleen maar zei om de wereld te laten merken dat hij het nog kon. Een paar keer was haar buik
verwachtingsvol onderwerp van de cover van de bladen geweest. Maar het bleek lucht en trouwens, de grootste lol van het verwekken van zo een liefdesbaby was er na een paar weken definitief vanaf, als ze het ook buiten bed met elkaar moesten zien te rooien. Restte alleen nog het bericht dat ze als goede vrienden weer uit elkaar waren gegaan.
Kinderen? Lücker had Gracia meteen de eerste avond onder de oesters duidelijk gemaakt dat zij niet op hem hoefde te rekenen.
,,Gelukkig,” haalde zij opgelucht adem, ,,want die zijn de pest voor je figuur.”
Gracia was desondanks aan groot onderhoud toe geweest. Knap had dat meteen gezien, maar het als een normaal proces onder regie van moeder natuur gecatalogiseerd. Als hij nu nog naar volslanke figuurtjes van achttien lentes zou verlangen, dan had hij maar weinig beleefd. Gracia wilde graag haar heupen laten uitzuigen en zij overwoog een borstversteviging, zoals zij het noemde, want dan leek er een medische noodzaak aan ten grondslag te liggen. Het eerste wilde zij voor haar verjaardag vragen, het tweede voor de zijne.
Henri Knap bemoeide zich er niet mee, diskreet en preuts als hij was. Maar zijn functie was zodanig en de redactionele bezetting dermate beperkt, dat hij tijdens de dagelijkse evaluatievergadering met Lücker steeds precies te horen had gekregen hoe de vlag er bij hing. De verhouding werd door de schandaalbladen uiteraard gevolgd, maar minder fanatiek dan haar vorige. Als het begin augustus was, als er geen bekende Nederlanders meer thuis waren om verliefd te worden, van elkaar af te gaan of desnoods onder kommervolle omstandigheden
dood te worden aangetroffen, dan mocht Gracia opdraven.
Zij kwam, had Lücker geklaagd, net aan vaak genoeg langs in zijn nieuw verworven, semiklassieke patriciërshuis aan de Vecht om er voor de handigheid een eigen sleutel op na te mogen houden. Alsof de duvel ermee speelde, verscheen zij altijd net op de dag dat er een paparazzo op de loer lag, terwijl Lücker met zijn onverzorgde kop nog in zijn ochtendjas achter het raam was verschenen.
Gracia ontbrak nooit aan zijn zijde wanneer hij vanwege zijn vermogen en al een paar keer vanwege zijn functie van hoofdredacteur van een heuse courant, op een of ander gala of protserig vertoon was gevraagd, uiteraard onontkoombaar de première van elke musical. ,,Neem van mij nou maar aan: het is niet alles goud wat er blinkt,” had hij overdreven opgewekt tegen Knap gezegd. ,,Ik zeg altijd maar zo: ik kan niet acteren, niet dansen en niet zingen, maar op zo een avond bevangt mij de geruststellende gedachte, dat ik in geval van een faillissement daarmee altijd nog in mijn levensonderhoud zou kunnen voorzien.”
Aan het einde van die ochtend met Johnny Walker op de voorpagina van de Hollandsche Nieuwe Courant had Lücker aan Knap gevraagd of hij al een fotograaf had besteld? ,,Man, vanavond is de Patserparty. Vergeten? Het meisje gaat mee!”
Lücker was voor de opening uitgenodigd, alsof hij niet in kranten deed maar in het onroerend goed zat. Een dag eerder had hij ,,dat hele Patser-gedoe” nog het grootste strafwerk op korte termijn genoemd. ,,Een Huishoudbeurs voor zwakke rijke zakken en criminelen.” Dat was sinds alle aandacht voor zijn primeur anders geworden. ,,Dit wordt een avondje netwerken op hoog niveau. Die Johnny
Walker, dat is mijn doorbraak in de kringen die ertoe doen. Het werd onderhand eens tijd.”
Lücker bezat geen vrienden die hem konden waarschuwen voor het leven waar hij naar verlangde en voor de rol die de Gracia's van deze wereld daarin speelden. Hij had zich dertig jaar terug al voorgenomen om er minstens één te nemen, een vriend. Nauwelijks tijd voor gehad. Vijanden volop. Misschien dat zijn financieel adviseur Holdert, die op de vreemdste momenten langs kwam, maar die in berichten nooit genoemd werd in relatie tot de Hollandsche Nieuwe Courant, nog het dichtst bij die status in de buurt kwam.
Lücker had eens zijn arm om de schouders van Knap geslagen. Hoezeer hij geprobeerd had neutraal te blijven kijken, het gezicht van zijn eindredacteur verraadde dat het van diens kant nooit vriendschap kon worden. Hij vond Lücker een ronduit ordinaire kerel. Vrouw Knap had hem al gewaarschuwd dat zij hem niet over de vloer wilde hebben. ,,Ook niet als ik jarig ben?” Zij zette haar theeglas dermate ruw neer dat hij zweeg.
Knap schoof de krant met Johnny Walker terzijde. Zo wilde Lücker het elke dag hebben? Knap keek eens om zich heen, maar hij zag nergens mogelijkheden om zijn hoofdredacteur op korte termijn aan zijn journalistieke gerief te helpen.
Het was trouwens erg veel gezegd, de redactie van de Hollandsche Nieuwe. Er zaten overdag naast Knap nog meestal vier of vijf mannen en een enkele vrouw, anoniem, elk bijna tot aan het middel in het beeldscherm gekropen, onzichtbaar voor elkaar, om langs de elektronische snelweg stukken en stukjes te bestellen, over te schrijven,
moeizaam te vertalen, houterig te formuleren en dan door te geven. Knap was hun chef, hij deelde elke pagina in, maar hij kende zijn ondergeschikten ternauwernood. Omgekeerd was er ook weinig behoefte aan nadere kennismaking, laat staan vriendschap.
Hij had ze allemaal aangenomen na een korter of langer gesprek. Daarna was het contact beperkt gebleven, ook omdat Henri Knap nooit 's avonds werkte. Hij mocht bij Lücker dan niets meer kunnen aanvangen met de eisen uit de CAO, hij hechtte er aan om op zijn leeftijd alleen nog dagdiensten te draaien. Ook al miste hij dan alle specifieke spanning waar het bij een krant om draaide.
In de avonduren zat Wouter Gortzak aan Knaps bureau. Het was maar goed dat de schoonmaakster elke dag langs kwam. Een keer, toen zij ziek was en zij haar verleidelijke dochter ook niet ter vervanging had kunnen sturen, lag Knaps werkplek erbij als de eettafel van een kraakpand na een huisvergadering. Hij had er over geklaagd bij Lücker, die hem geïrriteerd had geadviseerd om dan maar zolang ergens anders te gaan zitten. Maar hij moest en zou zijn eigen bureau. Dat was de vakman in hem. Met een stapel tissues had hij de werkplek toonbaar gemaakt. Toch bleef het de hele dag stinken. Toen hij zijn middelste lade open deed, bleek dat er in gekotst was.
Knap had Gortzak na de eerste kennismaking badinerend 'onze chef nacht' genoemd. Hij had buiten Lücker gerekend die zo een vakterm meteen oppikte.
Wouter Gortzak was een neef van de hoofdredacteur, van de koude kant. Hij had jarenlang op verjaardagsfeestjes beweerd dat hij rechten studeerde, zeer langzaam, zoals iedereen dat toen deed, terwijl hij in zijn levensonderhoud
voorzag bij een magazine. Daar in zijn familie een damesweekblad al een boek werd genoemd, werd er vol ontzag geknikt: het jong was bijna hoofdredacteur en tevens bijna minister van justitie. Zo hoog had nog niemand in de familie het geschopt. Lücker wilde hem er per se bij hebben om persoonlijke overwegingen waar hij terughoudend over had gedaan.
Toen hij eenmaal aangenomen was, wilde Gortzak wel toegeven dat hij bediende was geweest bij een seksblaadje. ,,Eigenlijk bij zes seksblaadjes. Dat maakte het werk voor mij nog een beetje interessant. Ze hadden een kist met van die foto's gekocht, zoals tv-zenders b-films kopen.” De plaatjes rouleerden tussen de bladen, gespiegeld, vergroot, verkleind of verkleurd. Zoals ook de onderschriften wisseldienst hadden. Waar een blonde stoot in de ene uitgave nog een hunkerende huisvrouw uit Harderwijk was, daar was alleen haar hoofd zichtbaar in een zusterblad waar zij als gynaecoloog adviezen gaf.
Henri Knap had niet over Gortzak te klagen. Die voerde stipt uit wat er stond op de nachtlijst, die Knap voor hem achterliet. Alleen een detail als 'Hebbes!' had hij helemaal zelf bedacht. Als de foto's hem waren aangereikt, zou Knap niet zo snel iets beters hebben weten te verzinnen.
Knap had steeds zijn eigen papieren agenda onder handbereik met daarin het lijstje met de namen van de vaste bureauredacteuren en enkele persoonlijke kenmerken zoals lang of kort, bril of snor, man of vrouw. De meesten draaiden om en om dag- en avonddiensten in een schema waar ze alleen in onderling overleg van mochten afwijken. Knap moest als een sergeant-majoor zorgen dat er steeds een minimale bezetting was,
want als ze met niemand konden ruilen, wachtten ze tot het laatste moment en dan meldden ze zich telefonisch ziek. Dat Knap het maar oploste.
,,Met zulke onnozelheden bemoeit een hoofdredacteur zich niet. Als je er een tekort komt, dan ga je er zelf een uurtje langer zitten,” had Lücker zich ervan af gemaakt.
De redacteuren beperkten zich tot een goedemorgen als ze binnenkwamen en bromden wat onverstaanbaars als ze de tent verlieten. Dan vinkte Knap ze af. Zo een afstandelijkheid had behalve financiële ook andere voordelen: hij kon niet zo gauw onverwacht het mes van een gelijkgestemde conspirerende meute van ontevreden collega's in zijn rug gestoken krijgen. Als het ergens op staken aankwam, werd de chef ook altijd als een verraderlijk verlengstuk van de directie beschouwd. Armetierig gekanker en gekonkel, hadden hem lang geleden al eens een overplaatsing opgeleverd toen hij nog bij de echte krant zat. Zulke coups waren er aan de orde van de dag. Het was een bijkomend nadeel van de zogenaamde redactionele democratisering: de grootste kankeraars organiseerden moeiteloos de meerderheid die nodig was om een personele wijziging aan de gehate top af te dwingen. Knap was bij die gelegenheid gedegradeerd naar de brievenrubriek, die gold als de strafkolonie: een kleine kamer met twee bureaus en een losse tafel voor passanten. Geen raam. De chef zat er al sinds mensenheugenis en had er een kantoorbaan van gemaakt, van negen tot vijf, ongeacht wat er verder op de wereld gebeurde. De meeste ingezonden brieven gingen ongelezen door de shredder als hij het onderwerp niet begreep of herkende en helemaal als hij het er niet mee
eens was. Dan bleef er een handzaam pakketje over. Knap had er nauwelijks iets te doen gekregen en had een paar weken later meteen toegehapt toen een collega overspannen was geraakt en er iemand gezocht werd om in diens plaats het weerbericht en andere dagelijkse prullaria door te geven. Alles beter dan de brievenrubriek, zei Knap thuis. Vrouw Knap wist dat zo net nog niet.
Het bleek inderdaad een blunder van jewelste. Want nauwelijks was hij van 'de brieven' af of daar begon die rubriek aan een sensationele opmars. Hoe minder een krant zelf meende, hoe meer de ingezonden brievenschrijvers te vertellen kregen. Van een klein, zwervend hoekje voor querulanten, vrouwen en wereldverbeteraars werd er voortaan dagelijks minstens een hele pagina voor uitgeruimd. Alles wat ze zelf niet durfden te vinden of waagden te bedenken, lieten ze over aan buitenstaanders, of ze abonnee waren of niet, of ze bestonden werd niet eens uitgezocht, hier had elke jan lul vanzelf een gouden pen en een behartenswaardige opinie.
Er werd een grotere kamer voor de afdeling gezocht, met een raam, vier bureaus om te beginnen en er kwam een schilder langs die in zwierige letters Opinie op de deur zette. Politici die weigerden met de pers te spreken, beschouwden de opiniepagina's als hun eigen speelveld. Daar konden zij naar believen alles beweren: op z'n vroegst morgen een weerwoord van de oppositie. De redacteuren werden met hun interviews per letter afgeknepen, maar bij de nieuwe opiniemakers werd niet op een kolom meer of minder gekeken. Geen dag gebrek aan een vrachtwagenladingen eigendunk. En geen enkel bezwaar indien een voorlichter een propagandastukje had
geschreven met de naam van zijn partijleider erboven.
Op de ouderwetse ingezonden brieven van bonafide lezers werd verder beknibbeld. Ze kregen nog steeds de klassieke behandeling, maar elke abonnee die het krachtig verwoord beter meende te weten dan zo een ingezonden stukken schrijver, werd bondig samengevat tot drie regels wartaal en een tikfout in zijn naam.
Elders was Knap met een grote omweg weer op de echte redactie teruggekeerd. De handen vol aan de waterstanden, de scheepsberichten en het dagelijkse puzzeltje.
Het redactielokaal van de Hollandsche Nieuwe Courant kende naast Lückers kantoor geen andere ruimten. Het langwerpig eiland van bureaus als biechtstoelen stond midden in een kaal zaaltje met smalle donkere ramen, zodat altijd alle tl-buizen aan moesten; ze hadden de architect blijkbaar niet verteld dat er binnen in zijn ontwerp nog gewerkt zou moeten worden. Er was geen uitzicht over de stad omdat andere merkwaardig gevormde enorme kantoortorens in de weg stonden. Ook allemaal van die donkere, spiegelende glazen muren in blauw, grijs of goudbruin, zodat het leek of er nooit iemand bewoog. Ze bevonden zich op zeventien hoog op een najaarsdag als in een uitgestorven woonwijk, geen levend mens te zien. De enige troost was de wetenschap dat alles hier binnen vijftig jaar afgebroken zou worden, want Knap kon zich niet voorstellen dat ook maar een zo een kolos het ooit zou schoppen tot een monumentenlijst, anders dan die van het patrimoniaal onvermogen.
De vestiging was ook zo'n typisch kenmerk van de moderne journalistiek: zo ver mogelijk van de grote
mensenwereld vandaan. Knap had er jaren geleden bij zijn echte krant eens voor gepleit dat elke redacteur minstens een keer per maand en desnoods onder werktijd maar dan ook onder begeleiding een uurtje door de grote warenhuizen in het stadscentrum moest wandelen. Kijken, ideeën en gedachten ontwikkelen bij wat daar nu weer te koop was, hoe de mensen erbij liepen, welke trends er waren, welk voordeel de krant ermee kon doen. Dus voorspelbaar werd er gevraagd of hij soms gek geworden was? Of hij dacht dat zijn collega's niet bij de tijd waren? Dat dacht hij inderdaad, maar hij had inmiddels voldoende ervaring opgedaan om zoiets niet hardop tegen die sukkels te vertellen. Hij was al blij als bleek dat ze hun eigen krant in de loop van de dag hadden doorgebladerd.
Bij de Hollandsche Nieuwe stond ter redactie alleen de meest functionele apparatuur. Zelfs de overleden potplant ontbrak, hoewel geen kantoor zonder kon. Geen kalender, geen poster, niks geen franje. Lücker had de kantoortuin definitief afgezworen nadat hij er ooit op zijn keukenhoofdkantoor een had laten inrichten, op de derde verdieping, administratie, suffe sullen, kon geen kwaad, dacht hij. Meerderheid mannen en een paar oudere dames die de jonge meiden in het gareel hielden. Ze drongen zo aan, het was mode in het bedrijfsleven. Het was er vrij snel een onbeheersbaar oerwoud geworden. Ieder bracht zijn eigen stekkies mee. Toen Lücker er in gezelschap van een belangrijke Amerikaanse zakenpartner onverwacht een kijkje was komen nemen, bleken ze de verste uithoek omgebouwd te hebben tot het eerste kantoorstrand. Het werd hem zwaar aangerekend dat hij de dorre pennenlikkers gebood de hele bliksemse boel aan
strandstoelen, parasols en opblaasbedden weer mee naar huis te nemen. Hij had met zijn gast nog van geluk mogen spreken dat het geen vrijdag was, want dan hielden ze kantoornaaktstrand.
Naast de deur stond een oude grijze ijzeren kast voor de kantoorspullen. Er zaten een paar half afgescheurde plakplaatjes op, nog van de vorige eigenaar en toen al tweedehands. Op de schappen stond niet veel meer dan een paar dozen met inktpatronen en een plastic tas met lege inktjets voor als de chemokar in de buurt was, maar dat was nog niet voorgekomen. Verder wat pakken papier en een doos met balpennen voor als er een langdurige computerstoring was en er toch iets genoteerd moest worden. Apart stonden twee grote printers. De kantine was een ijzeren tafeltje met op het gescheurde groene plastic blad het koffiezetapparaat naast een gebutst ijzeren pannetje met een dompelaar voor het theewater. Elke dag moest de schoonmaakster hard boenen, want het leek er soms een ouderwets rookhol. Wie water wilde vanwege de droge keel door de loeiende airconditioning, moest van thuis meenemen of op de gang halen in het met twee andere bedrijven gedeelde toiletblok. Geen der redacteuren maakte gebruik van de nieuwe rode kapstok in de hoek want iedereen hield zijn persoonlijke bezittingen voor alle zekerheid zo dicht mogelijk onder zich. De grijsgroene vloerbedekking was na het bankroet van de vorige gebruikers gewoon blijven liggen. Die kon qua kleurstelling en slijtvastheid nog zeker twee faillissementen mee.
Knap had er zich meteen thuis gevoeld want de redactie had op onderdelen veel weg van de vervallen zooi waar hij
zijn eerste schreden op het journalistieke pad had gezet, toen alle kranten nog klein en arm en alleen waren en dat beschouwden als een stempel van goedkeuring, een teken van geloofwaardigheid en een proeve van bekwaamheid.
De voormalige Keukenkolos, de smaakvolle interieurspecialist pur sang uit zijn eigen reclamespotjes, had verder geen werk gemaakt van zijn bedrijfsruimte. ,,De jongelui komen hier goddomme niet om zich te vermaken.” Alleen zijn eigen kamer was het decor van de bijna spreekwoordelijke directionele luxe in Nederland. ,,Ik had graag een uitzondering voor jou gemaakt,” zei hij, terwijl hij Knap op de rug klopte, ,,maar als ik daar eenmaal aan begin….”
Een kleine batterij laptops, de printers en een netwerkje vormden het kloppend hart van de volledige productie van de Hollandsche Nieuwe. In een kantoortoren even verderop stond ergens op een kamertje het elektronisch hart waar niemand verder iets mee te maken had zolang alles naar behoren werkte. Bij een storing waarschuwde Lücker zijn financiële duvelstoejager Holdert en dan was het ongemak snel over. Een archief hadden ze niet. Een schat aan kennis en ervaring, zoals die van Knap, kwam ook nauwelijks van pas bij een moderne krant met een geheugen, korte en lange termijn bij elkaar opgeteld, van nog geen 24 uur. Alzheimer heette de goudmijn van elke journalistieke productie.
Verspreid in het land zochten de thuiswerkers internet af naar opwindende nieuwtjes, moord en doodslag, alles met seks, graag zware ongelukken, bizarre incidenten, alles wat de onderbuik activeerde, niet vergeten: elke vorm van dierenleed of kleine diertjesgeluk, andere opvallende
feitjes van niets, volop berichten uit de showbizz en uiteraard alle resultaten van welke opiniepeilingen over wat onder wie dan ook. Verder kon geen vaag bekende Amerikaanse filmster trouwen, bevallen, in de rehab gaan en weer scheiden, in die kringen lopende band werk, alleen met de volgorde werd soms slordig omgesprongen, of in elke fase kwamen Lückers medewerkers massaal en nerveus in actie.
Er mochten berichten gemaakt worden van maximaal 100 woorden, tenzij het na overleg met de centrale redactie iets van 180 woorden mocht zijn. En anders werd het een heus artikel van 270 woorden. Dat werd niet langer per woord maar volgens een vast tarief afgerekend. Soms stuurde Lücker, als hij persoonlijk geroerd was door een verhaal, de schrijver een bonus van vijf euro in een blanco envelop. Een mooi gebaar, soms een meer dan noodzakelijke aanvulling op het huishoudbudget. Vaker zou hij ze een strafkorting van vijf euro op hun loon geven als hij weer zo een stukje had gelezen, maar op basis van zijn bescheiden krantenervaring vreesde hij dat zoiets hem duur kon komen te staan.
Echte artikelen, zoals Lücker die van 270 woorden noemde, daar kon de krant er volgens de redactionele werkformule dagelijks hooguit vijf van hebben. Een artikel van een hele pagina was volstrekt uit den boze, dat trokken zijn lezers niet. En anders waren ze ondertussen toch al op de plaats van bestemming aangekomen, dan was het zonde van al die inkt. Als de intercom krakend begon met ,,De volgende halte is …,” dan lieten alom de aangesprokenen hun krant liefdeloos op de grond vallen – mogelijk dat iemand die in de hondenpoep had getrapt er
zijn voordeel mee kon doen. De meeste echte kranten werden nog zorgvuldig opgevouwen en in de tas gestoken voor evaluatie tijdens de koffiepauze of als bewijsvoering bij een discussie met een collega.
Als het onontkoombaar was, iets met het koninklijk huis en de dood, dan mocht van deze regels afgeweken worden maar dan moest in elk geval de verhouding tussen foto's en tekst 4 tegen 1 zijn. Kon makkelijk, de onnozelste foto's werden vanzelf prachtprenten als ze maar groot genoeg afgedrukt werden, meende Lücker. ,,Het is niet anders als met de verkoop van keukens, allemaal illusie.”
Er bleven overdag meestal een paar bureaus leeg. Tussen zes en half elf 's avonds zat er een complete ploeg om alles tijdig door te geven naar de gezusters vormgeefsters in de Achterhoek. Twee stukken chagrijn, die zich gedroegen als de ouderwetse zetters en opmakers nog uit het loodtijdperk: niemand had ze iets te vertellen. ,,De dames zijn professioneel, punctueel en zeer voordelig,” verklaarde Lücker zijn voorkeur. ,,Ik ga ze binnenkort eens bezoeken.” De Achterhoekse mopperpotten, zoals Knap ze noemde, stuurden de paginaproeven terug naar de redactie. Bij goedkeuring ging het naar de drukker in De Peel en dan naar het distributiecentrum nabij Utrecht.
Het leidinggevend middelpunt Henri Knap was 58 jaar. Hij was in het kader van een gedwongen afvloeiingsregeling die hem een paar maanden uit de wind had gehouden om een andere baan te zoeken, veel te oud gebleken om ergens nog in vaste dienst aan de slag te kunnen. Hij had meer dan dertig jaar lang het beste van zijn leven geschonken aan de krant, zoals hij de zijne altijd liefdevol genoemd had, tot een collega met een zak persoonlijke
grieven en alle kenmerken van een moderne krantenmanager zich omhoog had geworsteld en Knap had aangewezen als zijn eerste slachtoffer. Zo gaat dat ook in de bouw of in de supermarkt, hadden collega's hem in het voorbijgaan getroost: waar twee vechten hebben twee schuld.
,,Nee, één krijgt er de schuld,” reageerde Knap driftig. ,,Net wie er de baas is.”
Zijn collega keek hem moedeloos aan: ,,Godsamme, jij vraagt er ook om. Altijd maar een mening willen hebben. 't Is hier een krant, man.” Bij het woord supermarkt was er bij hem een bel gaan rinkelen. Hij zou als kleine zelfstandige artikelen met een aantrekkelijke korting bij diverse kranten gaan aanbieden. De CAO en de vakbondstarieven voor freelancers konden hem gestolen worden. Wie twee reportages afnam, kreeg de derde gratis. Er was geen enkele belangstelling voor geweest. Waarom zouden ze nog iets bij hem bestellen als ze met copy/paste een stuk goedkoper en sneller uit waren.
Als hij voor loodgieter had geleerd of een ander soort handwerksman, dan hadden ze tot ver voorbij zijn pensioengerechtigde leeftijd op het arbeidsbureau, of hoe dat tegen die tijd mocht heten, volop slecht betaald werk voor hem gehad. Maar hij zette eerst de hoofdstop af als hij thuis een lamp moest vervangen, hij kon niet eens de klopboor bedienen en hij was met het ijzerzaagje een gevaar voor zichzelf en zijn omgeving. Een weliswaar ongediplomeerde maar ervaren en ter zake deskundige journalist op latere leeftijd, daar was geen vraag meer naar. Journalisten van half de dertig waren al niet herplaatsbaar.
De zorgen om zijn toekomst hadden de stemming in huize Knap behoorlijk aangetast. Hij had zicht op een goed pensioen, maar in afwachting daarvan moest hij nog een hypotheek afbetalen. Hij beschouwde zijn oude hoofdredacteur tevens als een dief, maar dat schoot verder niet op. Zijn vrouw troostte hem telkens met de gedachte dat hij niet de enige was, als er weer een ex-collega van woede en teleurstelling veel te vroeg in de keuken onder de afwas dood op de grond was gevallen. Dan gewaagde de hoofdredacteur in het crematorium graag van zijn persoonlijke bekommernis en droefheid om een leven in dienst van de koningin van de waarheid dat zo gruwelijk abrupt was afgebroken onder zulke tragische omstandigheden. De laatste maanden waren geen hoogtepunt geweest, dat rekende hij, met een gul gebaar en alsof hij elk moment een traan kon laten, de overledene niet aan. Liever gewaagde hij thans echter van diens gevoel voor humor. Helaas, schoot hem niet zo gauw een voorbeeld daarvan te binnen. En dan toch het hart, voegde hij er berustend aan toe.
Nooit iemand die dan opstond om hem een baksteen naar naar zijn hoofd te werpen. Een opperman kon een tennisarm krijgen, de stratenmaker een hernia, RSI werd nog in stand gehouden voor typistes in de overgang, lasogen waren een bekend fenomeen in de metaal, maar een journalist met een krantenhart, daar geloofde helemaal niemand bij de media meer in.
Knap was na zijn gedwongen vertrek nog een enkele collega op straat tegengekomen, op zo een onverwacht moment, dat ze onmogelijk meer rap konden oversteken, gauw geconcentreerd in een etalage kijken, wegduiken
achter een auto. Veel te luid en te hartelijk, alsof ze bij de krant ondertussen een geestelijk defect hadden opgedaan, werd hij gegroet. Graag haalden ze meteen de sterke verhalen tevoorschijn. Als Knap verongelijkt iets terug bromde, riepen ze verschrikt: ,,Laat toch los man. By the way, nu je het er over hebt, jij had zo een molentje op je bureau staan. Weet jij waar dat ding gebleven is? Wil je dat een dezer dagen eens terug bezorgen?”
Dat verdomde molentje met allemaal handige en geheime telefoonnummers die hij in de loop der tijden had verzameld. Knap had het na zijn laatste bezoek aan de redactie met een breed gebaar in de gracht gegooid. Modder bij modder.
Zo was hij ten langen leste en in arrenmoede bij de Hollandsche Nieuwe terecht gekomen waar zijn beloning niet veel hoger was dan wat hij met vijftien dienstjaren al had verdiend. Hij kon geen aanspraken maken op een CAO-loon, dat kreeg hij van Lücker toch nooit. Maar het hielp tegen de grootste financiële zorgen. Kwam bij dat hij van de straat was. Dat stemde vooral vrouw Knap tevreden. Dat was ook wat waard. Hij zuchtte eens demonstratief diep.
,,Ik heb een voorpaginaatje!” De jonge vrouw die twee cabines verderop zat, riep alsof ze van een alarmcentrale was. Knap werd ruw wakker geschud uit al die bijgedachten van 'm. Het was veel te vroeg om over de voorpagina van een echte krant te beginnen. Hij aarzelde: hier golden andere overwegingen. Niet de maatschappelijke relevantie maar de sensatie bepaalde voor een belangrijk deel de volgorde van het nieuws.
,,Hoeveel doden?” reageerde hij licht geïrriteerd.
Hannelore Faas had krullend roodbruin haar met een paar grijze sporen die er ook quasi modieus in de kapsalon doorheen gevlochten konden zijn. Knap vond haar soms dichter tegen een jongedame aan zitten dan tegen de vrouw die zij was en die in de eerste fase van de middelbare leeftijd moest zitten. Naarmate hij ouder werd betrapte hij zich vaker op gedachten vol begeerten. Faas hield haar schonkige schouders meestal opgetrokken alsof zij elk moment een harde stomp verwachtte. Het leek alsof zij wilde dat mannen haar borsten nooit helemaal naar waarde konden schatten. Echte mannenogen werden daar natuurlijk toch heen gezogen.
,,Een afrekening in het criminele circuit. Het staat op Gatochboevenvangen.nl. Ik zie trouwens dat ze het bij Allezwaailichten.com ook hebben. Daar staat zelfs al een mobiel kiekje bij. Mwah, dan weten we in elk geval wie dit jaar World Press Photo gaat winnen. Zal ik onze starreporter sms'en?”
Hiltermann? Knap verschoot ervan. ,,Probeer eerst maar of die snuiter in Lheebroek er wat van kan maken. Het zal onderhand de veertigste liquidatie zijn. Als het bij één dode blijft dan moet je hem maar gewoon op 180 woorden vastpinnen. Kun je hem toevertrouwen. Hij is bijna gratis.” Knap nam een tel pauze in acht. ,,Dit in tegenstelling tot collega Hiltermann.” Hoewel hij de redactiechef was, had hij bij Lücker niets over de beloningen in te brengen.
Te Lheebroek woonde een gepensioneerde postbesteller die een romantisch gevoel voor dramatische berichten had. Bij zijn stukken kreeg Knap bijna medelijden met zowel de dader als het slachtoffer, als de broeders van de GGD, de toegesnelde burgemeester en wie er verder nog werden
genoemd. De gedachte echt journalistiek werk te mogen verrichten, wond hem dermate op, dat hij zich bij zijn aanstelling tevreden had getoond met de belofte van elk jaar net zo een kerstpakket als hij bij de PTT gewend was geweest. ,,Zoek jij dat uit?” had Lücker aan Knap gevraagd. ,,Wat ze er dit jaar allemaal voor troep in stoppen.”
Lücker noemde Faas, als zij buiten gehoorsafstand verbleef, een beetje meewarig 'Frau Antje'. Hij had de eerste keer Kaas verstaan. Lücker moest er een halve dagtaak aan hebben om alles tussen wat hij dacht en hardop zei zodanig te coördineren dat er niet meteen slaande ruzie van kwam. ,,Welke vrouw heet er dan ook Faas. Er is maar één Faas: Wilkes.”
Hannelore Faas was de enige collega met wie Knap min of meer een werkrelatie had opgebouwd: af en toe zaten ze in dezelfde tram. Dan groetten zij beleefd. Hij met een hoofdknik, zij bijna onmerkbaar wuivend. Vage kennissen naar het scheen, van op een groot kantoor. Het laatste stukje liepen ze dan samen op, voornamelijk zwijgend na elk een korte inleiding over het weer.
Zij was 41, wist Knap, hij moest zichzelf niets wijsmaken. Zij was van een andere generatie. Alleen wanhoop kon haar in zijn ontvankelijke, bijna zestigjarige armen drijven. Hij nam niet het initiatief. Hij had volop gerookt en gedronken, maar op dat ene punt, was hij tenslotte altijd in zijn eigen bed in slaap gevallen, of er net voor, op het matje. Als ze nou allebei vijfentwintig jaar jonger waren geweest. Hij aarzelde, want dan zou hij nog net worden opgepakt wegens pedofilie.
Lücker had overwogen om zijn vaste medewerkers in
plaats van een perskaart, want ze kwamen toch niet buiten de deur voor reportages, een naamplaatje te geven, inclusief functievermelding, zoals hij dat bij De Keukenkolos gewend was geweest. Knap had hem ervan overtuigd dat hij zich zo weinig tot de anderen richtte, dat zo een investering zonde was van het geld. Bovendien hadden ze op de redactie van de Hollandsche Nieuwe allemaal dezelfde functie en schreef er niemand onder zijn eigen naam, bijna niemand. Het zou ook geen gezicht zijn geweest, naamplaatjes in de journalistiek. Dat was iets voor de voorlichting.
Hannelore Faas had in de voorlichting gewerkt. Laatstelijk in de tonijn, daarvoor bij het productschap voor de foie gras en om te beginnen bij de kip, althans de VVV van Barneveld. Er was lelijk de klad in haar voedingswaren gekomen, zoals steeds vaker bij de lekkere dingen van het leven. De ene helft ageerde er tegen en de andere helft voelde zich betrapt. Samen mestten zij hun kinderen vet met patat en pizza's. Maar kwam niet aan alle ganzen, de varkens, ruige kippen of sommige vissen, want dan had je bijna het hele volk in opstand. Als je dieren wilde kwellen moest je maar een mug nemen of polo gaan spelen.
De stap naar een gratis krant was voor Faas een kleine geweest, alleen de beloning was schrikken. Zij had uit haar voorlichtingstijd nog volop representatieve cocktailjurken en strakke antracietgrijze rokken overgehouden dat zij als enige niet rondliep in jeans, het werkpak van de journalist. Knap had een paar favoriete jurkjes, zij ook, maar hun voorkeuren overlapten elkaar niet.
Henri Knap nam de voorpagina er nog eens bij terwijl hij aan zijn bureau het broodje gezond at dat hij zelf thuis had
klaargemaakt, zodat de tomaat en de komkommer hem de oude kaas niet van het brood joegen, zoals onder vrouw Knap gebeurde. Vreemd dat het tafereel met die Walker hem in het geheel niet opgewonden had, niet als lezer, niet als journalist en zelfs niet als man met de verbeeldingskracht van een viriele oudere vijftiger. Zijn professionele observaties wonnen het.
Toen hij de krant voor de zoveelste keer weglegde, viel hem ineens op dat de foto's binnenin vanuit een andere hoek waren genomen, hoewel er hooguit een paar seconden tussen de opnamen kon hebben gezeten. Hij bladerde terug. Dat hadden ze niet zelf gedaan met het mobieltje. Zoiets lukte ook niet met de zelfontspanner, zeker niet in beider toestand, daar moest een derde aan te pas zijn gekomen en dan waarschijnlijk ook iemand voor het geluid, een visagist en een opnameleider, alleen geen presentator, maar gezien het succes van zulke opnamen op internet liet die niet lang meer op zich wachten. Bekend Nederland leerde snel. Misschien moesten ze daar naar op zoek. Dat zou een aardige scoop zijn, een filmbedrijfje dat gespecialiseerd was in dit soort klussen voor dat soort lui. Dan zou natuurlijk blijken, grinnikte hij, dat zij tevens werden ingehuurd voor de kersttoespraak van de koningin. Het omgevallen smaakvolle plastic bloemstuk bij Walker op het nachtkastje was bekend van majesteits werktafel.
,,Lheebroek antwoordt nog steeds niet. Hij zal toch niet dood zijn. Dan hebben we wel een primeur, al zullen we natuurlijk eerst de familie informeren. Toch?” Faas had het schalks tegen haar chef. Ze bewoog tegelijk haar hoofd buiten haar bebouwde kom overdreven zorgelijk heen en weer. ,,Toch maar Hiltermann bellen?”
Hannelore Faas wist dat Knap niet alleen een hekel had aan die orkaan van lawaai, die schreeuw om aandacht die Hiltermann was, maar dat hij ook vrijwel niets over hem te zeggen had. Hiltermann had bij een populair, danig geïllustreerd weekblad gewerkt waar hij sensationele reportages voor had geschreven. Zelfs Lücker had er zich een paar herinnerd over moord en doodslag en vaak een van verre herkenbare schurk van een dader die liefst nog steeds vrij rondliep. De politie kreeg de zaak niet rond of had wel wat beters te doen, naar het scheen. Zulke omstandigheden gaven de journalist de vrijheid om de moord, de bijbehorende feiten en het milieu zo woest te schilderen als in zijn kraam te pas kwam.
Er was stevig de klad in Hiltermanns carrière gekomen toen hij door een drankprobleem gecombineerd met zijn liefde voor de opera zelf een berichtje in het lokale nieuwsblad was geworden. Offenbach mocht hij graag zingen, alleen niet van de omwonenden en in zijn toestand 's nachts om half twee hangend aan de rand van de fontein bij hem op het dorpsplein. Een zware kuur, twee dagen thuis omdat hij dacht dat hij ervan af was en toen hij de hele bliksemse boel kort en klein had geslagen, volgde een gedwongen langdurige opname, een verhuizing, gevolgd door een nieuwe vrouw, een andere in elk geval, en de aanschaf van een dure rashond die driemaal daags twee uur uitgelaten moest worden. Zo was hij van de ergste bijverschijnselen verlost. Maar hij bleef luidruchtig alsof hij de hele dag boven zijn theewater was.
Hiltermann mocht van Lücker zijn eigen gang gaan. Chef redacteur Knap was alleen verantwoordelijk voor zijn woorden, zoals een minister-president voor de kroonprins.
Knap zuchtte vermoeid richting Faas. ,,Ik bel 'm wel.”
In de dagen dat Knap het eerste nummer van de Hollandsche Nieuwe voorbereidde, had Hiltermann luid lopen opscheppen over hoe hij ooit in de journalistiek iemand van naam en faam was geworden. Dit in tegenstelling tot Knap die slechts een bureaumannetje was gebleven. ,,Niets ten nadele van jou, maar wij zijn van een ander soort.” Hij vergat dat tegenwoordig bijna de hele journalistiek uit bureaumannetjes bestond en bureauvrouwtjes natuurlijk.
Hiltermann had op onnavolgbare manier aan carrièreplanning gedaan. Hij had de driejarige MULO in vijf jaar en toen nog steeds zonder goed gevolg doorlopen en was op voorspraak van een vriendje verkoper geworden in een winkel in elektronica, veel illegaal spul voor de aankomende wetsovertreder. Met alleen lagere school had hij het als verkoper waarschijnlijk niet veel beter gedaan. Knap waagde het niet hardop te zeggen dat het Nederlandse onderwijs een stuk goedkoper zou uitpakken als alle partijen zich erbij neerlegden dat groep acht voor zeker vijftig procent van de bevolking eigenlijk al te hoog gegrepen was. Niets meer aan doen. Zonde van het belastinggeld. Aardbeien plukken, asperges steken, de straat schoon spuiten, het vrachtwagenrijbewijs halen, hoewel dat risico's meebracht. Bij een echte krant zou hij er in sarcastische bewoordingen over zijn begonnen op de dagelijkse vergadering maar bij de Hollandsche Nieuwe liet hij dat achterwege. Hij vermoedde hoe Lücker dat meteen uitgebreid aangepakt zou willen zien. Hij had zelf geen kinderen, net als Knap, maar hij won het wel van zijn chef redacteur in minachting voor alle generaties na hem.
In die slordig volgestouwde elektronicawinkel in een souterrain nabij het havenfront was Hiltermanns belangstelling voor de politiescanner gewekt die er de hele dag aan stond. ,,Als ze naar Veronica hadden geluisterd, was er nooit wat van mij terechtgekomen. Nou ja, DJ dan.”
Toen hij op een dag hoorde van een vechtpartij, honderd meter verderop, waar het hoofdbureau twee politiewagens op af had gestuurd, twee wagens was serieuze ellende, had hij nog net de laatste karatetrappen gezien. Onvoorzichtig afslaande taxichauffeur versus gevallen fietser. In de hoofdstad een verantwoorde aanleiding voor een derde wereldoorlog. Hiltermann had gerend, gedreven door de opwindende gedachte getuige te zullen zijn van een echt misdrijf in ontwikkeling. Niet dat hij wilde optreden als vredestichter of getuige, hij wilde alleen op de eerste rij staan. Daaraan zag je dat hij geschapen was voor de journalistiek. ,,Het orgasme tussen de oren, Knap. Als dat op jouw leeftijd nog wat zegt.”
Bediende Hiltermann had tegen inkoopprijs de modernste scanner aangeschaft. Een forse zwarte bak die eigenlijk verboden was omdat zelfs de CIA er op af te afluisteren scheen.
,,Je hebt 'm niet van mij,” had de eigenaar gewaarschuwd toen hij de doos aanreikte. Het personeel had voor elke klant een gefluisterde tip of een ernstige waarschuwing paraat, waardoor zij het laatste zetje kregen voor de aankoop van een paar dure, vrijwel nutteloze accessoires waar ze anders maar mee waren blijven zitten. Hiltermann was niet geïnteresseerd in meer verboden extra's, wat moest hij met de CIA?
De eerste weken had hij thuis geluisterd. Hij was een
enkele keer op zijn bromfiets uitgerukt naar de plaats delict als het een beetje in de buurt was, maar hij kwam meestal te laat. In die tijd stak hij op de hoek nog zijn hand uit en wachtte hij voor een rood stoplicht. Alleen de met krijt getekende contouren van het slachtoffer stonden nog op het asfalt als hij eindelijk aan kwam kakken, als het tenminste niet geregend had.
Daarna had hij een oude Volkswagen gekocht waar hij luid toeterend mee door de stad scheurde en toch al twee keer bijna een onvoorzichtig overstekende burger op een zebrapad geschept. ,,Ik zei tegen mezelf: het wordt onderhand tijd dat jij je rijbewijs gaat halen, anders wordt het nooit wat met je.”
Toen hij zijn eerste zelfmoordje had, onder de kenners klonk elk incident of drama naar een kleinigheid, begreep hij dat hij voortaan een fototoestel moest meenemen om te kunnen bewijzen dat hij het nieuws van de grote stad als eerste had gezien. Hij vond zichzelf uit als paparazzo. Het ging die keer om een jonge vrouw die van het dak was gesprongen en er letterlijk open en bloot bij lag. Daar zag je nooit een foto van, want zulke kranten bestonden hier niet. In Griekenland al wel, wist hij van zijn laatste vakantie. ,,Als een moordenaar daar zijn vrouw aan stukken heeft gesneden, probeerden ze er op de fotoredactie toch nog een mooi wijf van te maken.” Zulke kranten moesten op den duur ook deze kant op komen, dacht hij. Hij had af geknipt. En toen gauw de bosjes in om te kotsen.
Hiltermann was fotografen gaan herkennen die gelijk met hem kwamen aanscheuren, allemaal een grote bek, verblindende flitslichten, schelden op passanten die in de
weg liepen, maar altijd goede maatjes met de politie, de brandweermannen en ,,die homo's van de ambulance.” Hij had de nieuwste scanner door een vriendje laten inbouwen. Zo werd hij ingewijd in de geheimen van de bloedgroep.
Ze verzamelden zich midden in de stad op een parkeerterrein. Mannen en een enkele vrouw. Vette lange haren, trainingspakken, dikke buiken, tatoeages, blikjes bier, alsof het er een camping aan zee was. Maar ook vreemde heertjes in het pak die om uiterlijk twaalf uur thuis moesten zijn. Laffe branieschoppers in lederen jacks. Malloten, ruziezoekers. Geelblonde vrouwen met enorme boezems die soms twee sigaretten tegelijk aan hadden, knalrode lippen, rinkelende oorbellen, schelle stemmen. Een koppeltje schuchtere verpleegsters dat vaak te laat reageerde omdat ze zaten te vrijen. Ze hadden allemaal hun scanners luid aan staan. Er werden moppen getapt en sterke verhalen verteld terwijl ze met één oor elke melding van het hoofdbureau taxeerden. Per avond ging er een baaltje zware shag doorheen, per persoon. Als het ze wat leek, spoten ze er zonder groeten vandoor. Ieder probeerde een eigen specialisme te ontwikkelen. Maar meestal gingen ze achter elkaar aan als jonge eenden achter hun moeder, in de hoop dat de voorste de weg wist. Zoveel gebeurde er ook weer niet in de stad.
Naarmate de nacht vorderde, werd het stiller hoewel de aard van de incidenten dan juist ernstiger werd, gewelddadiger, bloederiger. Maar de meesten moesten 's morgens vroeg gewoon aan het werk of zich op tijd melden voor hun uitkering of de methadon.
Hiltermann schoot zijn foto's aanvankelijk voor zijn plakboeken. Zoals anderen de Rizlaplaatjes spaarden of die
voor de Verkade-albums. Eens per week haalde hij ze bij de fotohandel op. Hij moest er voorzichtig mee omgaan. De rolletjes waren duur en dan nog de kosten van het ontwikkelen, afdrukken, vergrotingen laten maken. Hij had al gauw een mooie verzameling bebloede koppen, vechtersbazen in de boeien, kwaaie hoeren, uitgevloerde dronkenmannen, brutale diefjes, gluiperige zakkenrollers, branden natuurlijk en volop verkeersongelukken. Hij had twee pronkstukken. Een zichtbaar in staat van ontbinding verkerend lijk dat uit de gracht werd gevist en de voeten van een zwerver wiens schedel ingeslagen was door een medebewoner in een slooppand. Had hij nog net om de hoek van de keuken gekiekt terwijl zo'n jonge lummel van de politie hem probeerde weg te trekken. Normaal had hij gevloekt, zich losgerukt of desnoods geslagen. De vakman in hem paaide de agent met de belofte van een afdrukje. Een relatiegeschenk voor de hulptroepen die er op afgebeeld stonden. Zoals hij dat van collega's gehoord had.
Hij had zijn plaats in het leven gevonden. In uitzonderlijke gevallen ging hij met zijn rolletje meteen door naar een van de kranten. Of ze het daar wilden ontwikkelen om te zien of er voor hun wat interessants op stond. Het was hem nooit gelukt om een foto te verkopen. Bij de anderen was het ook zelden raak, wist hij. Want er werd getrakteerd als er een foto geplaatst was.
Hij was werkloos geraakt nadat hij tot diep in een winternacht bij een brand was blijven hangen, hopende op een schitterend ijspegeldecor, maar de dooi viel net in. De volgende morgen had hij zich voor de zoveelste keer verslapen. ,,Dat kan ik er niet bij hebben,” had zijn baas gezegd, die zelf nooit voor tien uur verscheen. Hij had
geen afvloeiingsregeling paraat maar wel een advies voor bij de sociale dienst: vage klachten over zijn rug. Dat hield aanvankelijk de uitkering op peil. Toen moest 'ie toch wat.
Lücker had Hiltermann zonder overleg met zijn redactiechef, hoewel die daar praktisch toch over ging, benoemd tot de 'starreporter' van de Hollandsche Nieuwe Courant. Toen hij het Knap vertelde, had Lücker het woord met groot ontzag uitgesproken alsof Hiltermann niet in de krant schreef maar zijn brood verdiende met kunst en vliegwerk.
,,Starreporter? Hoe kom je daar nou weer bij?” had Knap verbaasd geantwoord. Die functie was in de dagbladwereld al zeker dertig jaar geleden opgeheven, als het er geen veertig waren. Het bleek natuurlijk een eis te zijn geweest van Hiltermann zelf. De bloedgroep had ontzag gehad voor één journalist die soms met ze kwam praten op stille avonden. Het was een onopvallend mannetje dat de penoze als specialisme had. Hij was een keer door wat pooiers op de Wallen in het water gejonast. Geintje van de mannen, tevens een waarschuwing. Dat hij wist wie er de baas was. Een van de vaste leden van de bloedgroep had het vol ontzag over 'onze starreporter' gehad.
Hiltermanns ogen waren gaan schitteren. Hij had de volgende dag de starreporter brutaalweg op zijn krant gebeld en na een kort gesprek mocht hij voor hem beginnen als stringer, als tipgever met een minimale vergoeding. Scheurde hij naar een incident, moest hij tegelijk in de gaten houden waar de dichtstbijzijnde telefooncel was, voor het geval het iets voor in de krant kon zijn. Hij was ijverig en leergierig. Een jaar later kon hij aan de slag als leerling-verslaggever. ,,Eerst maar eens
koffie halen, knul.” Journalistenmulo's, die had je in die tijd nog amper.
De steeds hoorbaar aanwezige nieuwste starreporter had zichzelf langs twee dagbladen en een weekblad opgewerkt tot waar hij zich nergens meer wat van de rest van de redactie hoefde aan te trekken. Hij stelde zijn eigen prioriteiten, diende steeds torenhoge onkostennota's in, telefoneerde vanuit het buitenland collect call en kwam soms inderdaad af met een aangrijpende reportage over de hoofdstad van een doodarm land. Alsof het een oude Romeinse schat was overhandigde hij zijn jongste productie persoonlijk aan de hoofdredacteur. In de nabijheid van zijn onderwerpen werden grootse werken verricht door die van Shell, Philips, Unilever, KLM of de bergers van Smit Tak. Datzelfde verhaal, min of meer, verscheen een paar weken later in een bedrijfsglossy van de baggeraar of de benzinemaatschappij. Dan heette het daar ineens een schitterende exotische stad zonder één pauper, met een veelbelovende toeristenindustrie en een mondaine wijk vol buitenlandse diplomaten, met tot diep in de nacht dreunende disco's, luxe hotels met verfijnde keukens, tropische zwembaden en op elk oneven nummer was een nachtclub gevestigd. De starreporter, wiens naam er in vette letters steeds boven stond, was tevens de grootste schnabbelaar van het spul. Foto er bij van toen hij nog een dunne Franse snor had. Alle collega's had hij op de verzendlijsten laten zetten. Die bladerden er vol afgunst doorheen.
Knap herinnerde zich uit zijn beginjaren de laatste collega starreporter bij hem op de krant als een man met een enorme grijze kuif die steeds van links naar rechts als een
tsunami over zijn hoofd denderde: een oude broeder van de natte gemeente, van verre herkenbaar. Eerst gooide hij alles daar boven met een korte, felle hoofdbeweging naar de andere kant, dan spreidde hij zijn vingers als om niets te laten ontsnappen en wierp het zaakje weer terug. Daar zag je het aan, zo deed alleen een echte starreporter.
De starreporter was tevens een lawine van lawaai. En hij keerde alleen terug in het land om thuis een kindje te maken. Hij had er ondertussen zeven en er was er weer een op komst.
,,Laat eens zien,” had een vrouwelijke collega belangstellend gevraagd. Maar hij had geen foto van zijn nakomelingen paraat. ,,Vader zorgt dat ze elke dag goed te eten hebben. Moeder hoeft het alleen maar warm te maken.”
Op reportage liet hij zich meestal vergezellen door de iele, kortharige, nepblonde fotografe Karin. Die naam had Knap onthouden. ,,Hoewel ik zelf niet geheel onbekwaam ben in het bedienen van de Kodak, geef ik de voorkeur aan een capabele jongedame.” Hij bulderde. ,,Zoals bij meer belangrijke dingen in dit leven!” De sterkste verhalen bewaarde hij voor mannen onder elkaar in de bruine kroeg. ,,Cameriere! Hier! Nog eens de ronde!” Bij het verlaten van het café spiedde hij altijd naar bonnetjes die andere klanten hadden laten liggen. Kon van pas komen bij het invullen van de onkostennota.
Telkens als de starreporter achter zijn vodden werd gezeten, had hij van de weeromstuit helemaal nergens meer tijd voor. Liefst was hij dan juist met iets voor het kerstnummer doende. ,,Krijgt vorm. Houd alvast twee pagina's gereed. Drie! En de cover! Onderwerp volgt!”
Dan was het pas begin september. Die maand stond er een complete kerstboomversiering op zijn onkostennota, want hij had gelezen dat ze het bij de Avenue zo deden, midden in de zomer brainstormen over de kerst. Gordijnen dicht, boom erbij, kaarsen aan, de hoofdredactrice had de vorige avond zelf de kerststol moeten bakken. Dan kwamen de beste ideeën naar boven. De starreporter behielp zich samen met Karin nabij een vaasje met plastic bloemen met een mooie fles Chablis 1956.
De meeste starreporters waren afgeschaft of afgevoerd, maar de hoofdredactie waagde het niet om bij hem, met zijn netwerk, de zeis erover te halen. Hij mocht wachten op zijn pensioen. Achteraf wist niemand meer of hij dat gehaald had. Het scheen dat hij de laatste tien jaar betaald was hoewel hij zich niet meer had vertoond. Wel bleven zijn verhalen verschijnen in de bedrijfsbladen van de kurken waar de economie majestueus op dreef. Laatstelijk scheen hij gespecialiseerd in prijzende artikelen over bekende captains of industry terwijl die ambitieuze projecten op verre locaties inspecteerden.
Op een dag, als een teken des tijds, zonder afspraak of bevel, bleken alle starreporters van deze wereld vervangen te zijn door de eerste lading brutale, tot een zeker mate van veronderstelde vakbekwaamheid opgeleide verslaggevers van de journalistenmulo, stuk voor stuk gespecialiseerd in de participerende journalistiek. Ook luidruchtig, eerst een snor en lang haar, daarna een kale kop en toen wachten op de nieuwe mode. Het vak was definitief veranderd en ondergeschikt gemaakt aan trends en andere tijdelijkheden. Hun beste producten waren nooit bij benadering zo goed geschreven als die van de gepokt
starreporters. Maar opzienbarender door hun onderwerpen: vaak iets met krakers, anarchisten, malle godsdienstige sekten of liefdeloze seks. Daar had de oude starreporter zich verre van gehouden, behalve van dat laatste dan, maar daar deed hij alleen verslag van in de kroeg. Het ging over een snel veranderende wereld waar de lezers vaak een beetje bang voor waren. De journalisten speelden daarin zelf de hoofdrol, zij waren de helden en tevens de gediplomeerde en onbevooroordeelde waarnemers. Nog wel vaak te vinden achter een dikke boom.
Pas als de politie ten tonele verscheen, werd er gezwaaid met de officiële perskaart, zoals een keukenmeid in Transsylvanië met een streng knoflook naar een vampier. Ze hielden hem zo lang mogelijk in hun binnenzak, want de politieperskaart maakte een verslaggever verdacht bij veel van zijn toch al snel opgewonden geheime informanten. Maar een journalist was pas iemand in het vak als hij een door de hoofdcommissaris en de burgemeester ondertekende politieperskaart bezat.
En dan nog. Als het een beetje hectisch werd had de politie ineens geen boodschap aan z'n eigen kaart: ,,Opgesodemieterd, achter de hekken. Zoiets kan iedereen namaken.” Het was de tijd dat elke agent nog voor zichzelf kon beslissen waar hij een boodschap aan wilde hebben. ,,Opgedonderd!” Anders haalde hij de lange lat er over. Dan gingen ze wel. In die tijd had de politie per definitie gelijk. Als zo'n persmuskiet een mep had gekregen en zijn blauwe plek toonde, zei zijn hoofdredacteur: dan zal je het er wel naar gemaakt hebben.
De participerende journalisten viel achteraf het een en ander te verwijten over de teloorgang van het vak, maar
niet zoveel als de nieuwe afdeling undercoveroperaties, een aanvankelijk meewarig bekeken afwijking die ook uit Amerika was komen aanzetten. In de VS was elke vrijheid onbeperkt als er maar geen bloot bij te pas kwam. En de god van Abraham, Isaac en Jacob, die was ook een heikel puntje bij de exploitatie van de vrijheid van meningsuiting.
In Nederland bestonden voor de journalistiek strenge regels, want het was altijd een voornaam beroep geweest dat aan de allerhoogste normen moest voldoen. De eerste vloedgolf van het volkje dat zich razendsnel gespecialiseerd had in het verkleden alsof het bij hun op het blad elke dag carnaval was, moest het van onnozelheid en arrenmoede voornamelijk hebben van lagere beambten en zielige wethouders ergens achter in de provincie die ze in hun nog lulliger valletjes lieten lopen. En anders sjouwden ze rond met de hoofden van verduisterde lijken. Ze lootten er om wie de jaarlijkse Engelse nepgeneraal mocht spelen bij de intocht van de Vierdaagse. Of ze paradeerden met een vervalste uitnodiging op een officiële bijeenkomst met de koningin. Ze hadden haar toen al dood kunnen maken als ze gewild hadden, meldden ze het thuisfront. Twee journalistieke vliegen in een klap.
Over de publiciteit gingen ze zelf, dus gescoord werd er, ongeacht de afloop der gebeurtenissen of de futiele feiten. Meestal werden ze al bij de deur tegengehouden. Telkens wanneer ten gevolge van zo een soort reportage ergens de bewaking werd aangescherpt, klaagden ze dat het hier onderhand Rusland begon te lijken.
Wat later kwam nog een aanvullende mode uit Amerika overwaaien die zelfs van de grootste nul een verse starreporter kon maken: de onderzoeksjournalistiek. Knap
huiverde bij zoveel aanstellerij, die waarschijnlijk nooit meer zou over gaan, want één telefoontje vonden sommigen al een diepgravend onderzoek. Door het genre apart te benoemen en toegang te geven tot alle deelgebieden op de redactie steeg de status snel voorbij die van welk specialisme of welke deskundigheid ook. Eén grote bek won het makkelijk van vijf jaar ervaring. Watergate was de soort vooruitgesneld. Met veel fanfare zetten de eerste kranten twee mannen apart die toch al nooit veel uitvoerden en noemden het koppel trots hun afdeling onderzoeksjournalistiek: ,,U gaat van ze horen!”
Het konden er maximaal twee zijn, daar er ook nog een krant gemaakt moest worden. Visitekaartjes erbij, computers, mobiele telefoons, samen één werkhok op de gang. Het mocht wat kosten. 'De onderzoekhomo's', fluisterden collega’s. Knap schudde meewarig het hoofd als hij dat woord ergens zag staan, onderzoeksjournalist. Tot voor kort heette dat een lachwekkend pleonasme.
Het soort dat al gauw overal de kop had opgestoken, voelde zich een superieure richting in het vak dankzij de steun van hun hoofdredacteuren, die hardop droomden van hun eigen doorslaggevende aandeel in een niet aflatende stroom van sensationele primeurs en schokkende onthullingen over misstanden in kerk, maatschappij en politiek waar dan ook ter wereld maar om te beginnen bij hun thuis op het dorp. Zij plaveiden de weg voor de koningen van het genre, die triomfen vierden bij het schandaal van de doofpotcultuur op het stadhuis van Zundert. Of waren zij van het ontbrekende bonnetje van die wethouder te Twello, die ook al zijn lekke fietsband (achterwiel!) had laten repareren op
kosten van de gemeenschap? En hij ging gratis naar de lokale zaterdagamateurs, werd gefluisterd. Tweede klasse, maar het ging om het principe.
,,Ja, nee, ik ben zeker gek, dat wij bijna al ons geld op deze revolutionaire ontwikkeling in het vak zetten?” Zijn hoofdredacteur had gepikeerd gereageerd toen Henri Knap weer wat meewarigs had gezegd over de bombarie vanwege een of ander onderzoeksnieuwtje dat met heel veel moeite was opgepompt tot een primeur waar de krant mee kon openen en waar daarna nooit meer iets over werd vernomen. Knap had een vermoeden van de kosten en hij wist ook wat voor prachtig werk daar op allerlei ander redactioneel gebied van verricht had kunnen worden. Hij begon er maar niet meer over.
De soort had oncontroleerbaar veel tijd nodig voor onduidelijk werk dat ze zelf meestal als belangrijk en hoogst geheim bestempelden. Logisch zei Knap, ze zitten te wachten tot iemand ze weer voor hun karretje spant. Ze waren gespecialiseerd geraakt in opzettelijk lekkende lagere ambtenaren, in ingestoken verhalen van juridische adviseurs, in directieven van advocaten, in gewone achterklap, verraad, wraak, de gevolgen van scandaleuze scheidingen en anders opvallende vormen van maatschappelijk wangedrag waar met een beetje versiering een profijtelijke draai aan gegeven kon worden voor de lekkende partij.
Als ze een tijdje verdacht weinig hadden geproduceerd, zochten een onderwerpje waar ze een WOB-procedure aan konden wagen. Een beroep op de wet openbaarheid bestuur was altijd raak, want dan had de overheid dus iets te verbergen, anders hadden ze de informatie wel op het
eerste bevel gegeven. Driekwart van het gelijk was al binnen en over de publicaties gingen ze zelf. Dat onderzoeksvolk, dat was nog eens wat anders dan de gewone journalisten, schilderde Henri Knap spottend hun wereld, al die simpele inktkoelies met hun korte termijn denken, hun tienregelige artikeltjes, hun onbegrip, hun gebrek aan eigendunk, hun nieuwsgierigheid als van een praatzieke buurvrouw en dan zat er soms ook nog een tussen met een kritische inslag, maar niet zo vaak meer.
Toch moest ergens iemand onraad geroken hebben, merkte Knap. Want al kort na de introductie en nog zonder een noemenswaardige onthulling op hun conto hadden ze gezamenlijk en met voorbijgaan aan het profiel van hun eigen krant de internationale vereniging van onderzoeksjournalisten opgericht. De soort had zichzelf definitief losgeweekt van de rest van de redactie.
Zo een vereniging steeg ver uit boven het belang van de journalistenvakbond: druk met vergaderingen in Scheveningen, Europese congressen in Brussel, meerdaagse symposia met copieuze lunches in Parijs, excursies te Madrid en als kers op de taart de jaarvergadering te Napels waar elk land over alle andere trompetterde dat de Europese onderzoeksjournalist op een zeldzaam hoog peil stond. Het scheelde niet veel of Amerika kon er een voorbeeld aan nemen. Een ovatie uit de zaal. Iemand moest het hardop zeggen. Waar het geld voor die bijeenkomsten vandaan kwam? Geen mens had tijd om dat behoorlijk te onderzoeken. Als het vakblad maar aandacht besteedde aan het volgende congres, kregen zij voldoende inschrijvingen en publiciteit voor hun sponsors, waardoor zij die dagen niet van honger en
verveling om zouden komen, en waarmee zij weer gedekt waren voor de langdurige afwezigheid van hun onderzoeksresultaten in hun eigen krant.
Knaps cynisme was gevoed door de directiesecretaris van zo een sponsor die hij op een dag aan de telefoon had gekregen. Hij had gevraagd naar Knaps hoofdredacteur, maar die had net zijn eigen jaarvergadering. Daarop las de secretaris op dicteersnelheid een benoeming bij de multinational voor. Knap vroeg na verloop van tijd of dat het was en legde neer. Hij had vaker idioten aan de lijn.
De volgende morgen werd hij uit bed gebeld door de onderzoeksjournaliste van de krant, want toen had je ook al een enkele vrouw die zich erin bekwaamde. Wat of hij niet dacht met zijn rode potlood, of hij soms in zijn eentje bepaalde wat of er belangrijk was, ja? ,,Dit gaat over mijn volgende primeur, ja! Daar heb jij je niet mee te bemoeien. Ja!” De onnozele benoeming stond een dag later alsnog op de pagina economie, met een pasfoto erbij van de gelukkige, nieuwe onderdirecteur logistiek voor de hele Benelux. De primeur die daarbij had gehoord was bij Knaps weten nooit verschenen.
Vooruit, kon Knap sindsdien glimlachend toegeven, er waren, landelijk gesproken, in al die jaren mogelijk twee, drie onthullingen geweest die iets meer waren dan een eendagsvliegje, waar mogelijk meer journalistieke arbeid achter zat dan alleen een tip van een boze portier, een stiekem aangereikte boekhouding of een copieuze lunch met een gaandeweg dronken voorlichter.
Heel jammer dat zulke onderzoeken zelden andere kranten bereikten of de grens overgestoken waren, of dat één zo'n onderzoeksjournalist bekend was geraakt buiten
zijn kring van vrienden en familieleden. Als er desgevraagd spontaan een onderzoeksjournalist werd genoemd, dan was het altijd dezelfde. Een die in de jaren zeventig, ruim voor de slechte en ordinaire namaak losbarstte, op eigen houtje bij een weekblad de echte onderzoeksjournalistiek had bedacht. Iedereen kende daarnaast die vent van de hoofden, maar dat vonden ze zelfs bij zijn eigen omroep eerder een kwibus. Knap noteerde tevreden: ,,Hij rookt als een schoorsteen, hij zuipt als een ketter, hij zit de hele dag achter de wijven aan, maar daar ben je niet meteen een topjournalist mee. Zulke dingen doet de vakman er bij.”
Het was daarna op alle fronten van de journalistiek, maar vooral op de televisie, alleen maar erger geworden van de aanstellerij en de eigendunk. 's Morgens knipte zo'n eindredacteur te Hilversum een berichtje uit de krant, stopte het een medewerker in de knuisten en stuurde hem op pad om drie toevallige omstanders naar hun mening vragen over de nieuwe parkeertarieven bij hun op het dorp. ,,Ah, chef, onderzoekswerk, mooi.”
Ze hadden elke week een uitzending dus dat was stevig aanpoten. 's Avonds las dan een keurig heertje, dat het net zo goed had kunnen proberen met zang, dans, het weer of op de schaats, vanaf een briefje, dat hij demonstratief voor zich hield alsof het de troonrede was, wat voor filmpje er nu in de actualiteitenrubriek ging komen en aan het slot las hij voor wat voor filmpje het was geweest. Zo'n klusje werd vroeger gewoon door aardige of mooie vrouwen opgeknapt die omroepster werden genoemd, 'tante Hannie' heetten en ten afscheid lachend naar de kijkers zwaaiden.
Henri Knap had zich bij de Hollandsche Nieuwe helemaal
kunnen vinden in het voornemen van Joop Lücker om geen cent uit te geven aan een onderzoekskwast. Het was voor Knap het ongemakkelijkste onderdeel van zijn nieuwe baan: te vaak was hij het eens met die halve analfabeet boven hem. Zo'n vak was het geworden, dat iedereen het zonder enige kennis van zaken, tot zelfs die Keukenkolos aan toe, het meestal bij het rechte eind kon hebben.
Knap toetste de H van Hiltermann weer in op zijn mobiel en las ondertussen snel de onderwerpen op nog een site met het laatste nieuws. Allemaal oud nieuws. Hij schrok toen de starreporter meteen opnam.
,,Waar ik zat? Ik zat in zo'n moderne van overheidswege gekeurde kwaliteitstaxi waar ik niet in mag roken, niet in mag bellen en god weet wat nog meer niet als ik mijn meisje bij mij heb. Ik mag alleen spreken met de bestuurder. Feest! We kwamen in een opstopping terecht. Want de kwaliteitstaxi mag ook geen sluipwegen nemen!” Hij hapte even naar adem. ,,Motor tegen de tram. Ik heb een kwartier lang mogen toekijken hoe die ziekenhomo's de ledematen telden tot ze dachten dat ze het slachtoffer zo'n beetje bij elkaar hadden. Ik sta voor het Olympisch Stadion, ik word verwacht in het restaurant voor een belangrijk interview, en jij Knap, jij valt mij lastig met een spoedje. Het zal mij ten zeerste benieuwen.”
,,Waar was je naartoe onderweg?”
,,Daar kan ik niets van zeggen. Wordt iets voor het kerstnummer. Noteer dat zo vast: de cover, minstens twee pagina's, drie!”
,,Wij maken bij de Hollandsche Nieuwe Courant geen kerstnummers. Maar als je 180 graden draait, zie je in de verte achter de roodwitte linten de jou bekende partytent
staan. Daar heeft een uur geleden een liquidatie plaatsgevonden.”
De starreporter vloekte. ,,Dan heb ik er niets meer te zoeken. Jij zult het moeten doen met wat jij hebt, Knap. Laat zo een provinciale knoeier van jou de zooi overtikken en dan pik jij straks de persconferentie op het hoofdbureau maar van teletekst. Allemaal klaar, allemaal blij.”
Hiltermann foeterde wat na over het publiek dat geen belangstelling meer had voor een ernstig incident. Alsof dat zijn werk zwaar devalueerde. ,,Je moet tegenwoordig overal meteen een atoomaanval van maken anders lopen ze gewoon door.” Vroeger zorgde elk ongeluk langs de openbare weg voor een oploop, die duurde tot lang voorbij het vertrek van de hulpdiensten. Dan wisten ze een kilometer voor de plaats delict al dat er iets ergs loos was. Tegenwoordig had iedereen al zoveel ellende en ongelukken gezien op de tv en op internet, dat alle sensatie er van af was als het laken over het slachtoffer lag. Dat was het eerste wat de agenten moesten doen: niks bekeuringen, eerst een laken erover. Bij een zwaar verkeersongeluk plaatsten ze onmiddellijk grote zwarte schermen opdat het publiek niet met al die ellende geconfronteerd zou worden. Terwijl Knap een opvoedende waarde toekende aan het zicht op wat er van de mens rest als zo'n bumperklever zonder veiligheidsgordel, mobieltje aan het oor, vol bovenop een voorganger was gevlogen. Het verkeersongeluk was in de media teruggebracht tot eigenlijk alleen een schadegevalletje. Heb ik de groene kaart bij me?, vroeg een automobilist zich eerst af.
,,Moment, Knap,” interrumpeerde Hiltermann. ,,Ik zie mijn collega Janssen staan.”
Hiltermann had blijkbaar de contouren herkend van Jan J. Janssen jr., de bekendste misdaadjournalist van het land. Hij stond er ongetwijfeld ontspannen bij met die superieure glimlach van 'm alsof hij, in tegenstelling tot die knoeiers van de politie en al zijn uitgerukte collega's, de toedracht, de naam van het slachtoffer, die van de dader en het tijdstip van de begrafenis reeds kende. Alleen nog even monteren en dan had hij weer een uitzending gereed.
,,Knap? Werk gaat voor het meisje. Vrij vaak dan toch. Ik maak speciaal tijd voor deze zaak. Je hoort van mij.”
Jan J. Janssen jr. was geen concurrent voor Hiltermann. De starreporter maakte hem alleen per ontmoeting wat groter om zo hangend aan zijn jaspanden en zonder noemenswaardige inspanning of succes zelf te kunnen groeien tot voorbij het punt waarop collega's nog meesmuilden om die zogenaamde starreporter van de Hollandsche Nieuwe.
Jan. J. Janssen jr. was vooral bekend geworden van de televisie. Hij grossierde in tipgevers uit de onderwereld, hij kreeg hulp en bijstand van advocaten en hij had goede contacten met onderknuppels in het politieapparaat die altijd wel een collega in de buurt hadden die ze een hak wilden zetten. Het leek af en toe alsof het hele politiewerk uit stommiteiten van domoren bestond. Maar soms had hij ook ineens de meest geniale smeris van het hele land bij de kladden. In sommige kringen werd dit netwerken versleten voor de hoogste vorm van journalistiek.
Janssen jr. werd regelmatig onderdanig geïnterviewd door collega's die hem tot de kaste van de bekende Nederlanders rekenden. Hij werd in discussies gevreesd om zijn verbale agressie die optrad zodra hij last had van een
kritische benadering van gene zijde van de tafel. Schreef een collega een kritisch stuk waar hij desnoods terzijde in voor kwam, dan spande hij meteen een kort geding aan dat hij verloor, maar dat in elk geval voldoende publiciteit genereerde om de angst er bij de rest van het journaille in te houden. Janssen jr. had een diepe minachting voor al zijn collega's, trouwens voor iedereen op de wereld. Niemand had ooit gehoord van een Jan J. Jansen senior waar hij blijkbaar niet mee verward mocht worden.
Henri Knap vond dat hij nog niet eens voldeed aan de minimumeisen die aan een journalist gesteld mochten worden, maar zulke opvattingen deden er in het moderne publiciteitscircus in het geheel niet toe. Zijn opdrachtgevers prezen Janssen jr. om zijn kijkcijfers.
,,Knap?” Hiltermann hing nog aan de lijn. ,,Als mijn vriendin belt om te vragen waar ik zit: jij hebt geen flauw idee. Ja? Ik ben achter het nieuws aan.”
Tegen de tijd dat Knaps dagdienst er op zat, had Hiltermann zich nog steeds niet opnieuw gemeld. Dat de avondploeg zijn verhaal dan maar een plaatsje moest geven. Terwijl hij zijn jas aantrok, zag hij dat Hannelore Faas al weg was. Geen idee waar het ineens vandaan kwam, maar hij zuchtte demonstratief van weemoed en tersluiks verlangen.
Morgen weer een krant.
Nog zo een nadeel van een gratis krant: Knap moest al voor het ontbijt de deur uit om bij een benzinepomp op dik tien minuten lopen een exemplaar op te halen, dat mocht je geen aanschaffen noemen. Kon hij nakijken wat hij zelf uitgevoerd had. Lezen deed hij 'm nauwelijks, hij bladerde zijn eigen krant alleen door. Een paar spetters verdroeg hij op een dergelijk expeditie, maar als het echt regende, wachtte hij tot hij naar de redactie moest. Zo'n prioriteit had die krant niet. Zijn voormalige dagblad had hij meteen opgezegd. Met instemming van zijn vrouw. ,,Je bent door een verzetsheld aangenomen en er door een paar NSB'ers uit gezet. Dat is een afloop om trots op te zijn. Omgekeerd, had ik erg gevonden. We hebben het nooit meer over ze.”
,,Behalve als ze dood zijn.”
,,En dan ga jij naar hun begrafenis. Om te controleren of ze degelijk opgestookt worden. Koffie?”
In welke branche hij onder wat voor omstandigheden ooit nog terecht zou komen, nooit zou Knap zich meer vereenzelvigen met een opdrachtgever zoals hij meer dan dertig jaar had gedaan. ,,Een krant is op zijn best een tweede leven voor dode Finse bomen, niet voor dode verzetshelden, die worden alleen verraden.”
De Knaps begonnen voortaan de dag met de krant die ze al die jaren een beetje lacherig de gezinsvijand hadden genoemd. Zo nauw als dat in de vroege ochtend met zijn eigen vrouw en met zijn eigen krant had geluisterd, zo gauw waren zij aan de nieuwe orde gewend geraakt.
Als het weer tijdens de wandeling naar de krantenbak omsloeg, zakte Knaps humeur snel. De regen voelde al gauw aan alsof de krant niet bezorgd was; rampzaliger kon de dag van een abonnee van een echte krant ook niet beginnen. Liep hij er verongelijkt bij, water in zijn schoenen, wraakgevoelens. Helemaal in de wetenschap dat het hem bij een gratis krant niet eens vergund was om een half uur in stijgende woede aan de telefoon te wachten tot er eindelijk iemand tijd voor zijn klacht wilde maken: ,,Serviceafdeling, 'mee kan ik u van dienst zijn?”
Dat klonk zo uitdagend opgewekt dat de abonnee gegarandeerd ontplofte, doorgaans in het gezelschap van de vuige krachttermen en de onzinnige verwijten van de vroege morgen. Liet ze koud in het callcenter, zulke kanonnades hoorden ze elke dag zo vaak. Alleen iedere tiende abonnee die zo begon, had pech. Gooiden ze de hoorn er meteen op, hadden de werkstudenten onder elkaar afgesproken. Moest 'ie weer een half uur wachten voor 'ie aan de beurt was en hij in alle rust zijn adres kon opgeven voor de nabezorging. Knap had nog nooit mee gemaakt dat hij het doolhof in was gestuurd van: ,,Hebt u uw abonnementsgeld nog niet voldaan, kies dan 08-1249.”
Henri Knap had jaren terug een leerzaam uur doorgebracht in de hoek van de abonnementenafdeling waar de telefoons voor de bezorgklachten stonden. Twee rechtstreekse buitenlijnen, zodat de klagers niet eerst bij de telefoniste terecht kwamen, want die moest huilen van al te luid en beeldend toegeschreeuwde klachten. Vanaf half acht 's morgens werd het setje bemand door twee rochelende AOW'ers die op die manier het geld voor hun rokertje bijeen scharrelden.
Knap mocht meeluisteren naar steeds nieuwe boze lezers die zeker wisten dat de bezorger het op hun brievenbus had gemunt. Die bezorger werd steevast omschreven als een brutaal, blond snotjong, dat schel schunnige liedjes als 'Janus, Janus, pak mij nog een keer' door de lege morgen zong, over de stoep fietste en zijn hand op de hoek niet uitstak. De abonnees pleitten voor levenslang op water en brood, helemaal wanneer hij twee dagen achter elkaar met zijn slaapkop hun tuinhekje had overgeslagen. Ze werden toen nog niet uit Marokko of Eritrea gehaald, de krantenbezorgers. En de doodstraf, het was hier toen nog zo een fatsoenlijk land dat niemand daar over begon.
,,U dacht dat u uit de ingezonden brieven kon leren wat voor mensen de krant lezen?” De legendarisch strenge juffrouw Van der Pluijm, die over de abonnementenafdeling waakte, had bitter verwijtend geklonken. Knap knikte schuldbewust bij zoveel onbekend verdriet.
De meest radeloze klagers, die zichzelf geen abonnee maar tweede generatie lid van hun krant noemden en niet meer tevreden te stellen waren met een balpen ter compensatie van al dat leed, werden met haar doorverbonden. Wie met juffrouw Van der Pluijm had gesproken, die legde na een paar minuten rustig, beschaamd, beschaafd en beleefd groetend de telefoon neer en die waagde het nooit meer zijn beklag te doen als de krant nog eens over tijd was. Die betaalde voortaan ook altijd stipt. Abonnee tot in den dood.
Op de redactie zei hij voortaan: ,,Die juffrouw Van der Pluijm die ze daar hebben, die zorgt voor het beleg op onze boterham.”
Het was zo een ochtend tussen de seizoenen. Staande op
de tramhalte kon hij de Hollandsche Nieuwe vanwege de elementen niet vluchtig inkijken. Uit de luidspreker in het dak van de abri klonk een metalen vrouwenstem: de volgende tram kwam met veertien minuten vertraging. Knap kreunde om de moderne communicatiemaatschappij ten voeten uit. Zo sympathiek en opvallend nauwkeurig die van het openbaar vervoer op zo een moment konden doen, terwijl het gewoon een gok uit het draaiboek van de afdeling voorlichting was. Het zou achteraf niet te controleren zijn of het veertien minuten geworden was. Of zeventien. En niemand die zou weten of er verderop iemand onder de tram was geraakt, de bestuurder onwel was geworden of dat ze een zakkenroller in de kraag hadden gevat en het wachten was op de buurtregisseur, die te voet opereerde.
Naarmate de wereld vierentwintig uur per dag op vele manieren voor iedereen bereikbaar was, werden de burgers door de kranten en de andere media steeds minder vlot en accuraat ingelicht over wat hun direct raakte in het leven van alledag op hun eigen vertrouwde vierkante kilometer. Helemaal indien de overheid informeerde. Voorlichters en public relations afdelingen bewaakten en bewerkten de beschikbare informatie tot uiteindelijk het hoogst noodzakelijke zo onvolledig en onbegrijpelijk mogelijk werd doorgegeven. Alsof ze van de extra beveiligde informatie-inrichting waren. Alsof die lastige burgers eigenlijk nergens wat mee te schaften hadden.
Inmiddels waren er meer mensen werkzaam in de contra-informatie zoals Knap het systeem noemde, dan in de journalistiek, en ze werden nog beter betaald ook. Daarop werd nooit bezuinigd. Dat leger gaf de aangepaste feiten
door aan de journalisten die er een bericht van moesten maken waar de relatie tussen beide partijen niet onder leed. Elk bericht waarin verwezen werd naar een officiële mededeling, een bulletin of een formele reactie, moest gewantrouwd worden, sinds de journalistiek dienstbaar was aan de leveranciers van zulke letterbrij, eerder dan aan de eigen lezers.
Omdat de hoofdredacteur op het belangrijkste onderdeel van zijn werk, de waarheid en niets dan de waarheid, vaak in het geheel niet functioneerde, hadden veel kranten als schaamlapje een ombudsman bedacht die op zaterdag een lang artikel schreef over de avondredactie die ook deze week precies de verkeerde keuzes had gemaakt. Echter, de lezers moesten hem op zijn onafhankelijke woord geloven, er kwam nooit opzet bij te pas, of domheid, een volslagen gebrek aan historisch besef of andere ernstige mankementen waar de journalistiek onder gebukt ging. Er was nooit reden om de ongelukkige bij naam te noemen, zodat hij voor de rest van zijn carrière getekend was. De krant was gewoon 365 dagen per jaar een toevallige kettingbotsing van anonieme fouten.
Het verbaasde Knap niets toen hij in het vakblad las dat de ombudsmannen hun eigen internationale verenging waren begonnen. Jaarvergaderingen, symposia en een internationale masterclass. Ze hadden blijkbaar onraad geroken en van hun collega's van de onderzoeksploeg geleerd hoe je in de veilige achterhoede geraakte bij een nieuwe bezuinigingsronde. Een hoofdredacteur zou er wel voor passen om bij een simpele reorganisatie die hele internationale speurneuzentroep achter zich aan te krijgen.
Zestien minuten, werd er omgeroepen. Knap besloot te
gaan lopen ondanks de regen. Wat er restte aan nieuwsvoorziening leek steeds meer bedoeld om de opwinding te onderhouden, dan om de feiten correct door te geven. Er kon geen vliegtuig ontijdig en op de verkeerde plek naar beneden komen, het tellen der slachtoffers moest nog beginnen of de race was al gaande om de eerste deskundige die de beschuldigende vinger wilde uitsteken. Waarom lag er geen behoorlijke snelweg naar de plek des onheils? Waarom is de hoofdcommissaris met vakantie? Had de burgemeester geen andere dag kunnen uitzoeken om de jaarvergadering van de internationale onderzoeksjournalisten toe te spreken? Houdt er niemand rekening met een ramp?
Alsof het hele land één groot permanent complot van duurbetaalde amateurs was. De journalisten stonden er bij als opgewonden automobilisten die wilden weten of die agenten, die mede van hun belastingcenten werden betaald, soms niets beters te doen hadden dan de vrije pers te hinderen bij de uitvoering van zijn maatschappelijk belangwekkende werkzaamheden.
Het schoot Knap zo maar te binnen, dat wonderlijk genoeg slechts hoogstzelden aan journalisten werd gevraagd of zij niets beters te doen hadden? Terwijl dat toch vaak de meest voor de voor de hand liggende vraag was. Elke herfst sprak het complete journaille schande van de spoorwegen die wederom niet bestand waren gebleken tegen de eerste sneeuw van het seizoen. Maar dan weer geen woord over hun eigen bezorgers die het her en der om dezelfde redenen lafhartig hadden laten afweten.
Het gebrek aan informatie op de vierkante kilometer was Knaps stokpaardje, want hij woonde in het midden van
een driehoek met een politiebureau, een brandweerkazerne en een ambulancepost. Altijd een sirene onder handbereik. Zelfs als ze alle drie tegelijk uitrukten, tegen half vier in de nacht, verlaten straten maar allemaal de toeters op volle kracht aan. Hij kon nadien nooit terugvinden wat er was gebeurd om zoveel misbaar te verantwoorden dat hij er wakker van was gebleven. Hij kon 112 niet bellen met de vraag waar de reis deze keer heen ging want daar stond gevangenisstraf op. Een keer had hij later op de dag aan de politievoorlichter gevraagd wat er loos was geweest: oefening, dacht die. Hij zou het navragen. Nooit meer wat van gehoord. Het waren gedachten waar hij zichzelf bij tot de orde moest roepen, want veel burgers wilden helemaal niet van alles op de hoogte zijn, daar werden ze maar bang, onzeker en opstandig van. Die wilden invoelbare sensatie en drama, alleen niet bij hun in de buurt.
Henri Knap raakte in vorm, hij was al drie haltes voorbij gelopen. Op een zondagmorgen was er een oploopje geweest, verderop bij hun in de straat. Toen hij aangekleed was, waren de linten al gespannen en was het zwarte scherm geplaatst. Het zou wel een schoenendoos zijn waar twee draadjes uit staken. Er stond een agente bij om de passanten te manen: ,,Doorlopen, er is hier niets te zien.”
,,Niet zo bescheiden,” had hij vriendelijk met de vette tongval van een echte Jordanees gezegd, ,,u mag er gerust wezen, dame.” Hij stond er achteraf versteld van dat hij de moed daartoe had verzameld.
Zij greep meteen naar haar pepperspray. ,,Had meneer misschien nog een lollige opmerking in petto?”
Agenten hadden ook steeds minder respect voor burgers.
In de straat hadden ze bij gebrek aan nieuwsberichten gedacht aan moord. Vanzelf waren er die vermoedden wie het was, waarom, hoe en dat hadden ze altijd al van hem gedacht. Hun incident was nergens op radio en tv terug te vinden, het stond niet in de krant, teletekst wist van niets, zelfs internet zweeg. Een spookmoord waar niemand van mocht weten, net als in de film? Vrouw Knap had pas twee dagen later bij de slager gehoord dat het ging om een zelfmoordje. Kogel door het hoofd. Triest drama waar geen fatsoenlijk mens benieuwd naar hoorde te zijn. Althans is Nederland, want in menig buitenland hoorde de zelfmoordenaars tot de faits divers van alledag. Al was het maar omdat er vaak overlast bij te pas kwam, treinvertragingen en afgesloten straten.
Ik ben niet benieuwd, redeneerde Knap, ik wil alleen weten wat er aan de hand was. Hij hoefde er geen foto bij van het slachtoffer badend in het bloed, geen personalia of motief. Het bleef gerust een onbekende vent, het geslacht was belangrijk, en er was alleen bij Knap in de straat een parkeerplaats vrij geweest, zijn laatste gelukje.
Knap zette de pas er in. Toen hij opkeek zag hij Hannelore Faas tien meter voor zich lopen. Blijkbaar had zij ook niet willen wachten. Hij waardeerde haar inzet en dynamiek. Maar hij matigde zijn pas toen hij merkte dat hij veel aandacht besteedde aan haar deinende figuur.
Faas. Hij dacht soms vlak voor het slapen gaan met schaamte terug aan het sollicitatiegesprek tijdens de aanloop naar de Hollandsche Nieuwe Courant. Onervaren als hij was, had hij zich gedwongen gevoeld het gesprek op gang te houden door te veel over zichzelf te vertellen.
,,Drastisch bezuinigen is geen journalistiek maar een
economisch proces. Dat had nogal wat averechtse gevolgen bij mijn vorige krant. Een daarvan zit voor u.”
Er waren vooralsnog geen grote carrièrekansen te schilderen. Van de beloning kon hij ook al geen groot nummer maken. ,,En wat zijn uw aspiraties?”
Faas glimlachte. ,,Het liefst zou ik natuurlijk de baas worden. Maar dat zit er op korte termijn niet aan, toch?”
Ambities koesteren en tegelijk gevoel voor de verhoudingen tonen. Knap herkende een advies voor een succesvol sollicitatiegesprek van de bestseller 'U hoort nog van ons', die hij ook in huis had gehaald. Een half uurtje bladeren en toen kon het bij het oud papier.
Faas had hem bijna troostend uitgelegd hoe zij zelf in zulke benarde omstandigheden was geraakt dat zij bij een gratis krant moest solliciteren, ,,want het ligt niet voor de hand dat iemand die jarenlang met succes als voorlichter werkzaam is geweest zich voor zo een karretje laat spannen als dat van de Hollandsche Nieuwe, laat ik het maar rechtuit zeggen.” Het was niet alleen de diervriendelijke guerrilla geweest, die had geleid tot de malaise in de foie gras, in het varkensvlees, de kip en de tonijn, het was ook haar relatie die op de klippen was gelopen. ,,De leeftijd,” zei ze moedeloos, ,,de zijne.”
Liever had Knap het niet over zulke dingen. De liefde was een persoonlijke aangelegenheid waar men het niet met onbekende derden over had, ook niet in afstandelijke bewoordingen. En helemaal niet tegen iemand met zo een glimlach als Hannelore Faas had.
Knap en Faas hadden bij die gelegenheid in het grand café Berlusconi's gezeten, eigenlijk een terras dat met grote rode gordijnen afgesloten kon worden van de rest
van de wereld, gevestigd in de hal van de bunker waar de Hollandsche Nieuwe ergens hoog bovenin zijn vertrek had. In de veelkleurige, alom met marmer betegelde hal, figureerden grijze roltrappen links en rechts als ouderwetse opgangen naar de eregalerij op de eerste verdieping. Volop glazen wanden en twee batterijen met liftdeuren waar geen uitbundig gebruik van werd gemaakt. Geen idee welke opdracht de projectontwikkelaar aan de architect had gegeven, maar het woord kantoor kon daarbij slechts als zijnde een onbelangrijke bijzaak gevallen zijn.
In de hele buurt was buiten Berlusconi's niets beters te vinden voor een vlotte consumptie, desondanks was het er goed mogelijk om zwaar aan de drank te raken. Een echte krant hoorde niet thuis in zo'n kale buitenwijk en al helemaal niet in zo een kantoortoren met een verkeerde naam: Zalmstaete. De buren zaten in het Rudinghome en aan de overkant werd geheid voor het Janpeterium.
Jaren geleden had het complete Hollandse journaille, Knap net zo bevlogen op de eerste rij, er schande van geschreven dat The Times van Londen van de nieuwe eigenaar, een internationale mediahandelaar, van Fleet Street moest verhuizen naar een karakterloos industrieterrein in de periferie van de Britse hoofdstad. Een vernedering, tekenend voor het verval van de Engelse dagbladen. De nieuwe baas had zich ook geen krant gekocht met een schitterend verleden en een uitdagend heden, met de hoogste kwaliteit, vol opvallende artikelen en geduchte opinies. Hij zocht een befaamde bedrijfsnaam voor de bovenkant van zijn papier. Omzet was belangrijker dan kwaliteit, hoewel hij zich ook meteen met de inhoud was gaan bemoeien, want kwaliteit kostte lezers.
Binnen een paar jaar was The Times nog slechts een zucht uit het verleden. De Nederlandse kranten hadden in die dagen uit solidariteit, mededogen, begrip of gewoon omdat ze nog een gat op de pagina hadden, volop foto's afgedrukt van stakende drukkers en woedende medewerkers van de administratie, dag en nacht kleumend rond de vuurkorven, het Leger des Heils nabij voor de soep en desgewenst een stichtelijk lied. Tv-camera's erbij, wachtend op lichamelijk geweld van die van de zetterij die het onderhand wel eens genoeg moesten vinden. Dagelijks gedoe op radio en tv, alleen geen enkele verslaggever van de The Times te bekennen en al helemaal geen solidaire lezer.
Sindsdien was een groot deel van de Nederlandse pers, al dan niet onder regie van Britse cultuurbarbaren, net zo makkelijk en misschien nog steviger aan de beurt gekomen in een vergelijkbaar proces dat allicht nog eens zou eindigen in een aftands bedrijfsgebouw tussen een magazijn van Christine le Duc aan de ene en een autosloperij aan de andere kant op een tochtig industrieterrein met alleen uitzicht op de A2. Veroordeeld tot lippendienst aan de ketens van mediahandelaren die het eigenlijk alleen om het bij de kranten horende onroerend goed begonnen was. We hebben onze baan nog, zouden de overgebleven redacteuren elkaar elke dag feliciteren, onzeker of er nog een volgende dag zou zijn. En dan gingen ze over tot de orde van de dag: het schandaal van de drie verdwenen werkplekken elders in een of ander armlastig bedrijf. Hun eigen nieuws was niets om er een van hun onderzoekknuppels op af te sturen.
Grand café Berlusconi's stond er net zo geforceerd modern bij als de grotendeels lege kantoortorens er
omheen. Zelfs de sektarische dominee die een kleine inloopkerk was begonnen voor gestresste managers en onbetamelijk benaderde secretaresses, claimde meer bezoekers. Wat hier tussen de middag zat, moest met het mobieltje paraat op sprintafstand van kantoor lunchen. Zij behoorden niet tot het topsegment van hun bedrijf waar Berlusconi's zich qua prijsstelling en aanstellerigheid aanvankelijk op had gericht. Zulk volk nam een taxi naar het nabij gelegen oude stadsdeel waar zich al vier restaurants gevestigd hadden met één Michelin ster.
Al gauw waren tegen lunchtijd rond Zalmstaete de eerste scooters en driewielers gesignaleerd van de pizzeria's, de Jappen, de Thai, de Chinezen en de Vlaamse frietkotten met weekendtassen vol bestellingen die bij de portiers werden afgeleverd.
,,'t Is, eh, rustig vandaag,” was Henri Knap tegen Faas begonnen. Hij had om zich heen gekeken, als een habitué, alsof hij hier op andere dagen van de week om een vrij tafeltje moest worstelen.
Hij had tenminste werk en een verantwoordelijke positie. Ook al had hij zich een jaar terug nog serieus afgevraagd wie er in een land met zo een schitterende journalistieke traditie van eeuwen adembenemende primeurs, onthullingen, interviews en degelijke berichtgeving, nog op het gratis prutswerk als dat van de Hollandsche Nieuwe Courant zou zitten te wachten? Nieuws zonder diepgang, achtergrond zonder voorgrond en volop niet ter zake doende vulgaire bagatellen, geen band met de lezers, geen commentaar, schijnprimeurs onder een leugenachtige kop, waar mogelijk suggestieve sensatie en als het even kon een pagina met alles over het weer. ,,Iedereen lult over
het weer, dus daar gaan wij werk van maken,” had Lücker beslist. ,,Desnoods zuig je de hele mikmak maar uit je duim, op de televisie zitten ze er vaak genoeg naast.”
Voorspellingen op korte en lange termijn, landkaarten met neerslag en bewolking, de gevoelstemperatuur van 's morgens, 's middags en 's avonds, het actuele weerkiekje van een lezer, de waterstanden, de pollenvoorspelling, het strandweer, de buienradar, de sneeuwsnuffelaar, het paraplualert. Knap vertelde het aanzienlijk beknopter en zakelijker maar hij hijgde er toch van.
Hannelore Faas knikte bezorgd. ,,Ook bijzonder is dat alle weervrouwen tot een half uur voor het breken der vliezen op de tv hun werk blijven doen. Alle ander tv-vrouwen moeten meteen puffend op zwangerschapsverlof als het zaadje te bestemder plekke is aangekomen.”
Knap deed alsof hij het niet gehoord had en vervolgde met: ,,En dan moeten wij nog beginnen.”
Faas keek hem aan met een glimlach waar Knap tevergeefs iets achter zocht want zij vervolgde onaangedaan met: ,,Er zijn anders journalisten die de gratis kranten zeer aandachtig lezen.”
,,Neem van mij aan: journalisten, die welke andere krant dan de hunne moeten lezen voor hun nieuwtjes, zijn hele slechte journalisten.” Daar had je het al, hij klonk knorriger dan hij gedecideerd wilde zijn. ,,Als ik iets van belang uit de krant van de buren moet vernemen, dan heb ik mijn werk toch niet goed gedaan? Een echte journalist is gespecialiseerd in alles en benieuwd naar iedereen, de hele dag. Het laatste voor ik ga slapen is even teletekst kijken.”
Faas knikte bekoorlijk en geïmponeerd maar zweeg over haar eigen rituelen aan het einde van de dag.
Ze waren in een vloek en een zucht door haar carrière heen. Zoals hij al vermoedde had zij een journalistenmulo gedaan. Een aanvullende cursus economische communicatiewetenschappen had haar in de richting van de voorlichting over de foie gras gedreven. Foie gras, ze sprak het uit als een Fransman die een mooie meid ziet passeren. Hunkering, liefde en dan weer honger. ,,Nog steeds heerlijk op een snee boerenbruin en dan heel even, een minuutje maar, onder de warme grill.” Ze glimlachte overdreven, opdat Knap begreep dat haar cynisme opspeelde. ,,En daar dan een honingmosterdsausje bij. Goddelijk.” Of toch niet.
,,U begrijpt, de foie gras en de tonijn zijn bij ons thuis tegenwoordig probleemgevallen. Net zoals het kippetje. En kom niet aanzetten met de diverse onderdelen van een varken.” Terwijl hij het zei, voelde hij zich een kansloos verloren sul. Hij was er de man niet naar om vrouwen te veroveren met vrolijke praat.
,,Als nertsen magere melk zouden geven, dan hadden de fokkers geen gedonder met die zogenaamde dierenvrienden. Dan was het bont van die schatjes net zo een bijproduct als alles wat de koe aan bruikbare spullen op het abattoir achterlaat. Bomberjacks en elegante pumps.” Zij raakte zichtbaar op stoom.
Faas leek hem ongeveer van Gracia's leeftijd te zijn, dus waarschijnlijk was zij jonger. Knap probeerde het met een schuin oog op haar CV te verifiëren, terwijl hij haar uitlegde hoe het er bij de Hollandsche Nieuwe aan toe zou gaan, althans, zoals Lücker het hem had aangekondigd. ,,Je kunt er van denken wat je wilt, maar ook voor de grootste rotzooi geldt, dat je het goed moet kunnen maken. Dat is het succes van MacDonalds. Laat die arme mensen
die hun boterham moeten verdienen bij de zogeheten schandaalbladen, hier en in het buitenland, een beetje in hun waarde. Voor je het weet moet je zelf bij zoiets je geld verdienen. Wat overigens,” hij lachte overdreven luid, ,,wat overigens een zegen zou zijn voor zulke bladen. Ik bedoel, ze zouden er niet slechter van worden als mensen zoals u en ik daar de redactie kwam versterken. Ik zal eerlijk zijn, mevrouw Faas.”
,,Zeg maar Hannelore.”
Knap aarzelde een moment, maar toen kreeg zijn professionele ik toch weer de overhand. ,,Ik zal eerlijk tegenover u zijn. 't Is al niet veel soeps bij de echte kranten. Maar dan die gratis bladen. Daar hebben ze nergens geld voor, geen mensen, geen tijd en al helemaal geen belangstelling voor echte journalistiek. Het personeel speelt wanhopig in een toneelstukje.” Hij liet zijn woorden een moment op haar inwerken maar zij knikte slechts alsof hij volslagen onzin had verteld. ,,Gratis diensten zonder verborgen kostbare bijwerking, dat was ooit het geheim van het communisme. Toen de Muur werd opengehakt stond de starreporter van Neues Deutschland er net als elke andere Duitser met betraande ogen bij. Hij kon naar de andere kant van de stad als het daar brandde. Alleen, hij was zijn krant en zijn baan kwijt. In het kapitalistische westen hadden wij net de gratis kranten ontdekt.”
Knap zat ongemerkt bijna ouderwets in de kroeg over het vak te ouwehoeren. Hij moest langs het pad van zijn Oost-Duitse collega onwillekeurig denken aan zijn eigen voormalige directeur, die de grootste opiniefabriek van het land naar de ratsmodee had geholpen en met dat resultaat een nog beter betaalde baan bij een multinational had
veroverd. In een nieuwjaarstoespraak, die bedoeld was om zichzelf diverse pluimen op de hoed of in de bips te steken, hij kon zijn hoofd en zijn achterwerk nauwelijks uit elkaar houden, had hij nog eens voorspeld dat al die gratis kranten in het kader van dure technische vernieuwingen en de niet aflatende roep van het publiek om kwaliteit, op korte termijn op de klippen zouden lopen. ,,Een schitterend vooruitzicht, beste mensen. Dat betekent dat er volop ruimte komt op de dagbladenmarkt. Precies zoals wij in de meerjarenplanning voorzien hebben. Het is jullie dure opdracht om daarvan te profiteren en ook hier in huis het gemiddeld zakelijke resultaat in dit land te realiseren. De effecten daarvan op de werkgelegenheid zullen uiteraard een aanslag plegen op onze onderlinge solidariteit. De directie is zich daarvan bewust, maar als elk van u helpt het fundament te leggen voor een sectorrendement van 13,7 procent, dan garandeer ik u hier en vandaag een gezonde toekomst voor de hele journalistiek in combinatie met zeer concurrerende afvloeiingsregelingen.”
Spreker had een moment demonstratief geaarzeld. Volgens de presentatiecursus die hij had genoten, was dit typisch een applausmomentje. Maar de aanwezigen reageerden niet. Rendement? Ze haalden hun schouders eens op. Ze maakten een krant. Dan mocht je blij zijn als je in een heel goed jaar tijdens de hoogconjunctuur bijna quitte speelde. Het enige onderdeel waarop ze het nog van de concurrentie konden winnen, was allang onbetaalbaar gemaakt: kwaliteit. Dat het drinken maar gauw mocht beginnen. Want daar gingen ze van vergeten.
De moeilijkheid was niet eens dat die paar gratis kranten in het gat waren gesprongen van enkele tientallen
gerenommeerde, vertrouwde maar na de oorlog om economische redenen opgedoekte titels. Het probleem was de journalistiek zelf, die gebukt ging onder zulthoofden die plechtig beweerden dat hun feiten heilig waren en andermans commentaar gratis was. Vervolgens waren ze de halve dag bezig met hun feiten te corrigeren. En hun commentaar was niet zo zeer gratis als wel erg goedkoop.
Ze hadden het allemaal laten gebeuren, die van de gerenommeerde dagbladen, die van de vakbond, die van de journalistenmulo's. Ze hadden hun eerstgeboorterecht van de partijdige betrouwbaarheid opgegeven in een schijngevecht op leven en dood om brood op de plank. Waar hun lezers medestanders hoopten te vinden, stuitten ze op de vijand die heulde met de papierindustrie. De kranten waren toch nog net zulke handelswaar geworden als de spreekwoordelijke rol drop uit de jaren zeventig waar een hele bevlogen beroepsgroep tegen had gevochten. Het nieuws was gratis, quasi objectief en onafhankelijk en werd met de dag onbetrouwbaarder. Zo moeilijk was het niet om internet hun vak verder naar de vaantjes te laten helpen.
Een samenzwering van knoeiers had de journalistiek in de tang. De nieuwsbrenger was net zo betrouwbaar geworden als de tweedehands fietsenverkoper op de Wallen. Binnen een paar minuten na de eerste klap was niet meer te achterhalen van wie een bericht over een botsing, een oorlog of de implosie van een kerncentrale afkomstig was, laat staan of het correct en geloofwaardig was. Het nieuws was het weer achterna gegaan: zonder aanwijsbare redenen overal aanwezig, kostelijk en kosteloos. En iedereen mocht er deskundig over mee kletsen.
Het nieuws werd een gadget om het reclamebombardement op zogenaamde nieuwssites te versieren. Daar doken ze dan een of andere onnozelaar bij op die zich de hoofdredacteur mocht noemen maar die juist was aangenomen om de echte, kostbare journalistiek buiten de deur te houden. De berichtgeving leek met de dag meer op een gefluisterd doorgegeven woord in de kring op een kinderpartijtje dat aan het slot zelfs niet meer vagelijk op het eerste leek. Berichten met een verkeerde naam van het slachtoffer, de foutieve sekse, de onjuiste kruising, geen fiets bleek achteraf maar een vrachtwagen, niet van rechts maar van links, in Zuid-Spanje en niet nabij Oudenrijn. Maar dat was altijd al zo met de pers geweest: de krant, die brengt de leugens in het land.
Zodra ze zelf deelnemers of ooggetuigen waren, vielen de smetten op. Daarom kregen voetbalverslaggevers er vaak van langs. Hun feiten speelden zich af voor de ogen van tienduizenden nauw betrokken kenners. Knap haalde graag de vliegtuigpionier captain Adriaan Viruly aan die alle kranten zijn leven lang de hemel in had geprezen: schappelijk prijsje, elke dag tot op de onderste regel vol, prima weerbericht, mooie advertenties, voortreffelijke buitenlandse overzichten, de juiste voetbaluitslagen, leerzaam commentaar, scherpe foto's, allemaal onverbeterlijk werk, behalve als ze het over de luchtvaart hadden, want daar hadden ze werkelijk geen ene donder van begrepen.
Knap wenkte Hannelore Faas vertrouwelijk naderbij. ,,En dan denkt iedereen dat het aan internet heeft gelegen. Kul, teletekst, dat was het begin van de verkruimeling van de journalistiek. Dat begon als een proef met een nieuwe
techniek, betaald uit een potje voor dingetjes met nieuwe media, experimentjes die later door de politiek verboden konden worden. Hebt u meegemaakt?” Hij wachtte haar antwoord niet eens af, zij had het natuurlijk meegemaakt, passief, maar zij kon het ook opvatten als een compliment
zijnerzijds aangaande haar leeftijd. ,,De computer stond nog in de kinderschoenen, internet was vrijwel onbekend – als ze dat hadden zien aankomen, hadden ze dat om te beginnen een andere naam gegeven. En vooral: dan was het nooit gratis geweest. Wat dat betreft is internet het grootste debacle van de vrije markt. Maar ik had het over teletekst als een medium dat zichzelf binnen de kortste keren onmisbaar maakte. Beter bestond niet, sneller kon niet, korter was niemand. De proefpagina's werden per week uitgebreid. Niemand sprak schande van het misbruik van belastinggelden voor de oneigenlijke concurrentie van de onafhankelijke, serieuze, gedrukte pers, die onmisbare pijler onder de democratische samenleving die het toch al zo lastig had. In tegendeel. De hoofdredacteur schafte bij ons gewoon een extra televisie aan en zette die op de redactie met een gezicht alsof 'ie 'm uit zijn eigen zak betaald had. Kon voortaan iedereen het gratis nieuws volgen. Hoefde er niemand meer naar het hok met de telexen te rennen als er, te horen aan het belletje, groot nieuws was.” Knap hijgde er van. ,,Op een dag stond er geen enkele telex meer in dat hok maar alleen nog twee faxen voor de inkomende persberichten. En op weer een dag waren die faxen ook weg. Werd er een bordje op gespijkerd met 'Rookhok'.”
Henri Knap wenkte de ober en bestelde wijzend met zijn vinger twee witte wijn terwijl hij zijn monoloog voortzette.
,,Dik dertig jaar later ziet teletekst er nog even knullig uit. Alsof grootmoeder 's zomers het traject van de Tour de France-etappes borduurt. Teletekst is wereldwijd een onmisbare, razendsnelle, gratis nieuwsbron geworden van maximaal 100 woorden per bericht, nog behoorlijk betrouwbaar ook, waar alle kranten, zonder een woord van dankbaarheid, volop van profiteren. Er zijn nog maar twee dingen gratis: het wereldnieuws en de griep.”
Knap bewaarde de somberste kant van die successtory maar voor een andere gelegenheid: steeds meer tv-stations waren met hun teletekstpagina's in de eerste plaats goed renderende bordelen geworden. Ze lieten een koppeltje stagiaires een paar pagina's met nieuwtjes overschrijven van andere teleteksten en van internet, voor de rest was het een grote advertentieafdeling waar tientallen mensen hun handen vol hadden aan het binnen die 100 woorden persen van de annonces van de seksbaronnen, zodat hun kijkers, zodra die zich verveelden bij het zoveelste zang- of danswedstrijdje, met een druk op de knop terecht konden op de pagina's voor zeer willig lijkende vrouwen, voor het à 20 eurocent per minuut beluisteren van namaak vrijpartijen of ze werden verwezen naar een site waar ze de dames en heren aan huis konden bestellen. Op de Wallen timmerde de burgemeester de ramen dicht, op teletekst werden ze juist open gegooid.
,,Seks is altijd overal het hulpmotortje.”
Faas had zijn gedachten geraden. Knap moest zich even herstellen. Toen ging hij verder alsof zij niets gezegd had. ,,Liegen, bedriegen, pootje lichten en zwendelen zijn de norm geworden op internet. Diefstal is het recht van elke deelnemer. Hacken wordt een vorm van hulpvaardigheid
genoemd of een geintje, behalve als de vijand het doet, dan heet het een cyberaanval. Plagiaat is ons langs die weg als een journalistiek specialisme komen aanwaaien. Ach, als we dat toch eens allemaal hadden geweten toen ze met teletekst begonnen.”
Knap moest een vloek inslikken. ,,We zullen er aan moeten wennen, zeggen de mediaprofessoren. Vroeger,” Knap aarzelde, maar hij kon niet meer terug, ,,vroeger, zei de ouwe zak, moest je wat kunnen om in de krant of op de radio te komen. Tegenwoordig belt een beetje kinderverkrachter zelf naar de tv omdat hij op de buis wil vertellen dat àls hij het al gedaan had, waar hij verder niet op in wil gaan, dat hij dan in elk geval de afloop niet zo bedoeld had. Verkrachters, moordenaars, gewoon tuig, het heeft allemaal toegang tot de media alsof ze de minister-president zijn. Ooit dachten de argeloze kijkers bij een ontkennende boef: die arme schat van een man, hij heeft het echt niet gedaan, want anders kwam 'ie niet op de tv. Tegenwoordig interesseert de schuldvraag niemand meer, als de dader maar een sensationeel verhaal heeft en z'n kop vertoont zodat hij in potentie een bekende Nederlander is voor in een paneltje. Tenzij het een Marokkaan is.”
Hij nam een ruime teug wijn. ,,Overal worden de fundamenten gelegd voor een wereld waarin niemand meer weet wie er nog te vertrouwen is, wat feiten zijn en waar de waarheid zich ophoudt. De journalistiek heeft zichzelf niet overbodig gemaakt maar uitgeschakeld. Let op, mevrouw Faas: één geruchtje over een dodelijk virus in de grachtengordel dat teletekst onverhoopt op ooit een dag via Facebook zal bereiken en de hele journalistiek zal in massahysterie de wereld vernietigen. Ik hoop dan net een
snipperdag te hebben. De volgende dag is er vast weer wat anders. Leer mij de journalistiek kennen.”
De sollicitante keek hem met grote ogen aan, zich afvragend of ze naar een functie bij een gratis krant solliciteerde of dat zij zat te wachten op een verwijsbriefje voor het Pieter Baan Centrum. ,,U ziet het allemaal behoorlijk somber in.”
Het scheelde weinig of hij had geroepen: spreek mij niet tegen! Hij gebaarde nog eens naar het dienstertje met zijn arm alsof hij de troepen voorging in de aanval.
,,Het interview. Stokpaardje mijnerzijds. Het interview heeft zelden nog te maken met serieuze journalistiek, met speurwerk, studie, kennis, inzicht, scherpe vragen, stevig weerwerk, intelligente conclusies, mooie foto, nog leesbaar opgeschreven ook. Nederland heeft in de hele vorige eeuw misschien tien goede interviewers gehad. Wilt u van mijn aannemen dat er thans meer dan driehonderd sukkels rondlopen die denken dat ze minstens net zo goed zijn.”
Onverwacht passeerde een boertje. Knap merkte dat hij kleurde maar zette door: ,,Ze mailen van tevoren zo vast de vragen door, zodat die van de voorlichting de antwoorden kunnen opzoeken. En dan moet je als volwassen vent die met goed gevolg de journalistenmulo heeft doorlopen, die vragen een week later ook nog pro forma komen oplezen. Fotograaf erbij voor het bewijs. En dan de vraag of 'ie, als 'ie klaar is met uittypen, de tekst wil opsturen? Want als de voorlichter van de minister per ongeluk even in slaap is gesukkeld, moet alles herschreven worden.”
Faas knikte met een gezicht alsof hij een heel vies verhaal vertelde.
,,De interviewer lijkt steeds vaker op een onbezoldigde privésecretaris. Alleen als de lijsttrekker tijdens zo een toneelstukje het partijprogramma verbrandt, de oude veren afschudt, het verleden verloochent, God ontkent en de majesteit afschaft, dan staat er voor alle zekerheid in alle overschrijfsels een verwijzing bij naar de bron. Stel dat spreker achteraf beweert dat hij verkeerd geciteerd is.”
Faas knikte en hielp hem verder op weg. ,,Je ziet tegenwoordig ook vaak journalisten die zichzelf zogenaamd interviewen. Zo raar.”
,,Twee slokjes en zo'n glas is leeg,” wees Knap en zwaaide naar het dienstertje. ,,Ballentent, hier. Waar was ik? Elke redacteur weet hoe hij uit een artikel bij de vijand z'n eigen primeur kan brouwen. Belt 'ie een politicus op voor een snedige reactie. Desnoods bedenkt hij 'm zelf en vraagt alleen of zijn bron het ermee eens is. Nog liever bellen ze met een bekende Nederlander. Als je een klein beetje kunt zingen, dan weet je ook hoe de begroting sluitend gemaakt kan worden. Desnoods vraagt 'ie het op straat aan de eerste de beste onnozelaar. Alle fractievoorlichters in Den Haag kennen die trucs. Die hebben 24 uur per dag iemand met een valse snor en commentaar paraat staan naast de portiersloge. Kan op elk gewenst moment de straat op geschopt worden om te voorkomen dat ze de regie helemaal kwijt raken.”
,,Ik gebruikte ze bij de foie gras ook, trucjes. Ik dacht dat ik bij de Hollandsche Nieuwe naar de echte journalistiek zou gaan.” Faas deed een zuinige samenvatting van Knaps woorden. ,,Als ik u goed beluister, hebben de voorlichters een eerzaam beroep in vergelijking met wat er in de journalistiek rondloopt. Dat zullen ze daar leuk vinden.”
Knap gaf haar onomwonden gelijk. ,,De journalistieke wetten en codes zijn herschreven naar de moderne hardware en naar de beperkte bekwaamheden van de huidige vakbroeders. Sinds jaren bazuint iedere krant rond dat het een schande is dat de jongelui van de Pabo in meerderheid niet kunnen rekenen omdat ze dat op de lagere school niet hebben geleerd. En dan denk jij dat die leerlingen op al die journalistenmulo's dat wel kunnen, rekenen? En ze konden al niet foutloos schrijven.”
Zo, die zat, onderstreepte hij met een tik op tafel. ,,Die journalistenmulo's, die quasi academies en andere volstrekt overbodige universitaire franje, leveren elk jaar honderden nieuwe zogenaamde journalisten af voor minder banen dan er vingers aan een hand zitten. Op de krant kiest de chef iemand uit zijn eigen postdoctorale vriendenkring als er een vacature is. Zie je ze trots kijken: nou krijgen we er een, die weet alles van scheikunde. Kom, kom, fluistert de gebraden haan, want een scheikundige weet namelijk zelf precies waarom hij nooit de Nobelprijs zal winnen. Maar die hele stapel met nationale persprijzen ligt wel binnen zijn bereik. Alleen, als hij toevallig langs een brand komt, heeft hij er geen benul van dat hij daar een bericht van zou moeten maken.”
Faas glimlachte. ,,Je kunt het tellen der belendende percelen met een gerust hart aan hem overlaten.”
,,U bent aangenomen. Maar dat had u al vermoed.”
Hannelore Faas stond op en een ogenblik dacht Knap dat zij hem wilde benaderen voor drie amicale klapzoenen; een beginnetje. Hij kwam al moeizaam half overeind, maar zij probeerde slechts zo elegant mogelijk de plakkende lederen zitting te verlaten.
Ook licht aangeraakt door de wijn verdween zij naar het toilet. Hij keek haar na, zonder specifieke focus. Zij schreed majestueus, wel vermoedend waar hij naar keek.
Hij riep het dienstertje voor een laatste keer. ,,Alleen voor mij. En de rekening.”
Het was niet daarom en vanwege die vijf bodempjes zure witte wijn dat hij ontevreden en wankel terug naar het beoogde redactielokaal ging. Knaps tour d'horizon had hem met de neus op zijn eigen treurige feiten gedrukt. Hij was onderdeel van een verlopen systeem. Een complete beroepsgroep was vrijwel buiten de maatschappelijke realiteit geraakt, zonder het zelf in de gaten te hebben. Bij elke splinter kritiek op hun activiteiten bleken ze onbedaarlijk lichtgeraakt. De bevallige prinses op de erwt moest een dikke laag eelt op haar derrière hebben gehad.
De directies van de echte kranten hadden zich jarenlang als naar adem snakkende drenkelingen vastgeklampt aan het wrakhout van de ontlezing, zoals die door hun eigen deskundigen was voorspeld. Het einde van het gedrukte woord kwam in zicht, zoals de kolenboer was verdampt. De krant, het boek, de ondertiteling bij de film, de verpakking van de hagelslag, de bijsluiter, al het drukwerk zou onafwendbaar en vrijwel tegelijk de Titanic achterna gaan.
Een paar kranten hadden gedacht dat ze konden overleven als ze er zelf kwaliteitstelevisie bij zouden maken. Dat scheen namelijk een fluitje van een cent. Zeker als ze zagen welke patjepeeërs er allemaal productiemaatschappijen waren begonnen. Met regelmaat kregen de krantendirecties de baas van zo een bedrijfje aan de telefoon met zijn uitdaging: ze moesten alleen nog hun informatieve programmapakket gevuld zien te
krijgen. Of de krant daar wat voor voelde? Dan nam elke vorm van realiteitszin meteen vakantie. Ze hadden een televisierecensent, dus in eigen huis was bekend hoe het niet moest. De helft van het werk was al gedaan. Ze konden desgewenst morgen beginnen.
Op de redactie hadden ze geen nagel om hun kont te krabben. De advertentieopbrengsten vielen elke week wat meer tegen. De abonnees renden weg. ,,Terwijl ze vanwege de overlijdensadvertenties beter dood kunnen gaan,” had Knap zijn collega’s voorgerekend.
,,Als jij daar nou eens mee begint. Jij bent goed voor zekere drie advertenties, met al die paapse familie van je,” had zijn hoofdredacteur gebromd.
Het papier werd duurder want dat moest ecologisch verantwoord worden geproduceerd. De nieuwe cao hielp er ook niet aan. Er was nergens meer geld voor, nog even en de redacteuren moesten weer gewoon een broodtrommeltje onder de snelbinders mee van huis nemen. Somberheid troef.
En dan dus die van de televisie aan de telefoon. Nog dezelfde middag haalde de directie ergens een paar ton vandaan. De werkgelegenheid was gegarandeerd en de kwalitatieve journalistiek gered, wist de hoofdredacteur. Juichend werd een bericht gemaakt voor in de krant met foto's erbij. Ze konden, om te beginnen, dagelijks een pakketje gesproken berichten leveren: dat kostte geen cent als ze de zooi van internet en teletekst pikten.
Knap herinnerde zich, was hij bijna vergeten, dat hij nog een keer achter zijn bureau een politiebericht over een brandgerucht had moeten voorlezen, terwijl hij gefilmd werd door een collega, die een videocamera had geleend
van zijn schoonvader. ,,Cut!” had zijn adjunct-hoofdredacteur kwaad geroepen na nog geen twee zinnen. ,,Da's knap kut. Da's helemaal niets.”
De adjunct-hoofdredacteur fungeerde tevens als de productieleider en regisseur, hoewel hij een filmcamera en een microscoop nog niet uit elkaar kon houden. Hij hoopte door Hilversum ontdekt te worden voor tegen de tijd dat hij op de krant het loodje zou leggen. Voor de gelegenheid liep hij er een beetje kunstzinnig bij, tenminste, alsof hij die ochtend vroeg wederom slapend op een bank in het Vondelpark was aangetroffen. Er hing een zure lucht om hem heen, maar dat was vaak zo. De adjunct had al weer in zijn handen gewreven. ,,Wij gaan eens zien hoe die blonde stagiaire daar het doet. Die heeft wel wat.”
,,Dat is een schoonmaakster.”
,,Het is toch een andere tak van sport,” had de hoofdredacteur teleurgesteld en met tegenzin zijn ondergeschikte Knap nagezegd, toen hij een paar maanden later volledig door zijn budget heen was.
,,En dan is de helft nog op gegaan aan eten en drinken,” klaagde Knap. ,,Als het daar bij gebleven is.”
Ze hadden van de lokale omroep om te beginnen een eigen songfestival moeten opzetten, want ze bleken er ook bij gehaald voor de cultuur. De hoofdredacteur dacht dat hij met de uitbreiding van het programmapakket ook meer greep op de zender kreeg. De nota's van allerlei bedrijven bleven binnenstromen en er bestond nog steeds geen uitzicht op wat zijn redacteuren eigenlijk op de televisie hadden te zoeken. Knap probeerde hem op te monteren met zijn overtuiging dat het massamedium televisie nu eenmaal een hekel heeft aan journalistiek.
,,Te makkelijk, meneertje Knap. Als wij maar de juiste mensen hadden gehad,” peinsde de hoofdredacteur hoofdschuddend in een laatste poging iets van zijn perspectief overeind te houden, ,,met de juiste opleiding.”
Terwijl die afgestudeerden van de journalistenmulo's in meerderheid juist een goed heenkomen zochten bij tv-programma's waar ze geen enkele journalistieke kwaliteit van node hadden, integendeel. Ze moesten ten behoeve van de populairste presentatrices, die helemaal nergens verstand van hadden, de vragen opzoeken voor een zogeheten interview waartoe ze een knipselmap met allemaal stukken van schrijvende collega's raadpleegden en overpenden. Als ze ergens een grappig terzijde vonden, dan hield de presentatrice zich warm aanbevolen voor een pluimpje van de recensenten wegens haar gevatheid.
Dezelfde tegenstellingen als tussen de gratis kranten en de echte hadden zich ook bij de televisie voorgedaan tussen de publieke en de commerciële zenders. Journalisten beweerden steeds vaker dat zij het verschil tussen die twee niet konden ontdekken. Dus dan bestond er geen verschil. Of ze nou het journaal deden of redacteur waren bij een diverterende talkshow over dieren, klussen en alles daar in de buurt, overal werden dezelfde hoge journalistieke normen gehanteerd, wisten zij. Er mocht alleen geen maatschappelijke of politieke betrokkenheid worden uitgedragen. In feite betekende dat een volledige vrijheid van meningsuiting in vergelijking met publieke omroepen waar ze van onze belastingcenten ook nog een mening moesten hebben. Dat aspect van de journalistiek verdween steeds vaker in de richting van de columnisten die in feite de schaamlap werden voor het halve werk dat
ter redactie werd geleverd. ,,En dan moeten we ook nog geloven dat bij de commerciële zenders de commercie geen enkele rol speelt,” schamperde Knap.
Het medialandschap had een karikatuur van zichzelf gemaakt. De journalist was vanzelf zijn Kuifje geworden: hij discussieerde net zo verstandig met de minister-president als met Bobby de hond. Was het gek dat het journaille steeds vaker werklozen betrof die zich ZZP'ers waren gaan noemen, want dat klonk minder desastreus dan het was: zelfstandige zonder publicaties.
Knap had voor alle zekerheid aan Lücker gevraagd of hij tijdens de sollicitatiegesprekken toch ook niet naar een interviewer moest omzien? Maar de voormalige Keukenkolos had de vinger op de knip gehouden. ,,Een lullige vraag stellen en dan iemand laten leeglopen, dat is geen journalistiek, dat is psychiatrie voor beginners.”
Een pak van zijn hart. Knap herinnerde zich de discussies bij zijn oude krant over het straatinterview met de toevallige passant dat het gebrek aan een eigen mening moest maskeren. Hij had een verbod op het soort geëist maar alleen nieuwe vijanden erbij gekregen. Sommige collega's vonden op straat hun roeping en anders verkering. ,,Jij bedoelt te zeggen dat gewone mensen, onze abonnees, die elke dag lezen wat jij met je tong tussen je tanden neer hebt zitten pennen, keurige mensen die op tijd hun abonnementsgeld betalen, dat die eigenlijk te dom zijn voor zowel onze vragen als hun eigen antwoorden?”
Knap had de lippen met moeite stijf op elkaar gehouden, want de waarheid deed zo'n pijn.
Aan het journalistieke front van de televisie grossierden ze in het gestotter op de markt, de zinnen zonder kop
en staart, of een parmantig 'geen commentaar' als ze dachten dat het iemand van de Jehova Getuigen was.
Merkwaardig, zo schril als die afstaken bij wat de kijkers in de journaals ondertiteld kregen aangereikt van de eenvoudigste inwoners van de donkerste uithoeken van de wereld, nog onherbergzamer dan van waar die reisbijlagen over gingen: allemaal welingelichte kringen. In Afghanistan werd in alle lagen van de bevolking aanzienlijk fraaier, erudieter en historisch verantwoorder geformuleerd dan de Nederlandse kijkers kenden van hun eigen Albert Cuyp. Zij daar waren toch de analfabeten? De onzen moesten toch de scholen nog voor hun nog bouwen? Overal elders wisten de mensen zich zelfs tijdens de grootste calamiteit van het jaar zonder haperen in schitterende volzinnen uit te drukken over het leed dat hun werd aangedaan, het gebrek aan perspectief en de dood als de dagelijkse gast aan tafel. Op elke markt in het Midden-Oosten vonden de cameraman en zijn meisje van het geluid ongevraagd alleen maar woedende anonieme Arabieren, die zich in perfecte hyperbolen, stilistisch verantwoorde opinies, bondige samenvattingen van de internationale politieke situatie, begrijpelijke woede, pijnlijke historische overzichten en herkenbare, droge, humorloze logica uitdrukten.
En dat allemaal terwijl het oploopje steeds moest bukken voor zowel het inkomend vijandig als het uitgaand vriendelijk vuur, of de van diverse kanten woedend toegeworpen schoenen. De Spaanse griep ging hier ooit zonder aanzien des persoons te werk, de tuberculose en de watersnood ook, maar de vijandelijke granaten, die hadden de kinderen, de vrouwen en de bejaarden er wederom feilloos tussenuit weten te pikken, aldus een gesluierde
omstandster met d'r kilo prei half uit d'r tas. Het viel niemand op dat aan zulke haast poëtische tirades de in krakkemikkig Engels gestelde vraag ontbrak.
,,Daar hebben ze hun tolk voor,” reageerde de hoofdredacteur.
,,En ze geloven ook in diens onafhankelijkheid?”
,,Wat lul je toch, Knap. Als je de Belgische televisie ziet, hoor je ze daar toch ook tien keer beter formuleren dan hier. Dat is hun cultuur.”
Hij gaf zich gewonnen. In de tv-wereld was het nieuws onderdeel geworden van de heersende kijkcijferwedstrijd. Wie als eerste een camera bij een geluk of bij een ongeluk hield, werd bejubeld als de grootste vakman, de deskundigste van het hele stel en hij werd vanzelf genomineerd voor de Nipkowschijf, voor welke rubriek die ook ooit gewerkt mocht hebben, die Nipkow.
Misschien moest Knap de goeie god op zijn blote knieën danken dat het in de journalistiek juist steeds vaker aan kundigheid en idealen was gaan ontbreken. Want dat zou pas een ramp zijn geworden: een krant of commerciële omroep die voluit achter een populistisch politiek verschijnsel aan zou gaan, zoals ooit alle omroepen uit hun eigen politieke richting waren ontstaan, maar de weg de laatste tijd min of meer waren kwijtgeraakt. Hij moest er niet aan denken dat de populairste tv-lui, genomineerd voor de grote prijzen van de kijkers, gevraagd voor alle jury's van de vreemdste zang- en danswedstrijdjes, niet weg te meppen in roddelprogramma's, verliefd, verloofd en aan een nieuwe toe, ook nog hun eigen maatschappelijke en politieke denkbeelden verhandelden aan de hoogst biedende.
Nog elke dag vrat de commerciële televisie aan de journalistiek. De hele wereld moest teruggebracht worden tot het blikveld van de kijker tussen de 22 en 35 jaar: want die moesten hun hele hebben en houden nog bij elkaar kopen. Als het een beetje meezat twee keer, want ze gingen vaak na korte tijd weer van elkaar af en later liefst nog eens als ze een beetje geestelijk gesetteld waren geraakt; zo was de Ikea vanzelf voor alle leeftijden geworden. Maar de tv niet. De adverteerders en de jonge boodschappers waren de tv-terroristen. Daar moesten de programma's op afgestemd zijn: kinds, kinderlijk en kinderachtig. ,,Er zijn tegenwoordig al meer zenders dan dat er behoorlijke journalisten bij de omroep werken,” had Knap vaak op luide toon beweerd. Dan keken ze hem met grote ogen aan. En gruwelijk, dan gaven ze hem nog gelijk ook. Tot ze zelf zo'n overstap konden maken.
Door het informatiebombardement dat hij op zichzelf had losgelaten, tenminste, hij dacht dat het daaraan moest liggen, was Knap op de verkeerde oneven verdieping uitgestapt en moest hij door het glazen trappenhuis twee etages omlaag. Een uitzicht tot aan de wachtende tankers op de rede van IJmuiden. Maar dat was niet aan hem besteed. Met zijn ogen vrijwel dicht, voorzichtig tastend, voetje voor voetje, moest hij zijn weg zoeken. Van alle moderne architecten, internationaal gelauwerd en uitverkozen voor de hoteltorens van Singapore tot Hongkong en Dubai had er nooit één van hoogtevrees gehoord. Al die nieuwbouw, met overal die dikke glasplaten als parket en al dat open ijzeren vlechtwerk, die onverwachte doorkijkjes naar pardoes twaalf verdiepingen lager en steeds zonder een visueel storende balustrade,
Henri Knap moest wel de enige Nederlander zijn wiens knieën knikten en wiens maag vlak onder zijn adamsappel geraakte in zo een trappenhuis.
,,En?” had Lücker gevraagd. ,,Was het wat?”
Knap had een beetje zuinig geknikt. ,,Altijd lastig om de goede mensen te vinden, helemaal voor een avontuur als de Hollandsche Nieuwe.”
,,Bedoel ik niet. Was 't een lekker stuk?”
,,Mwah,” vond hij demonstratief. Hij had liever niet dat de hoofdredacteur meteen achter haar aan ging.
,,Merci. Dan weet ik genoeg.”
Knap had Hannelore Faas op zijn lijstje met redacteuren gezet, hoewel hij nauwelijks een idee had wat zij kon en of zij hem niet al gauw op zijn zenuwen zou werken met haar innemende argeloosheid, die glimlach en dat charmante zelfbewustzijn. Misschien was dat maar een pose. Deed zij zo vanzelf tegen elke man die zij ontmoette, of het nu op een sollicitatiegesprek was of 's avonds laat aan de bar.
Mensen aannemen bleef een blinde greep in een bak met allemaal schijnbaar geschikte kandidaten en een paar die last hadden van een eenvoudig te traceren Napoleoncomplex. Hij was er niet trots op, maar Henri Knap had de redactie gevuld gekregen voor vijf keer per week een vers dagblad.
Het was ondertussen harder gaan regenen. Knap had een van de andere gratis kranten die hij was tegengekomen meegenomen. Als hij er dan toch een boven zijn hoofd moest houden, dan liever een van de concurrent. Hij had nog niet eens gekeken hoe zijn eigen voorpagina eruit was komen te zien. In de tijd dat hij bij een echte krant had gewerkt, zou hem zoiets nooit zijn overkomen. Weer of
geen weer. Dan stond hij midden op de stoep ineens stil om een bericht te lezen. Botsten ze tegen hem op, werd er gevloekt of zei er zo'n rasechte Mokumer: ,,En, hoeveel dooien, meester?”
Een enkele keer, als hij dacht dat zij een wereldschokkend nummer hadden gemaakt, was hij tegen middernacht op de redactie langs gegaan om een eerste editie op te halen. Keken ze hem aan alsof hij nu toch echt gek was geworden.
Ze hadden in die tijd thuis nog vaste afspraken gehad over wie er 's morgens als eerste de krant mocht lezen. Tegenwoordig haalde Knap zijn schouders eens op als zijn vrouw niet direct bereid was het tweede katern zovast aan hem af te staan. Ach, het tweede katern. In de tijd dat de krant nog een mijnheer was, bestond er maar één, tot aan alle vier de randen gevuld katern, dat een abonnee aan het eind van de dag uit had en daarna doorgaf aan de buurman in de hoop over een paar jaar niet tevergeefs op een pannetje soep van die kant te hoeven wachten. Het tweede katern was tegenwoordig een service voor mensen zonder werk en zonder idee wat ze verder met de dag moesten aanvangen. Van urgentie was in de opeenstapeling van berichten nauwelijks sprake.
De tram had vertraging. Dat hij nog eens met zo'n smoes op de redactie van een krant moest aankomen. De dagploeg diende volgens de richtlijnen van Lücker om uiterlijk tien uur binnen te zijn. Ongeveer tien uur, dat was een term die altijd bij de journalistiek had gehoord: 's morgens of 's avonds?
Knap zag zijn hoofdredacteur meteen staan toen hij binnen stapte. Nog voor hij zijn natte jas uit had wierp
Lücker de krant met een wild gebaar op de koffietafel en wees met een trillende vinger op een kleine foto: ,,En goddomme nog aan toe, ook nog op bladzij 4!”
Knap was doende zijn brillenglazen droog te vegen. Geen vermoeden waar zijn hoofdredacteur op doelde.
Als ze ooit nog eens een overlijdensadvertentie zouden krijgen, dan moest die op pagina 4 komen te staan, had Lücker in een toegift op zijn redactionele formule bepaald. Linkerpagina's werden slechter gelezen en om een of andere reden was volgens hem de vierde pagina van het hele pakket het redactionele kerkhof, de pagina der verdoemden en stagiaires. De hoop op zogeheten familieberichten had hij trouwens al opgegeven. Die waren het exclusieve en lucratieve domein van de echte kranten. De directies van al die gratis prullaria en van alle quasi journalistieke websites smachtten er kansloos naar.
De familieberichten waren een goede graadmeter voor de overlevingskansen op korte termijn van een echte krant. Hele families lazen al generaties lang hetzelfde dagblad. Maar allerlei vormen van geboortebeperking hadden hun sporen in het abonneebestand nagelaten. Daarnaast was één advertentie per afgestorvene een kale boel. De krant was gek op diverse lezingen der gebeurtenissen. Waar de ene helft van de familie het allang had zien aankomen, daar waren zij van de koude kant met smart vervuld door het onverwachte nieuws. En dan graag een annonce er achteraan van de collega's. Magere Hein had weer de grootste grappenmaker als eerste weggemaaid. Op de universiteit net zo goed als in de bouw. Nooit eens een noeste werker, een fidele kerel, desnoods een klootzak maar een sieraad voor het vak, jammer dat hij geen enkel
gevoel voor humor had. Altijd ging de leukste als eerste. Hoe moeten wij nu verder?, vroeg de weduwe zich af. De afdeling boekhouding maakte zich ook al zulke grote zorgen over de viering van 1 april.
Er was geen enkele ruimte voor een advertentieverkoper van een andere krant om zo een familiebericht tegen een goedkoper tarief bij de rivaal weg te kapen. De echte kranten hoefden op dit onderdeel geen scherpe concurrentiestrijd met elkaar aan te gaan. De abonnees kwamen vanzelf langs.
Het was misschien wel een van de meeste vreemde vormen van kartelvorming en ongeoorloofde klantenbinding. Daar waren de prijzen per millimeter ook naar. De kosten werden meestal via de begrafenisverzekering betaald, dat scheelde in de schok en in de slachtoffers bij de nabestaanden.
De Knapjes hadden geen begrafenisverzekering afgesloten. Dood gaan wij allen, hadden zij al op jonge leeftijd geredeneerd, of de auto het op een onhandig moment zou laten afweten en herstel nodig had, ,,dáár hebben ze nou de verzekering voor bedacht.”
Knap had eens door een ter zake kundige de kosten van de advertentie en de limousines laten begroten, plus het opstoken van de oven, de koffie met cake toe, een marmeren urn voor op de schouw plus de huur van het zaaltje dat een rouwdienst van alle gezindten aan moest kunnen - als er iemand als eerste opgestookt moest worden dan was dat die binnenhuisarchitect die alle crematoria van het land aangekleed had. Dat bedrag hadden ze in een paar jaar tijd bijeen gespaard en op een rekening apart gezet, zodat het inmiddels dankzij rente op
rente een luxe begrafenis zou worden met veel drank en hapjes in een gerenommeerd restaurant. ,,Als wij meer dan tachtig jaar worden, mogen ze met de hele familie en alle vrienden en kennissen een weekje op een salonboot over de Rijn,” had Knap aangekondigd. Kist op het voordek. Begrafenissen te water waren in de mode geraakt. ,,En we zetten de overlijdensadvertentie op de voorpagina,” voegde vrouw Knap er aan toe. Zo had zij nog eens lol van d'r eigen heengaan.
Hoofdredacteur Lücker wees zijn redactiechef dwingend op het kopje 'Plezierige Patserpartij?' Het stond boven een onderschrift waarin gemeld werd dat ,,de controversiële rijzende politieke ster Dresselhuijs (geheel rechts) prominent aanwezig was bij het jaarlijkse gala voor de populairsten onder de rijken.” Een pak van Knaps hart dat er geen sprake was van een reizende ster. Naast haar straalde Lücker met Gracia aan zijn zijde alsof dit allemaal om hem ging. Alleen, dan weer geen woord over die twee in het onderschrift.
,,Hoe kan dat, goddomme? Kent men mij hier niet? En dat vraagteken, is dat lollig bedoeld?”
Knap wist van niets. Hij mocht dan redactiechef zijn en de krant overdag in de steigers zetten, het bleef altijd afwachten wat daar van restte als Gortzak met zijn ploeg er overheen was gegaan. Volgens afspraak werden er in de avonduren aantekeningen gemaakt bij Knaps instructies, zeker indien daar van afgeweken werd. Hij had het nachtrapport nog niet gelezen maar Knap vermoedde dat de dienstdoende redacteur het plaatje niet eens had bekeken. Dat gebeurde vaker. Het onderschrift was ongetwijfeld rechtstreeks overgenomen van de fotograaf.
,,Zo gaan die dingen bij een echte krant,” gaf Knap zich over en probeerde er een beetje bedroefd bij te kijken. Vechtend tegen het chagrijn omdat er water in zijn schoenen stond.
,,Ik kan goddomme mijn kont niet keren of het loopt nog erger spaak dan toen men mij een gros Poolse keukens had verkocht.”
,Het gaat allemaal volgens jouw richtlijnen, maar een misverstand blijft altijd mogelijk.” Knap gooide het snel over een andere boeg. ,,Wat is er mis met Poolse keukens?”
,,De culinair buitengewoon belabberde toestand daar. De kastjes donderden naar beneden als je er naar keek en het gasstel had maar één pitje. Heb jij er een gekocht?”
Knap schudde het hoofd. ,,Jij hebt dus kennisgemaakt met de befaamde mevrouw Dresselhuijs.” Hij zei het niet hardop maar hij vond haar iets tussen een viswijf en een hockeymeisje in, hoewel dat laatste, indien gestegen tot de hoofdklasse, in vrijwel niets meer leek op wat men vroeger een hockeymeisje noemde. Zulk spul hakte er tegenwoordig op los alsof het ijshockey was. Dubbele namen haalden het eerste elftal niet meer, althans niet heelhuids. En dan bleek minstens de helft op een trainingskamp in Spanje ook nog lesbisch te zijn geworden.
,,Ik hoop voor jou, Knap, dat zij het zich niet al te zeer aantrekt. Want anders hebben wij een groot probleem. Jij vooral, goddomme! Wij zouden vanmiddag het concept verkiezingsprogramma van Dresselhuijs krijgen. Heel dat journalistieke Nederland van jou jaagt daar al dagen tevergeefs op. Niks geen lek. Exclusief! Primeur! In de Hollandsche Nieuwe: het tienpuntenplan. Ik zou niet
vreemd opkijken als zij zich vanwege deze lullige foto en dat stupide onderschriftje alsnog bedenkt. Ik zou 't haar niet kwalijk kunnen nemen. In dat geval heb jij de poppen ten zeerste aan het dansen, Knap! Komt zij alsnog af dan wil ik daar, noteer dat, morgen een grotere foto bij zien van mijzelf met haar en met de mijne. Duidelijk? Anders ga je maar fotoshoppen.”
Knap kon eindelijk zijn druipende jas uittrekken terwijl Lücker zichzelf naar zijn kamer afmarcheerde.
,,Wat stom,” fluisterde Faas, die schielijk uit haar werkplek was gekropen en naast hem de foto bekeek. ,,We hebben net dat gedoe met Johnny Walker gehad. Begrijpt zo'n eindredacteur niet dat hij voorlopig alle foto's heel nauwkeurig moet bestuderen?”
Knap keek haar vragend aan. Er hoorde nog iets bij, te zien aan de blos op haar wangen en die blik alsof zij samen al jaren op vertrouwelijke voet waren. Als zij nu zou vragen of hij met haar mee ging, ver weg, dan was hij voor eeuwig de hare. Zo een moment was het. Het was net zo snel alweer voorbij. Zij sprak zacht met haar tanden op elkaar, hoewel dat niet nodig was want geen van de andere aanwezige redacteuren had aandacht voor haar: ,,Ben ik gek? Ben ik werkelijk de enige in dit hele land die de dikke asymmetrische neusgaten van Gracia herkend heeft als die van de geheimzinnige vriendin van Johnny Walker?”
Knap verschoot. Hier botsten diverse onderwerpen waar hij nu liever niet aan dacht en waar hij het publiekelijk liever niet over had. Hij probeerde zo afstandelijk mogelijk te reageren: ,,Iets zegt mij dat het beter is wanneer u dat voorlopig alleen weet. En noodgedwongen ik dus nu ook.”
,,Lekker dan.” Faas draaide zich gekwetst om.
Zo stierven de mooiste primeurs en de grootste liefdes een ijskoude dood.
Knap kon de neusgaten van Gracia vanzelf niet van zijn netvlies krijgen. Hij haalde de oude krant er bij en bekeek de foto's nog eens nauwkeurig. Dat hij dat toch niet meteen gezien had. Of Lücker. Die lag er met zijn neus bovenop. Het zou een geweldige doorbraak zijn. Nog een mogelijke primeur van de eerste orde voor de Hollandsche Nieuwe. In de tijd van de koddebeier moest men het bij de opsporing doen met vage persoonsbeschrijvingen volgens de getuigen van moord en doodslag. Daarna kwamen de vingerafdrukken, toen het DNA en nu volstonden al de neusgaten. Knap keek nog eens met het voyeuristische gevoel dat veel van zijn lezers ook bevangen moest hebben. Alsof hij per ongeluk die slaapkamer was komen binnenstappen. Hij kon de moedervlekjes op haar buik tellen: Aruba, Bonaire, Curaçao, herkende hij in de gauwigheid. En een kleine ijzeren pin met diamanten kopje door haar navel: Paramaribo.
,,Ka-nap!” De hoofdredacteur riep hem alsof hij voor het vuurpeloton werd verwacht.
Misschien waren Gracia's neusgaten het laatste waar Lücker op lette.
,,Wij gaan Dresselhuijs en haar plan een belangrijke plaats geven op mijn voorpagina. Ik ga er voor het gemak van uit, dat zij mij niet laat zakken om zo een lullige foto van jou.” Hij schudde bezorgd het hoofd. ,,Haar plannen spreken de mensen voor minstens vierentwintig Kamerzetels aan, zo is mij gisteravond van diverse betrouwbare zijden door deskundigen verzekerd.” Hij sprak het woord deskundigen uit alsof hij het in haar bijzijn had
over de majesteit zelf. ,,Als wij met de Hollandsche Nieuwe Courant eindelijk een klapper voor op langere termijn willen maken, en dat wil ik, dan moeten wij mevrouw Dresselhuijs daartoe faciliteren. Stel je voor dat zij in de regering komt. Realiseer jij je wat dat zou betekenen? Elk jaar als eerste de complete lintjesregen!”
,,Ik dacht dat wij alle vermijdbare politiek buiten de kolommen moesten laten.”
,,Gaan wij weer rechtlijnig doen, Knap? Dat blijft zo, met een enkele uitzondering. Het is hier een krant. En voor jij daarover begint te zaniken: daar bedienen wij onze lezers mee die een voorkeur hebben voor herkenbare, praktische politiek en voor eenvoudige, haalbare oplossingen, die ze desgevraagd zelf net zo makkelijk uit hun mouw zouden schudden. Dat moet nog met cijfers van de onderzoekers van Cave Canem onderbouwd worden, maar dat voel ik aan mijn water. Men kan mij veel verwijten maar ik onderschat de onderklasse niet. Zo ben ik groot geworden met mijn keukens.” Hij zuchtte: ,,Goddomme, Knap, wat een avond. Wat een wijf. Wat een dijen.”
Lücker was onder zijns gelijken geweest op The Greatest Patserparty Ever. Onbegrijpelijk dat er mensen op een feest met zo een naam gevierd wilden worden. Die vette knipoog viel de doelgroep waarschijnlijk niet op. ,,Wie ik niet allemaal de hand heb geschud! Of gekust! De dames. Ik heb midden in de roos geschoten met mijn berichten over Walker! En denk niet dat het zo een festijn was voor iedereen met aanstellerige bretellen en een arrogante bek, van die televisieniksnutten en mensen uit de categorie musical zal ik maar zeggen. In de verste verte geen Walker te bekennen. De Patserparty heeft de stijl en de
klasse van ons soort mensen, dat hoorde je iedereen zeggen. Je komt er alleen op uitnodiging binnen. En geen gelul met oesters, champagne en kaviaar. Op de Patserparty kun je gewoon een koud pilsje krijgen en een goede bitterbal met Zaanse mosterd.”
,,Wat doe je daar verder? Koop je er iets of zo?”
,,Nog een essentieel verschil met die andere beurzen: mensen die er thuishoren, kopen niets op de Patserparty. Had ik gelukkig net op tijd in de gaten, want mijn meisje had een mooi klokje gezien. Zij trok al aan mijn mouw. Maar op de Patserparty kijkt men alleen wat rond op de stands. Praatje hier, praatje daar, glaasje en hapje, en dan maakt men een afspraak. Ik ga toch niet open en bloot een auto kopen op een tentoonstelling? Sodemieter op. Ze zien wel wat ik nou weer onder mijn kont heb en wat er naast mij zit als ik op het Leidseplein voor het stoplicht stil sta. Als ik stil sta.”
,,En die Dresselhuijs hoort daar bij? Ik kan het me nauwelijks voorstellen. Zo'n luidruchtig middenklassertje?”
Lücker schudde heftig zijn hoofd. ,,Nee. Zij kreeg de gelegenheid haar partij bij ons te introduceren. Zij is typisch iets voor ons soort mensen, niet al te politiek. Zo een avond, dat is netwerken, dat is ambiance, dat gaat om dienst en wederdienst, om de indruk die wij en zij achterlaten in diverse vormen van shownieuws op de televisie. Dan is het ook belangrijk wie er allemaal niet zijn. Dat zouden wij eigenlijk morgen moeten publiceren: een lijst van mensen die er niet waren. Al dat linkse tuig.”
,,En de majesteit.”
,,Jij begint altijd meteen met de negatieve kant.” Hij keek even teleurgesteld maar ging toen onverdroten verder.
,,Vanwege Dresselhuijs d'r praatje mochten er een paar streng geselecteerde fotografen naar binnen. Daar moet die kiekendief die jij had besteld dus ook tussen hebben gezeten. De andere kranten hebben een e-mail gekregen met haar tekst en een paar mooie plaatjes, weet ik van haar persoonlijke assistent met wie ik onder een paar potjes bier een voortreffelijke relatie heb opgebouwd. Er was een decortje opgesteld met haar vlag op het salontafeltje, bloempotje erbij en zo. De majesteit met Kerst, zal ik maar zeggen. Daar kon men dan met haar op de foto, als je voor 2500 euro sponsor werd. Wij? Wij zijn gevráágd als de onafhankelijke nieuwsbrenger! En dan goddomme zo een kutplaatje in mijn eigen krant.”
,,Wat is die Dresselhuijs precies van plan? Het lijkt me zo een raar, ongeleid projectiel.”
,,Denk jij dat onze lezers dat werkelijk interesseert? Als ik een stevig, pront wijf zie waar ik opgewonden van kan raken - en dan moest jij eens zien wat ik zelf bij me had,” hij lachte schel, ,,dan raakt iedereen daar opgewonden van. Dat weet ik dan weer, mijnheer de redactiechef. Dit is nieuwe politiek. Geen inhoud maar uiterlijk. Natuurlijk, Knap, ik moet er niet aan denken dat zij de meerderheid krijgt, maar dat hoeft niet. Voor ons zijn 27 zetels genoeg. Een beetje handige politicus maakt daar op de essentiële punten een meerderheid van. De rest gaat naar waar het toch wel terecht zou zijn gekomen: het oud vuil. Zorg dat de voorpagina voor haar wordt vrijgehouden.”
,,En wat als de majesteit komt te overlijden?”
,,De dood? Dat weet je, dat is pagina 4.”
Knap veegde zijn beeldscherm met een tissue schoon en begon aan de eerste directieven voor de chef nacht.
Hij waarschuwde hem wat meer aandacht te schenken aan de onderschriften en eventuele nieuwe liquidaties naar waarde te schatten. Terwijl hij het opschreef had hij er al nauwelijks fiducie meer in.
Gortzak was een volle neef van haar die ruim vijfentwintig jaar lang en tot zijn volle tevredenheid Lückers aardappelen had gekookt. Zij was inmiddels een spook uit zijn recent verleden. Lücker mocht dan groot geworden zijn als De Keukenkolos met een eigen schriftje met zijn zogenaamde favoriete recepten als relatiegeschenk, het lukte hem niet om een pizza anders warm te maken dan door hem op de radiator te leggen en de thermostaat op 10 te zetten. Hij kwam niet door de handleiding van de magnetron heen. Joop Lücker probeerde om via Gortzak nog enige goodwill te kweken bij de familie waar ze Lücker na de scheiding als een klassenvijand beschouwden die op alle fronten bestreden moest worden.
Lücker had in een nieuw begin willen maken na de verkoop van De Keukenkolos. Hij had Holdert laten uitrekenen wat zijn ex-vrouw nodig zou hebben, als zij desnoods honderd jaar zou worden, want hij hield rekening met het somberste scenario. Hij wilde dat zij al die tijd haar oude staat kon blijven voeren. Dat het haar van verre aan te zien zou zijn dat hij haar niet had laten stikken voor zoiets banaals als een lekker ding. Dat had hij wel gedaan, maar hij wilde deemoedig de nota betalen. De uitkomst van Holderts berekeningen was even slikken, want dat loopt gauw op, en hoe meer geld er op de bank staat, hoe zuiniger een mens wordt. Maar het kon er van af, zonder dat het zijn nieuwe leven in de war gooide. Zij mocht ook het huis houden.
,,Het ergste is, dat zij geen cent van mij wil hebben. Het huis ook niet.” Lücker had die kant van zijn verhaal fluisterend en nog steeds boos en beledigd aan zijn nieuwe bijna-vriend Henri Knap verteld. Hij had haar ooit als winkelmeisje aangenomen en dezelfde maand nog telefonisch zijn handen vrij gemaakt door met zijn langjarige verloofde te breken. Het was groter gedoe geweest dan gedacht om die prachtige keukenmeid in te palmen, een kapitaal aan bloemen, films en eten, zij was gek op het half gebraden kippetje met patat en appelmoes, maar het was hem ten slotte gelukt, huwelijk en al, plus jarenlang lief en leed, geen kinderen - ze hadden nooit aanleiding gevonden om aan de dokter te vragen aan wie van hun tweeën dat lag, wel elke dag zijn gekookte aardappelen.
Toen hij aan zijn nieuwe leven was begonnen, was zij demonstratief achter de kassa gaan zitten van de supermarkt waar zij jarenlang een prominente vaste klant was geweest. Zij had van de gemeente een kleine flat toegewezen gekregen uit de noodvoorraad voor slachtoffers van uitslaande branden, huiselijk geweld en andere crepeergevallen. Die had zij sober ingericht met spullen van een uitdragerij, van de rommelmarkt of uit de goedbedoelde recycling. Zij at desnoods van de voedselbank. Zij redde zichzelf wel.
Het had haar humeur niet zichtbaar aangetast. Hij had haar een enkele keer vanuit de verte zien zitten en was telkens snel doorgelopen naar een gespecialiseerde slager verderop. Dat was nog het ergste. Lücker durfde er niet lang over te denken, maar misschien had zij gevonden waar hij met zijn kapitaal tevergeefs naar hengelde.
Lücker was verhuisd naar de boorden van de Vecht, een buitenhuis dat paste bij zijn gestegen positie op de Quote 500, en dat hem verloste van elke toevallige aanblik van zijn ex-vrouw en haar voetbalplaatjes. Het huis was veel te groot voor hem alleen. Als de zon scheen, viel het nog mee, maar op bewolkte dagen werd hij er depressief van. Helemaal van dat zwembad in de achtertuin, hij had zo een hekel aan zwemmen. Maar hij kon niet zonder voor de buurt. Lücker zat er zo weinig mogelijk, want alleen was maar alleen en Gracia had het druk met haar carrière.
Heel soms kwam hij mensen tegen die hem nog kenden als de man van zijn ex, tevens de bejubelde sponsor van de landelijke eerste divisie twirling en het regionale harmoniegebeuren. Regelde Holdert allemaal; was aftrekbaar. De Keukenkolosjes hadden bij geen enkele gelegenheid ontbroken. Zij hadden op de tribune zitten juichen en ze kenden het volledige populaire Hollandse repertoire van na afloop het meezingen en hossen in de kantine als er weer een kampioenschap was te vieren.
Dat was allemaal voorbij, vrouw weg en De Keukenkolos opgedoekt. De voormalige vrienden en kennissen knikten plichtmatig en dan liepen ze snel door. Ze konden niet doen alsof ze niet wisten wie hij was, maar voor de rest wilden ze niets meer met hem te maken hebben. Hij had zijn vrouw laten zakken en de club ook. Lücker kon ze moeilijk midden op straat naroepen dat hij een paar miljoen voor haar apart had gezet maar dat zij niets van hem wilde hebben: dik vier miljoen! Euro's! Tien miljoen oude guldens, minstens!
Het knaagde toch aanhoudend. Alsof hij er een geweten op nahield. Vandaar Lückers charmeoffensief in haar
familie, dat Gortzak zijn bijbaantje had opgeleverd, dat zijn quasi ome Joop had opgewaardeerd tot dat van chef nacht toen Knap zijn mond voorbij had gepraat. Tot nu toe had Gortzak geen grote fouten gemaakt. Zo moeilijk was het vak van journalist niet als je een gemiddeld stel hersenen had, ook niet als die dreven in de alcohol.
Toen Knap de blinkende klink van de deur in handen had, kuchte Lücker nadrukkelijk en wenkte hem terug voor een vertrouwelijke mededeling. ,,Nog zoiets. Ik ben de auto en mijn rijbewijs kwijt, goddomme. Ik ging vannacht een kleinigheid te hard. Verder geen mens op de weg, maar je kent de politie. Ik moest ook nog blazen. Een paar slokjes too much en je hangt in dit land alsof je een ordinaire zatlap bent. Enfin. Ik zit in het Hilton, voor als je me buiten werktijd nodig hebt. En zorg ervoor dat we dat niet in de krant krijgen, nu ik toch een min of meer bekende Nederlander ben. Ook niet per ongeluk. Houd die correspondenten een beetje in de gaten. Ja?”
Knap knikte begripvol, alsof ons dat allemaal regelmatig overkwam. Hij was een degelijke journalist maar soms moesten ook de grootste vakbroeders een beetje schipperen met hun onafhankelijkheid.
Op zijn eigen werkplek trof hij een elektronische boodschap van Faas aan: ,,Doe ik nog wat met mijn neusgaten?”
,,Laten zitten waar ze zitten,” seinde hij terug. ,,Misschien iets voor een onderzoeksjournalist bij de concurrentie. Het zal mij benieuwen.”
,,Ons geheim,” antwoordde zij op haar beurt. ,,Walker zal vandaag of morgen zelf wel onthullen wie zij was. Dan heeft die L. een groot probleem.”
,,Die L.?” Hij keek even niet begrijpend, bang ook dat zij die lul bedoelde. Maar toen viel het kwartje. ,,Sommige dingen mogen wij van jouw L. geen nieuws vinden. Misschien zal hij nooit weten van jouw prachtige primeur. Groet, Henri.”
,,Mijn L.? Gek. Koffie? Knuffel, Hannelore.”
Knap zat even voor zich uit te kijken. Zo dicht was hij nog nooit bij een wilde affaire geraakt. Hij had zich laten gaan tijdens een potje e-mailen met iemand die op geen vijf meter afstand zat en met wie hij in levenden lijve de zaken kon doornemen maar waarbij hij nooit zo ver zou gaan als wanneer hij eenzaam achter zijn toetsenbord zat. Hij begreep ineens een stuk meer van de sociale media. Eerst praat een mens z’n mond voorbij, dan komt de lust opzetten en dan blijkt zij pas twaalf jaar te zijn.
Dat was hem in elk geval niet gebeurd. De nieuwe technieken vaagden alle afstanden weg terwijl er tegelijk andere, steeds grotere kloven gaapten. Mensen die thuis hun webcam aan hadden staan om hun grootste onnozelheden aan de wereld te tonen, die meteen twitterden als ze een plas moesten en die minstens driehonderd volslagen onbekende vrienden hadden met wie ze hun privéfoto's uitwisselden, klaagden woedend bij de ombudsman als er camera's op de Wallen werden opgehangen of als hun vingerafdrukken in hun paspoort centraal werden opgeslagen: hun hele kostbare privacy naar de vaantjes.
Privacy was altijd een teken van de beschaving geweest, maar inmiddels gooiden vooral bekende Nederlanders vrijwillig al hun persoonlijke beslommeringen te grabbel omdat daar nogal wat aan te verdienen was. Henri Knap
gruwde er van. Terwijl hij dat overdacht zag hij in de intimiteit van zijn beschutte werkplaats naast zijn elleboog onverwacht een bekertje koffie verschijnen dat met twee vingers met roodgelakte nagels verder naar voren werd geschoven. Niet reageren, dacht hij. Maar dat kon hij niet volhouden toen dezelfde vingers in stilte een suikerstaafje, een melkkuipje en toen nog een plastic roerstokje naar voren duwden.
,,Zwart was goed geweest. Dank je, Hannelore.”
Faas knipoogde en het leek, dacht hij, alsof ze terug naar haar eigen plaats huppelde.
Knap deelde overmatig geconcentreerd de krant in, zocht een weerfoto uit. Hij was opgewonden en tegelijk van zichzelf geschrokken. Het werd wederzijds. Bij gebrek aan ervaring met zulke zaken, vreesde hij dat zij hem zo dadelijk voor de keuze zou stellen: met haar mee en nooit meer terug naar vrouw Knap of gewoon doorsudderen met zijn leven. Hij moest er niet aan denken en toch ook weer wel en vol van woest verlangen dat hij snel weer opborg.
Werk, dat loste al zijn problemen op. Hij kroop bijna in zijn beeldscherm. Het had nabij Bourtange, buitenlandser kon je het binnen de Nederlandse grenzen nauwelijks vinden, korte tijd gehageld. Leverde altijd romantische plaatjes op voor op de weerpagina. Hij vulde de sudoku in om te zien of er geen fout in de opgave zat, want de krant mocht dan wel gratis zijn, dat wilde niet zeggen dat er helemaal nooit over de inhoud geklaagd werd. En hij belde ter afwisseling met de correspondente in Mheer, ook bijna buitenland, die per e-mail de sensationele uitslag van een enquête had aangekondigd: honderd procent van de inwoners wil zich aansluiten bij een onafhankelijk
Vlaanderen, als dat er van zou komen. Zij had contact met de chef geëist omdat een van die anonieme redacteuren het een bericht van niks vond, klaagde zij.
,,En ik zit hier niet voor Jan met de korte achternaam, hè meneer.”
,,Hoeveel mensen deden er mee aan die enquête?”
,,Het is een lokaal initiatief van mijn broer. Een echte steekproef. Iedereen was er voor.”
Hoewel hij wist dat het om een onooglijk gat ging, misschien honderd respondenten, kreeg zij de zegen. Faas had hem in haar greep. Desnoods, desnoods dan toch maar, dacht hij.
,,Hallo, bent u er nog?"
Er waren onnozelere enquêtes die het tot nieuws schopten. ,,Vooruit maak er maar 180 regels van!”
Zij antwoordde enthousiast iets met 'schatzje' in haar lokale dialect en nog iets dat hij niet precies verstond maar dat naar de hoogste intimiteit klonk als hij eens in de buurt zou zijn. Nou had hij er al twee die naar zijn gunsten dongen.
Nog steeds wachtend op het tien puntenplan van Dresselhuijs ging zijn telefoon over.
,,Is het jouw gewoonte om het belangrijkste nieuws te verstoppen? Maken we tegenwoordig zo een krant, Knap? Moet ik daar eens een avondje komen zitten?” Hiltermann wachtte niet op een reactie. ,,Ik heb weer wat voor op de voorpagina. Ik heb het zo vast ook naar onze hoofdredacteur gemaild, dat die het weet als jij het weer vergeet. Ik vertelde je toch van dat ongeluk? Dat betrof, weet ik uit betrouwbare bron, het hulpje van de schutter van die afrekening. Mag niet bekend worden van de politie,
ze vrezen een nieuwe golf van afrekeningen. Maar daar heb ik maling aan. De vrijheid van de pers gaat boven alles. Het jong ligt nu in het ziekenhuis. In coma. De schutter zelf zat achterop, die is naar de stoep gekatapulteerd, opgestaan, kleren afgeklopt, omstanders vriendelijk gegroet en weggelopen. Iedereen te zeer verbaasd om achteraf zelfs maar een signalement te kunnen geven. Ze hebben desondanks een beginnetje voor hun onderzoek, zei mijn informant op het HB. Ik weet al meer en beter. Dit moet absoluut voorop. Ik ben ook bezig met een verhaaltje er omheen. Ik zit te wachten op nog een aardige onthulling over dat hulpje. Het schijnt dat die knaap vroeger in zo een Big Brother-achtig programma onder drie dekbedden heeft heeft liggen vozen. Daar moeten plaatjes van zijn. Dat wordt gevreten!”
,,Ik weet niet eens om wie het gaat.”
,,Laat anders maar een plaatje maken bij die matrassengroothandel bij jullie om de hoek.”
,,Even voor de notulen, Hiltermann: je hebt gisteren dus het grootste nieuws laten liggen, begrijp ik.” Knap hoorde hoe de stoomkleppen in Hiltermanns oren open gingen alvorens hij afhaakte.
Knap besloot te wachten op het conceptprogramma van Dresselhuijs voordat hij een besluit nam over de indeling van een voorpagina. Echte journalistiek was op het allerlaatste moment tevens een kwestie van hakken, gokken en improviseren. Je kon er net zo zwaar de mist mee ingaan als wanneer je het aan een willekeurige aap overliet.
Half de middag kwam de hoofdredacteur eindelijk triomfantelijk zwaaiend uit zijn kamer gestampt. ,,Het
evangelie volgens Dresselhuijs! Bel die hysterica in Zegge. Die komt ons nu goed van pas. Prominent op de voorkant en desnoods de rest binnenin.”
En weer 180 regels erbij. Knap ging terug zitten om het printje te lezen dat Lücker voor hem had gemaakt. Die begon over zijn schouder heen zijn instemming te betuigen en op details te wijzen, zoals anderen soms hinderlijk de krant mee lazen in de tram. ,,Let op: dat van die verkeersovertredingen, die zo zwaar moeten wegen als welk ander misdrijf ook. Daar heeft zij een zeer belangrijk punt. Dat leeft onder de bevolking nog erger dan de hondenpoep. Je kunt in dit land iemand de hersens inslaan, maar als je zegt dat je ten tijde van het voorval stomdronken was, dan krijg je een middagje schoffelen in het park. Als je met evenveel pils, wodka en een joint achter je kiezen voor een snelheidsovertreding wordt gepakt, niemand doodgereden en je hebt ook nog een middelmatig excuus, vergeten op de snelheidsmeter te kijken, dan ben je ongehoord de pisang. Auto kwijt, rijbewijs kwijt, honderden euro's boete in het vooruitzicht, de officier van justitie die erover gaat oordelen en zie maar hoe je thuis komt, wat je tegen je vrouw vertelt en hoe je het op je werk nog kunt rooien. Dat houdt de mensen bezig, dat ziet zij heel goed.”
,,Is dat wat zij bedoelt?”
Lücker keek hem verbaasd aan. ,,Ja, toch? Dat trek ik anders wel even na bij Blokzijl. Daar heb ik goede contacten mee.”
Knap werd afgeleid door Faas, die had mee zitten luisteren, een raar gezicht trok en terug in haar hok dook.
Dresselhuijs vond verder dat de dierenambulance ook
onder de beschermingsregels van de orde- en hulpdiensten moest vallen. Handig gezien, dat leverde allicht twee zetels op van de dierenvrienden, die hand in hand met de bejaarden op weg waren naar een cruciale positie in het politieke krachtenveld.
,,Veel van die dingen staan allang in de wet,” constateerde Knap droog. ,,Of in de politieverordening. Er moet alleen meer gecontroleerd worden. Gaat zij er hier een politiestaat van maken? Mevrouw is er zeker weer zo een die denkt dat het wetboek per incident herschreven moet worden, al naar gelang het misbaar van een toevallige voorbijganger op straat.”
Lücker reageerde niet.
Verder konden de belastingen omlaag – hoeveel stond er niet bij, de straffen op uitkeringsfraude werden verdubbeld, oude oma's moesten 's avonds na elf uur weer op straat durven, het hele leger moest terug naar huis worden gehaald, de doodstraf diende bespreekbaar te zijn en meer van dat spul waar altijd iemand verderop aan de bar luidruchtig mee instemde alvorens met een doffe plof van zijn kruk te vallen.
Knap keek zijn hoofdredacteur aan. ,,Weet jij dat? Sinds wanneer willen oude oma's 's avonds na elf uur de straat op? Dat is nooit zo geweest, hoor. Die liggen dan op bed.”
,,Wind je niet op, Knap. Het gaat om de gedachte. Na de verkiezingen komt hier allemaal toch niks van terecht.”
,,Het hele buitenland ontbreekt.”
,,Dat heb ik van haar campagneleider gehoord. Over het buitenland kun je niets verstandigs zeggen in een verkiezingsprogramma. Dat is allemaal aanstellerij en gewichtigdoenerij, net als met de buitenlandpagina's in de
kranten. Als het erop aan komt blijft het toch telkens net met wie je per ongeluk in oorlog raakt.”
,,We gaan eens kijken wie daar een stuk over kan maken, want jouw hysterica in Zegge is boodschappen doen of ze is door haar beltegoed heen. Misschien moet je toch eens denken over een mobieltje van de zaak voor allen. Desnoods in het kerstpakket.”
,,Dat ze maar gaan Skypen.”
,,Hiltermann heeft ook iets dat volgens hem op de voorpagina moet. Gezien?”
Lücker schokschouderde alsof het hem in het geheel niet interesseerde. Dit was Knaps probleem. ,,Je moet aan dat onderzoeksbureau Cave Canem vragen of zij weten hoeveel zetels Dresselhuijs erbij krijgt op basis van deze punten. Dat kunnen ze daar met één druk op hun knop onderzoeken. Zo een onthulling, daar halen wij het journaal mee, daar knallen we de hele concurrentie mee weg. Dat berichtje van Hiltermann is dan jammer maar helaas.” De hoofdredacteur grinnikte over zijn vindingrijkheid. ,,Waar gehakt wordt, vallen spaanders, Knap. Zeg hem dat maar.” Lücker ging er weer vandoor.
Henri Knap zat eigenlijk op hete kolen: hij vroeg zich af of hij, als een soort tegenbezoek, Faas onderhand koffie moest brengen? Gebrek aan collegialiteit was een speerpunt van beleid bij Lücker maar je hield er zo een lege omgeving aan over. Hij stelde het nog maar even uit: te druk, en te bang om in een situatie te raken waarbij hij zijn professionele benadering, de vakmatige ambiance en zijn vrijetijdshouding ten opzichte van haar onontwarbaar door elkaar ging halen. Kon hij dat maar: een korte affaire, een nacht of desnoods een uur, en dan toch voor altijd
vrienden. Hij keek voor zich uit in dat donkere hol dat zijn werkplek was en dacht aan Hannelore. Aan die lelijke aap. En aan vrouw Knap.
Op dat moment maakte achter hem Gracia met een klaterende groet haar entree: de diva was binnen. Geheel in nauwsluitend azuur met zwierige gouden stiksels, alsof ze leeuwen kwam temmen. Knap had twee tellen nodig om weer de afstandelijke redactiechef te zijn. Lückers deur vloog meteen open, hij had blijkbaar staan luisteren. Alvorens door te stomen naar het comfortabele bastion van haar gewaande geliefde, hield zij halt achter Knap die gauw frenetiek was gaan typen alsof hij niets gehoord had. Hij verwachtte ook van haar de volle laag te zullen krijgen wegens dat fotootje van niets van vanmorgen. Anderzijds mocht het mens hem dankbaar zijn dat hij haar neusgaten niet had verraden.
,,Dit hier, is mijn nieuwe cd.” Zij sloeg het plastic doosje een paar keer ongeduldig op haar vlakke hand tot Knap zich eindelijk realiseerde dat zij het tegen hem had. Zij drukte hem een exemplaar in handen van 'Gracia loves Abba'.
,,We all love Abba,” fluisterde Hannelore hoorbaar en zonder van werkhouding te veranderen.
Knap keek schuin omhoog en zag ze. Onmiskenbaar. Als je het wist, viel het meteen op. Hij was er zodoende extra onhandig bij komen te zitten omdat hij ook het dilemma van haar nieuwe cd zag aankomen. ,,De titel klinkt veelbelovend. Ik heb hier alleen niets om 'm op af te draaien en ik heb al helemaal geen verstand van muziek. Abba, was dat niet met die ene blonde? Ik ga dit cd'tje opsturen naar onze man in Castricum die altijd de muziek
doet. Daar zul je van gehoord hebben.” Knap keek in de richting van zijn hoofdredacteur die zich echter afzijdig hield: dit was Knaps deel van het probleem.
,,Opsturen? Ik heb mijn agent beloofd dat ik morgen op de voorpagina word bejubeld, ja? Daar hoef jij hem heus niet zelf voor gehoord te hebben. Dacht jij dat ze op de televisie al die boeken hadden gelezen die ze zo mooi vinden in die talkshows? Ik kan jou nog heel wat leren over de journalistiek.” De geliefde van de hoofdredacteur had hem een opdracht verstrekt.
Lücker moest snel ingrijpen als hij zijn Dresselhuijs-cover wilde doorzetten. Jan en alleman eiste inmiddels een plek op. Gracia maakte al dreigend aanstalten om haar grootste troef uit te spelen: ze bracht haar gemoed in stelling. Toen werd het Lücker te veel. ,,Schat, ik heb ook nog die foto van ons met mevrouw Dresselhuijs.” Het speeksel liep hem bijna de mondhoeken uit. ,,Die komt bij haar partijprogramma te staan dat ik als enige heb gekregen, dus dat moet op de eerste pagina. En ik moet ruimte vrijmaken voor een belangrijke primeur van onze starreporter. Daar kom ik niet onderuit. Kunnen we dit niet een dagje uitstellen? Dat luistert toch allemaal niet zo nauw met zo een plaatje?”
,,Dit is geen plaatje, dit is een nieuwe cd! Ben je een beetje achterlijk of zo? Ik zit morgenvroeg in twee radioshows. Wil jij mijn carrière soms naar de kloten helpen? Zak!”
Lücker kromp ineen en keek Knap smekend aan. Die was al voldoende geschrokken van een vrouw van zoveel fraaie uiterlijkheid die ineens ordinair als een heks uit de hoek kon komen, dat hij elke opdracht wilde uitvoeren.
,,Hij gaat kijken wat wij kunnen doen,” probeerde de hoofdredacteur sussend. Maar Gracia stormde al zonder reactie naar zijn kamer, achtervolgd door de man wiens doorgaans martiale aanpak van die wandeling vervallen was tot de tred van een bejaarde jogger, met een kwaal aan beide benen. Van de daadkrachtige hoofdredacteur was weinig anders over dan het omhulsel waar hij weinig kans op succes mee maakte op de groeimarkt van de singles.
,,Parkeren wordt overal gratis,” las Knap een beetje pesterig vanuit zijn reddingssloep het volgende plan van Dresselhuijs voor. Hij had er al veertien geteld. Dat werd nog wat als Dresselhuijs aan de economie begon en de begroting probeerde rond te krijgen.
De computer meldde dat er post voor hem was. ,,Zal ik dat plaatje doen? Ik was bij de foie gras vrij aardig in wervende teksten over onsmakelijke dingen. En van Abba zing ik alles mee. H.”
,,Ik heb koffie voor je,” fluisterde Knap gedienstig terwijl hij haar onhandig jonglerende ook de cd van Gracia aanreikte. ,,Gekkenhuis,” deed hij fluisterend met een zorgelijk gezicht maar dat maskeerde zijn rode wangen van opwinding niet. Hij overwoog nog iets aanmoedigends te zeggen maar hij hoorde dat zijn telefoon opspeelde en dook terug zijn hok in. En dat allemaal op zijn leeftijd.
,,Hiltermann hier!”
Het knalde er zoals gewoonlijk uit. Knap hield het apparaat van schrik op afstand.
,,Jij krijgt van mij een analyse. Zeg maar een pagina over het criminele circuit. Ruimte zat als je ziet met wat voor troep jullie die krant elke dag vullen. Ik weet in
welke richting de dader van de afrekening moet worden gezocht. Daar kunnen jullie weer een maand van eten.”
,,Een pagina, dat kan helemaal niet volgens de werkformule van Lücker.”
,,Dat regel jij wel. Het is trouwens hooguit een halve pagina, in vergelijking met jouw oude krant. En wie was ik ook weer volgens de hoofdredacteur? Hoor ik al wat?”
,,Jazeker,” zei Knap tegen de starreporter en drukte zonder groet af.
Er meldde zich een tijdje later een nieuwe e-mail. In iets meer dan honderd woorden stonden een paar vernietigende zinnen over Gracia’s cd'tje. Knap probeerde te bedenken wat Faas hem nu flikte. Zo een bespreking konden ze nooit op de voorpagina van Lückers eigen krant zetten. Trouwens, ook op geen enkele pagina binnenin, zonder dat het hem en haar kwam te staan op ontslag op staande voet. Hij wist dat hij een volstrekt anti-journalistieke afweging moest maken, maar hij had al gekker meegemaakt onder zijn laatste echte hoofdredacteur. Die ging net zo makkelijk met een rood potlood door de aangeleverde teksten om zijn vrienden en vriendinnen te redden van publicatie van onaangename waarheden. Knap kon het in zijn nieuwe baan nauwelijks meer tot het verloochenen van oude principes rekenen.
Kwam bij dat als hij het stukje zou omwerken tot het tegendeel, mevrouw Faas buiten de redactie van de daken zou tetteren dat er censuur werd gepleegd bij de Hollandsche Nieuwe. Dat de oude Henri Knap de scheiding tussen journalistiek en commercie niet respecteerde. Dat de hoofdredacteur onbeschaamd zijn eigen vriendin bevoordeelde. Typisch een gratis krant.
Zij zou haar baan kwijt zijn maar als zij als een kwetsbaar, charmant en mediamiek slachtoffer genoeg misbaar maakte in een paar talkshows op de tv, zou zij snel weer werk te pakken hebben. Alleen Knaps eigen, onbezoedelde naam en baan zouden er geheel bij zijn ingeschoten. Hij grinnikte, hij had zichzelf als slachtoffer in een sensationele coverstory over de stand van zaken in de polderjournalistiek zitten verzinnen.
Op dat moment boog Hannelore Faas zich over zijn schouder en fluisterde: ,,Als je alle diskwalificaties er tussenuit gooit, houd je een precies passende, juichende recensie over. Daar komen we toch niet onderuit.” Ze gaf hem zo een stompje dat zijzelf steeds leek te verwachten. ,,En we zetten er boven: 'Gracia’s Waterloo'. Ik kan je verzekeren, daar is geen woord aan gelogen.”
Knap boog zich voorover want hij voelde hoe hij kleurde en hoe haar parfum zijn werk deed.
Lücker en Gracia waren ondertussen tevoorschijn gekomen als een hersteld verliefd koppel. De hoofdredacteur deed zo sportief mogelijk het licht van zijn kamer uit en sloeg een arm over haar schouder. Nabij Knap aarzelde hij even en gebaarde Gracia toen zo vast door te lopen. ,,Ik kom eraan. Momentje nog.”
Hij vroeg fluisterend aan Knap om een beetje begrip. ,,Ze gaat morgen onder het mes voor de noodzakelijke correctieve ingreep aan de buste. Vandaar dat ik wat vroeger weg ben: nog een cadeautje uitzoeken.”
,,Klokje?”
Hij knikte. ,,En dan nog een laatste keer genieten. Alles op orde? Jij hebt de plannen van Dresselhuijs, we hebben Gracia's plaatje en dan die Hiltermann. Mooie oogst.”
,,Vol is vol, dat zal je aanspreken.”
,,Zo zie je maar weer dat het goed is dat wij vrijwel niet aan sport doen. Anders had je alles nog een keer kunnen omgooien want ik las net op teletekst dat de trainer van Ajax eruit is gevlogen. Ik zie morgenvroeg wat je ervan gemaakt hebt.” Hij sloeg Knap hard op de schouder. ,,Het Hilton is het deze nacht, en vroeg zal het niet worden.”
,,Niet benieuwd wat we over Gracia's plaatje in de krant krijgen?”
,,Dat zit wel snor.” Hij lachte vet maar met ogen die zich een moment staalhard op hem fixeerden. Alleen het maffiose kneepje in de wang ontbrak eraan.
Henri Knap typte zelf een berichtje over de ontslagen trainer. Dan mocht zijn gratis dagblad nauwelijks aan sport doen, om sommige berichten kon hij op journalistieke en persoonlijke gronden niet heen. Het was ook maar voor pagina 8. Dan waren ze in de berichtgeving vrijwel even compleet als de andere kranten. Kwantiteit was de eerste kwaliteitsgrens die tegenwoordig aan de pers in al haar verschijningsvormen werd gesteld.
Volgens Lückers aanwijzingen moesten zijn lezers de Hollandsche Nieuwe steeds herkennen als de boodschapper van de boze buitenwereld zoals zij die 's avonds aan de andere kant van hun hermetisch gesloten gordijnen vermoedden en zoals die in de media werd uitvergroot tot een ware hel. Alleen de sport ontbrak grotendeels. Als er helemaal niets anders meer was, werd er een gaatje mee gevuld, maar voor de rest volstond de Hollandsche Nieuwe met wat uitslagen.
,,De sport, daar laat ik graag mijn collega's failliet aan gaan,” aldus de hoofdredacteur.
Voetbal genoot landelijk prioriteit nummer één, in de winter op de voet gevolgd door schaatsen en 's zomers door de Tour de France. Dat was de overzichtelijke sportieve basis van het land die bepaald werd door het televisie-aanbod. De rest behoorde tot de vele vormen van toeval, onverwacht succes en een soms een golfje hype. Voorts kwam er veel zwemmen in een krant als hun chef sport gek was op zwemmen, maar was hij gek op honkbal, dan werd dat het.
Lücker had er de kijkcijfers bij gehaald die bewezen dat veruit de meeste mensen in geen enkele sport geïnteresseerd zijn. ,,Vrouwen nog het minst. Ja, als het Nederlands elftal speelt, maar dan is het alsof ze naar iets met de koningin kijken. Je denkt toch niet dat er één vrouw is die wil weten wie er op de training een rood hesje heeft gekregen?”
Knap moest toegeven dat zelfs hij als sportliefhebber niet zat te wachten op een krantenverslag, twintig uur nadat zijn favoriete ploeg had gewonnen en hij de uitslag had gehoord, de samenvatting gezien en het obligate geouwehoer laat op de avond nog even had gevolgd. ,,En zeker ook nog als Ajax verloren heeft?”
,,Het kost een vermogen,” foeterde Lücker. ,,Als je er aan begint moet je ook nog allerlei artikelen vooraf hebben anders komt een potentieel zinderende ontmoeting als Veendam-Telstar geheel uit de lucht vallen. En dan moet je op dinsdag nog iets over het likken der wonden publiceren. Terwijl, als je het lekker goedkoop aan een persbureau overlaat of van internet overschrijft, dan hebben de bezoekers altijd ten onrechte gewonnen. Dan heeft de journalistiek weer verloren. Volgens zulke verslagjes wordt
het beste voetbal gespeeld bij de degradatiekandidaten, waar de doelman steevast the man of the match is - als ze thuis spelen. Als je zoveel te doen krijgt, zou zelfs ik nog behoorlijk wat tegenhouden.” Lücker was in vorm. ,,Sport is een straf van god. Het wordt tijd dat ze bij de media beseffen dat het een zorgwekkende onkostenpost is.” Hij benaderde zijn belangrijke journalistieke problemen in de eerste plaats als een economisch dilemma, alsof hij de baas van een publieke omroep was.
Knap had ooit gepleit voor een eigenwijze aanpak van de sportjournalistiek: de geschreven pers als het redelijk tegenwicht van radio en tv. Kort, kritisch, eigengereid en alles met mate. Hij wist dat hij met zijn visie toch geen kans maakte. De kranten hobbelden, noodgedwongen naar zij dachten, achter de tv aan waar ze per sport een aparte publieksvriendelijke benadering hadden.
Het verslag bij de minder courante sporten, en dat begon al bij hockey, werd voornamelijk geleverd door betrokken liefhebbers die dat niet verbloemden. Zij kenden de spelregels uit hun hoofd maar waren nauwelijks bij machte die aan derden uit te leggen. Nog belangrijker: zij kenden de familie van de beste spelers. Het viel de meeste kijkers niet eens erg op, want de gelouterde, zogeheten professionele verslaggevers pasten per sport ook hun toon aan. Als ze over schaatsen verslag zouden doen zoals over voetbal, dan zouden ze in de winter heel Friesland en omstreken achter zich aan krijgen, gewapend met de riek en de dorsvlegel, pek en veren, woedend over zoveel ongepaste negatieve bemerkingen.
Nog niet overtuigd? Dan greep Lücker naar zijn eigen gouden medaille: de Olympische Winterspelen. ,,Die
bestaan voor meer dan de helft uit van die Zeskamp-sporten vanwege de kledingsponsors: boven in de bergen moet je veel kleren aan en elk jaar andere. De Winterspelen, daar krijg je een kunstkop van, dat is twee weken lang, plus drie weken vooraf en nog een maand er achteraan gedoe op of over kunstijs en kunstsneeuw. Als ze Ivoorkust overdekken, kunnen ze daar ook gehouden worden. Bovendien, aan de foto's te zien is Afrika een enorme groeimarkt voor kleren. En nog wordt elke sportbeoefenaar van bij ons die goud wint, zelfs in een specialisme met wereldwijd nog geen honderd beoefenaars, vogeltjepik maar dan met kunstschaatsen aan, na terugkeer door de majesteit geridderd alsof hij dertig jaar vrijwilligerswerk onder moeilijk opvoedbare, gewelddadige, ondankbare jongeren van voornamelijk buitenlandse komaf heeft verricht. En dan daarna die intrieste tocht door Den Haag in een open koets. Dat wenst een mens z'n ergste vijand nog niet toe.”
Lücker keek Knap aan en begon te lachen. ,,Jij dacht toch niet dat beachvolleybal, wat ik dan toevallig topsport vind, zo populair is geworden vanwege die keihard smashende kerels. In die sport zijn de mannen bijzaak. Omgekeerd voetbal. Beachvolleybal dat gaat om de meiden in hun bikini's en de overige accessoires voor aan zee die de nieuwe zomermode aankondigen. Dat net halverwege die zanderige catwalk, dat hoeft voor mij helemaal niet.” Lücker glunderde bij de samenvatting die Knap al voor de zoveelste keer moest aanhoren. ,,Als ik die van het damesvoetbal een tip mag geven: meiden, op naar Zandvoort. Bikini aan en schoppen maar. Mij heb je.”
Ook zonder al die sport bood Lücker zijn lezers elke dag
toch de illusie van de aloude kermis op papier. Zo moeilijk was dat niet, want het geheugen van de lezers was net zo zwak ontwikkeld als dat van de meeste journalisten. Bij de onderwerpkeuze bestonden geen politieke prioriteiten, maatschappelijke nuances, economische belangen, particuliere opvattingen of historisch besef. De geboorte van een giraffe in Artis kon net zo belangrijk worden als een scheiding onder populaire artiesten. Het hing er maar net vanaf hoeveel er nog te vullen was. Alles waar seks of geweld bij te pas kwam of kon komen, genoot bij Lücker dezelfde prioriteit als de sport bij echte kranten. Alleen had hij liever niet meer dan drie van zulke berichten op een pagina, vooruit vier. Het moest geen zelfstandig specialisme worden dat de rest van de pagina annexeerde. Terwijl hij niet eens leed onder het probleem van een echte krant waar ze bij elke overdaad aan aandacht voor een enkel onderwerp meteen een aparte deelredactie zouden hebben gevormd, bevolkt door zelfgebreide specialisten die binnen de kortste keren naar het leven werden gestaan door een paar bureaus verderop de woedende zogenaamde onderzoeksjournalisten, die met grof taalgebruik de indringers probeerden te verjagen van hun allesomvattende terrein.
Met seks was te winnen hoewel de passieve seksbeleving, in welke vorm of aberratie dan ook, dankzij internet voor iedereen vierentwintig uur per dag gratis en in lawinevorm beschikbaar was gekomen. Het spul moest alleen een beetje buiten het bereik van de kinderen worden gehouden, maar dat gold ook voor het bier, de sigaretten, de scooter en eigenlijk ook voor een dubbel patatje oorlog. De krant bood per foto of artikel het aantrekkelijke idee
dat alles precies zo gebeurd was. Nieuws ging over controleerbare mensen zoals Johnny Walker.
De grenzen van de krant dansten hand in hand met de maatschappelijke veranderingen, zonder dat steeds duidelijk was wie er leidde. Daar had diezelfde Johnny Walker meer dan zijn bijdrage aan geleverd. Homoseksualiteit was in het verstedelijkte deel van de Nederlandse maatschappij geaccepteerd en dus ook in een krant als de Hollandsche Nieuwe. Althans, als het ging over ongeïllustreerde berichten. Ondanks alle gewaande ruimdenkendheid was de ondertoon bij geweld tegen zoenende homo's - op de foto liepen de heren voor alle zekerheid nog hand in hand, dezelfde als die bij een verkracht meisje met een korte rok 's avonds laat in een donker tunneltje maar met een kokette glimlach gebeiteld op haar gezichtje. Dan vraag je er ook om. Homo's vooral, want lesbiennes stonden aanmerkelijk minder nadrukkelijk, luchtig en op seks belust in het leven. Als zij al publiekelijk uit hun kast waren gekomen, dan vertoonden zij geen aandrang tot aanhoudende platte lolbroekerij op radio en tv over hun laatste of meest gewenste tussenbeense avonturen. In tegendeel zelfs. Ze leken eerder degelijk, preuts en streng. Dat hadden veel mannen er tevens op tegen. Zulke wijven: allemaal potten.
Volgens de kijkcijfers waren de meest uitzinnige nichten van de tv dan weer juist het populairst in landelijke en agrarische streken waar de pastoor en de dominee gewaarschuwd hadden voor de homo als een kinderlokker en voor aids bij elke handdruk met zo een zijden sok. Ze deden op zaterdagavond zo overdreven aanstellerig leuk op tv, dat ze in het echt natuurlijk nooit zo konden zijn. De
homoseksualiteit lag er nog net zo moeilijk als een dochter die afkwam met een grote, gespierde, zwarte man. Liever dat al zulk spul maar in de hoofdstad bleef. Het moest een beetje evenwichtig verdeeld zijn in de wereld: jullie de homo's, wij de weigerambtenaar.
Hoewel de Hollandsche Nieuwe Courant voornamelijk in de stad uit de bakken werd gehaald, deed Lücker voor alle zekerheid niet aan een al te openlijke en begripvolle beleving van andere vormen van seks dan gemengd recht op en neer. En hij deed net zo hard mee met de niets ontziende, commercieel niet onaantrekkelijke haat tegen pedofielen. Wat dat betreft was de xenofobie maar kinderspel. Buitenlanders, die voor het vuilste werk hier naartoe waren gehaald en als ze niet direct herkenbaar waren aan hun djellaba dan was het wel aan hun aanhoudende onverstaanbare staat van totale Oost-Europese dronkenschap achter het autostuur, die merkten hooguit soms iets van de laffe lippendienst die bange vreemdelingenhaters bewezen aan hun politieke leider, die geen consequenties durfde te verbinden aan wat hij werkelijk dacht. Vooralsnog liever Pool dan pedo!
In de media konden pedofielen niet eens rekenen op de minimale bescherming van hun privacy ondanks de gekoesterde, strenge journalistieke wetten in alle andere gevallen. Terecht of ten onrechte opgepakt: eerst hangen we ze aan de hoogste boom, zien we later wel of het nodig was. Het zal je kind maar zijn, gold alleen voor alle potentiële slachtoffers.
Als de veronderstelde pedo zelf actief was op die zogeheten sociale media, met wat persoonlijke bemerkingen, z'n adres erbij en foto's erop van zijn laatste
verjaardagsfeestje, had hij extra pech. Dan mocht elke foto gratis gejat worden, elke kwade suggestie werd extra aangekleed. Iedere aframmeling die ze kregen van een toevallige omstander was indien niet geheel verdiend dan toch niet onverwacht. Een verdenking van een buurvrouw die ondertiteld moest worden, hoewel uit een vierde generatie autochtone ouders geboren, volstond voor uitgebreid aan de schandpaal op de tv bij een zogenaamd christelijke omroep.
Knap wilde daar geen journalistieke eer aan behalen. Hij trachtte het onderwerp op afstand te houden door te wijzen op de statistieken volgens welke je beter juist géén heteroseksueel kon zijn. Onder dat volk werden namelijk veruit de meeste moorden gepleegd: met de hamer erop los in huiselijke kring, in stukken gezaagd in de vrieskist, in brand gestoken, Joegoslavische huurmoordenaar erbij, je kon het zo gek niet bedenken onder de hetero's. Trouwens, de aanhoudende stroom van vrouwenverkrachters en de plegers van gestaag huiselijk geweld moesten ook in die kringen gezocht worden.
,,Alleen, dat gaan wij onze lezers niet voor houden.” kapte Lücker zijn redactiechef af. ,,Ik ga mijn eigen handel niet kapot maken. Weg met die pedo's, dat willen de mensen graag horen. Ik ook, trouwens.”
Niet dat Lücker alles maar liet afdrukken wat hem opwond. Hij had het er soms gerust lastig mee, gaf hij Henri Knap tersluiks toe, daar hij diverse maten, normen en waarden hanteerde. Samengevat: hij kon slecht tegen de aanblik van bloed en hij kon helemaal niet tegen kritiek op zijn vriendin Gracia.
Knap knikte overdreven bezorgd. Er was hem zo weinig
weemoed en verlangen overgebleven naar de tijd dat hij nog bij een echte krant had geploeterd, dat dit er makkelijk bij kon. Een krant probeerde z'n hoofd boven water te houden door zo dicht mogelijk bij de gewaande belevingswereld van zijn beoogde lezers te blijven en ze niet in verwarring te brengen met heldere weerwoorden, afwijkende visies of harde ontkenningen.
Een aloud dagbladenadagium zoals 'blijf bij de feiten' werd in de harde praktijk van alledag steeds vaker vertaald als 'blijf bij onze oorspronkelijke versie'. Als het een primeur was, kon de schijnbaar onomstotelijke versie van het eerste bericht nooit meer in het tegendeel verkeren, wat er ook aan feiten werd aangedragen. Dat moest de concurrent maar doen. Als het achteraf allemaal onzin bleek, werd er verder over gezwegen, alsof het bericht nooit bestaan had. Steeds vaker sneuvelden dagbladopeningen op dit veld van oneer. De lezers waren het een dag later toch allemaal weer vergeten.
Elke voorlichter, public relations manager of informatieadviseur kende dat mechanisme. Waar de gewone man van Andy Warhol recht had op maximaal 15 minuten faam, daar had elk bedrijf recht op één keer op de voorpagina, midden in het nieuws. Een beetje journalist mocht daar graag op inspelen, dat kon later altijd nog een tip opleveren die misschien langer stand hield. Eenmaal met het nieuws aan de gang voelde hij zich al snel een belangwekkend en gewaardeerd onderdeel van zijn eigen berichtgeving. Hij beschermde zijn tipgever, haalde bij elke leugen de absolute vrijheid van meningsuiting tevoorschijn, wroette de gewenste richting op en ging desnoods in de aanval als de tegenspraak in een concurrerend medium
hem niet beviel. In kringen van het Openbaar Ministerie noemden ze dit verschijnsel de journalistieke tunnelvisie.
Op zo een overzichtelijk speelveld kregen de lezers het geweld liefst geserveerd als een aflevering van een tv-serie met aanwijsbaar goed en kwaad, en diverterende trekjes, dat ze er 's nachts niet van droomden.
Het allerliefst kregen ze het geweld in de gedaante van zinloos. Hoewel daar geen heldere definitie van bestond, maar als geweld eenmaal door iemand van de familie van het slachtoffer, de omstanders of de pers als zinloos was geduid, dan bleef het dat. Een noodlottig verlopen dronkenmansruzie kon het net zo makkelijk tot zinloos geweld schoppen als de wandaad van een patiënt met een rommelige bovenkamer die per ongeluk een Zwitsers zakmes tot zijn beschikking had gekregen en een half uurtje huis had gehouden op een afdeling met bejaarde dames. Indien handig gepresenteerd kon ook een geheel verzonnen overval het een eind schoppen als aanvankelijk meelijwekkend zinloos geweld. De media leverden er de grote emoties bij alsof ze een zakelijke afspraak hadden met de fabrikanten van de teddybeertjes en de waxinelichtjes, exclusief de fabrikant van de waxinelichtjeshouders, uiteraard. Mits goed gedoseerd kon het land met een gevalletje zinloos geweld drie dagen toe, afgesloten met de stille tocht. Want voor zulke troost gingen de mensen niet meer naar de kerk.
,,Het zinvolle geweld heeft het anders ook niet makkelijk, hoor,” somberde Knap bij gelegenheid demonstratief. Want dat ging gebukt onder allerhande ingewikkelde aspecten die allemaal en met grote regelmaat in het nieuws aan bod kwamen, zonder dat er een lijn in te ontdekken viel. Waar
een geestelijk tekort of het vermoeden van een crime passionnel in het ene geval op begrip en meelevende tranen stuitte, daar konden dezelfde omstandigheden in het andere geval juist reden zijn voor de roep om de doodstraf. Eerwraak was vele malen erger dan gewoon je christelijke vrouw de strot afsnijden omdat zij aankondigde er met de rooms-katholieke buurman vandoor te gaan.
Bij het doorgeven van de faits divers ging Knap er van uit dat wanneer de voornaam van de moordenaar niet vermeld werd, het om een oer-Hollandse autochtone knuppel ging, een Henk, Jayden of Wesley. Vreemde voornamen stonden namelijk meestal wel in het politiebericht. In geval van twijfel over de exacte toedracht was dat ook een richting gevend detail voor wat betreft de plaats van het bericht en de lengte.
Extra lastig werd het wanneer de overheid zelf het zwaard ter hand nam. In de woorden van de moderne journalistiek: als er ten onrechte en ook nog onhandig met het dienstwapen was gezwaaid. De politie en het leger hadden daar volgens de eerste berichten bijna per schot een handje van. Ter ondersteuning waren er de waarnemingen van omstanders. Getuigen hadden het gevalletje zien gebeuren, die konden straks onder ede voor de rechter verklaren. Omstanders kwamen naderhand aanlopen, hadden iets gehoord van een getuige en drongen voor als ze een tv-camera zagen.
,,Politie weer in de fout!” begonnen die van het journaal dan larmoyant. Er werd gedaan alsof dat tekenend was voor de recente verloedering van de maatschappij, maar Knap kon zich van jongs af aan herinneren dat politieagenten nooit gericht hadden leren schieten.
Volgens een eeuw krantenberichten misten agenten hun beoogde slachtoffers altijd al, of ze schoten een omstander dood maar dan niet nadat de kogel via een vuilnisbak, een verkeerszuiltje en een lantaarnpaal een extra rondje had gemaakt. Het beoogde geboefte bleef voortvluchtig. Als een beetje agent, pak 'm beet, twee keer per week zijn pistool moest trekken en elke veertien dagen een keer op een vluchtende verkrachter moest schieten, dan zou 'ie op den duur wel geoefend raken. Maar zo erg was het hier ook weer niet, al bleek dat niet steeds uit de kranten. Omdat de politie het eigen geweld zelf moest uitzoeken, bleef er bij de media altijd voldoende achterdocht hangen om bij het volgende incident weer uit te kunnen pakken.
,,En dan heeft zo een wijkagent het nog niet slecht getroffen, al is dat niet helemaal scherp uitgedrukt, in vergelijking met Jan Soldaat.” Knap had in militaire dienst gezeten en achtte zichzelf een deskundige op het terrein van oorlog en vrede.
Lücker had hem meteen duidelijk gemaakt dat hij daarmee bij de Hollandsche Nieuwe niets kon aanvangen. Sinds er van landsverdediging geen sprake meer was, het leger alleen thuis oefende en ergens ver weg een schot afvuurde, achtte Lücker het leger vooral een buitenlandse of een politieke kwestie. In beide gevallen deed de Hollandsche Nieuwe daar alleen in geval van nood aan. Maar dat snoerde Knap niet de mond. Ook als er niemand luisterde. ,,Een leger kan van oudsher alleen ten strijde trekken indien betaald en moreel gesteund door de gehele bevolking. In dat proces horen de media voorop te lopen. Anders verlies je elke oorlog.”
Het land hield er tegenwoordig geen leger meer op na,
meer een fors peloton, dat bij elk voornemen om een kogel af te schieten, eerst het verzoek daartoe in vijfvoud en tijdig moest indienen bij de bevoegde instanties, handtekening van de generaal er onder, goedkeuring van de majesteit er bij, de premier een nacht lang tobbend wakker over de prijs van een kogel en dan maar afwachten of de Veiligheidsraad en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties het ook een goed plan vonden.
In een strijd op leven en dood voor volk en vaderland, beschouwde de moderne journalist zich als een gediplomeerde, volstrekt onafhankelijke waarnemer, die zeker niet per definitie aan onze zijde stond. De soldaten werden op het slagveld kritisch, punctueel en streng achtervolgd door de verslaggevers van de krant waar ze thuis op geabonneerd waren voor de kerkdiensten. Maar ze kregen, als het zo te pas kwam, hun eigen schat van een jongen als oorlogsmisdadiger in de bus. Met de Conventie van Geneve in de ene hand en de verrekijker in de andere, controleerden de media of alles volgens het boekje verliep.
,,Als ze onvoorzichtig zijn overgestoken en een kogel in hun achterste hebben gekregen,” verweet Knap zijn collega's op voorhand ,,en het blijkt vermoedelijk ook nog om een kogel van de onzen te gaan, dan maken ze de poppen thuis aan het dansen. Dan zit het leger vol met oorlogsmisdadigers die het vooral op vrouwen, kinderen, bejaarden en de vrije pers gemunt hebben. Dan blijkt het strengste pacifisme hier alsnog wortel te hebben geschoten, om te beginnen in de media.”
Knap zuchtte diep, voor zijn aanloop, schot en goal: ,,Iedereen die weet hoe de Russen Hitler er in onze naam onder hebben gekregen, kan zich voor de komende drie
eeuwen geen moreel oordeel over de gang van zaken op het slagveld meer veroorloven. Alleen, iedereen wil tegenwoordig liever niet weten hoe die Russen 'm dat geflikt hebben.”
Knap gaf toe dat als Lückers correspondenten alleen blind zouden varen op de officiële meldingen van de regering, de legerleiding of de politie, er na het eerste vage berichtje voorlopig geen letter kopij meer beschikbaar zou komen. Moesten ze in stilte wachten op de uitslag van het forensisch onderzoek van volgende maand, de aankondiging van een rechtszaak op nader te bepalen datum, of de parlementaire enquête over drie jaar. Logisch dat de bedavonturen van Johnny Walker dan zoveel aandacht kregen.
Maar er is een middenweg, beweerde Knap, ,,en die heet journalistiek. Dat is het hoofd koel houden, zelfstandig nadenken, feiten zoeken, verbanden leggen, kneden, jongleren, afstand bewaren en weten voor wie je het doet.”
Knap overzag de dorre woestenij en wist dat hij de laatste, roemloze jaren van zijn carrière als een gevangene van het systeem smachtend naar vrijheid zou moeten doorbrengen. Stond tegenover dat sinds hij Lückers directieven volgde, de samenstelling van de Hollandsche Nieuwe een overzichtelijk werk was geworden dat hij met zijn pink en zonder veel geestelijke spanning en lichamelijke inspanning, en omgekeerd beheerste. Op de automatische piloot verhief hij de alleraardigste kwajongensstreken, waar ooit Pietje Bell en Dik Trom beroemd mee waren geworden, net zo makkelijk tot schandalige incidenten, die de hele maatschappij dreigden te ontwrichten. Zodra de computer dan meldde dat de
kop paste en het kolommetje vol was, had hij zijn werk naar behoren verricht.
En anders zette hij er nog een regionale boevenstreek onder. Ooit kwamen verdachten slechts met hun initialen in de krant. Om te bewijzen dat ze bij de politie precies wisten om wie het ging, vermeldden die er in het telexbericht voor de kranten tevens de woonplaats bij, het beroep, de leeftijd en als er een was stond hun alias in de onderwereld er ook in: Gerrit de Stotteraar, de Meesterkraker, Frits van de Wereld, de ouwe, de schele, de manke, de lange, de kleine of de neus. Met zulke elementen werd de criminaliteit geloofwaardig, schilderachtig en anekdotische gemaakt zodat de lezers ook daar niet naar van gingen dromen.
Het was op een holletje allemaal anders geworden sinds een beetje boef, indien gesnapt - want dat werden ze ondanks alles vaak toch, een advocaat in de arm nam die gespecialiseerd was in het verdedigen van cliënten voor de televisie. De rechtszaal was van later zorg of beter: een bijzaak voor een stagiaire. Een gewiekste advocaat ontpopte zich als een impresario, een communicatiemakelaar en een publiciteitsmanager die de openbaarheid grof bespeelde in de wetenschap dat anonimiteit, geheimzinnigheid en gekke bijnamen alleen maar verdacht maakten. Waar het geld voor de verdediging vandaan kwam deed niet ter zake, was ook nooit een onderwerp voor de onderzoeksjournalisten geweest. Die zouden daar alleen maar last van krijgen met hun bronnen. Tegenwoordig hoorden echte boeven echte namen te hebben, herkenbare gezichten, en thuis minstens een vrouw en liefst meerdere kinderen waar ze naar konden verwijzen voor wat betreft hun buitengewoon
sympathieke karakter. Daarbij hadden ze het toch al nooit gedaan.
De juridisch geschoolde privé-voorlichter van de verdachte haalde zijn schouders op bij het leed dat hij de nabestaanden van de slachtoffers goedbetaald toevoegde: die moesten hun eigen boontjes maar doppen. Een advocaat kende slechts één belang ten koste van alles, net zoals de journalist zijn persvrijheid. Hoe ongeloofwaardig en geheel verzonnen het er bij een driedubbele moord ook aan toe gegaan had kunnen zijn, tot voor kort het terrein waar Agatha Christie, Raymond Chandler en Georges Simenon op excelleerden, de duurste moderne advocaten verzonnen de feiten alsof ze in de entertainment industrie werkzaam waren. Bij de karrenvracht aan verzinsels die hun cliënt hun zogenaamd had toevertrouwd, mochten ze niet geïnterrumpeerd worden anders gingen ze naar een belendende talkshow.
Knap had ooit een advocaat aan de telefoon gehad die op straffe van een kort geding en een dwangsom eiste dat zijn cliënt, die een pensioenfonds voor miljoenen had opgelicht, met naam en toenaam in de krant werd vermeld, ,,anders denken uw lezers dat hij het nog gedaan heeft óók.”
,,Moesten we maar niet doen,” had Knap routineus geantwoord. ,,Trouwens, dat denken onze lezers allang.”
,,Dan eis ik thans uw hoofdredacteur te spreken!” Dat was toen de laatste met nog een ruggengraat.
,,Buitengewoon benieuwd of we daar ooit nog iets van zullen horen,” was het standaardzinnetje waarmee Knap elk misdaadonderwerp in een gewone krant of in een actualiteitenprogramma op de tv afsloot. ,,Jij nog koffie, moeder?”
In meer dan de helft van de items kregen de kijkers en lezers nooit de afloop van een schijnbaar hemeltergende kwestie gepresenteerd. Vaak bleek er helemaal geen zaak te zijn geweest, hooguit een zaakje. Nooit meer doen, had de rechter gezegd tegen de verdachte, case closed.
De misdaad was net zo'n onhandelbaar geval zonder journalistieke lijn geworden als het verkeersongeluk. Knap was begonnen in de tijd dat elk dodelijk ongeval een volledig bericht verdiende. Daar belde een verslaggever stad en land voor af: wie, wat, waar, hoe, hoeveel? Toen de eerste stabilisatie in het aantal verkeersdoden intrad was de berichtgeving langzaam teruggeschroefd naar tenslotte alleen nog de vraag: hoeveel? De dood deed niet meer ter zake, een ongeluk moest opzienbarende bijverschijnselen hebben om het nog tot een eigenstandig bericht te schoppen. Een bekende Nederlander die z'n enkel verstuikte bij het verlaten van een slagerij en gefotografeerd was, dat was het nieuwe ongeluk.
Of een baksteen, door onbekenden vanaf een viaduct geworpen in de richting van een auto, daar kon heel het land voor makkelijk een week opwinding mee uit de voeten als er geen gevalletje zinloos geweld voor handen was. De impact zat 'm per lezer in alles wat er had kunnen gebeuren als 'ie daar zelf net op dat moment langs was gekomen: deuk in het dak. En wie gaat dat betalen? Berichten die een beroep deden op de voorgenomen woede van de lezers, genoten overal voorrang. Op de televisie was er zelden of nooit iets van een verkeersongeluk terug te zien. Maar een vliegtuig dat tijdens het taxiën een klapband had gekregen en bij dertig wielen was dat een overzichtelijk malheur, kreeg meer publiciteit dan een
dramatisch ongeluk op een zebrapad met een dodelijk slachtoffer, een opa van veertien schatten van kleinkinderen. Al die vertragingen op vliegvelden, dat greep de kijkers, die toch al doodsbang waren in een vliegtuig, pas werkelijk aan.
De meeste automobilisten hadden nauwelijks idee meer wat er van de mens rest na een botsing van jewelste. Hun belangrijkste referentiekader waren tv-series waarin iedereen ongeschonden tevoorschijn kwam uit elke frontale botsing en incluis het toetje van de ontploffende benzinetank met de omstanders als brandende kegels op een bowlingbaan: maar geen blaar! De tv behielp zich voor de bloederige sensatie vooral met rechtstreekse verslagen van open hartoperaties of het rectaal plomberen van een kies, gepresenteerd door iemand die nog niet bij benadering de plek van zijn eigen achterhoofd kon aanwijzen. Daar werden geen zwarte zeilen omheen gezet.
Verkeersongelukken genereerden alleen in het weekeinde publiciteit, want dan was het vaak lastig om de maandagkrant gevuld te krijgen met nog iets anders dan sport. Dan werden alle verkeersongelukken op een hoop geveegd en bevorderd tot een belangrijk bericht desnoods voor op de voorpagina als de Kamer ook nog op reces was. Bleek altijd dat ze er ook nog twee doden van de avondspits van vrijdag bij hadden gesmokkeld om het ergens op te laten lijken. Maar nooit werden de 700 verkeersdoden per jaar in de opening van een krant vergeleken met iets als de onnodig uitgeroeide complete bevolking van bijvoorbeeld een pittoresk dorpje in 't Gooi. Dat zou de lezers maar ongerust maken als ze ’s avonds laat de deur uit gingen voor gauw een pakje sigaretten.
Alleen bij ruim voldoende slachtoffers in één klap of een merkwaardige rotstreek van het noodlot, nodigde het verkeersongeluk nog uit tot een schreeuwerige kop en larmoyante getuigenissen op de voorpagina van de Hollandsche Nieuwe. Voor de rest hadden ze er hoofdredacteur Lücker, niet alleen als de journalistieke spookrijder, maar ook als de gemiddelde automobilist van de linker rijbaan, de middelvinger steeds paraat, boven op de achterbumper van elke kantoorknuppel die zich aan de maximumsnelheid hield.
Lücker bezat een uitbundig gele cabriolet voor als hij op zomerse dagen de aandacht van de andere weggebruikers wilde vestigen op haar die naast hem zat. Voor de dagelijkse zonden bezat hij een robuuste en snelle grijze auto die veel harder kon dan binnen de landsgrenzen alleen op het circuit van Zandvoort was toegestaan. Daardoor ook voelde Lücker zich opgejaagd wild, elk moment dat hij het stuur van zijn 'zilveren mof' in handen nam en een agent in de verte ontwaarde. Nog steeds die oorlog, dacht hij dan geërgerd.
Waar de politie bij verkeersongelukken met de zeildoeken in de weer was, daar overwogen de kranten hun eigen beschermende maatregelen indien er foto's met gruwelijk lijden werden aangeboden. Er mochten in een oorlog nog zoveel doden vallen, er was publicitair slechts spaarzaam sprake van een zichtbare dood. Dat gebeurde eigenlijk alleen ter onderstreping van de misdaden van de vijand. Liever volop beelden van grote schade aan huizen, bomkraters en kogelinslagen. Slachtoffers lagen behoorlijk verzorgd in het hospitaal. De journaallezer waarschuwde de kijkers expliciet als er bloed bij te pas kwam, of bloot.
,,De onzichtbare dood geniet altijd de voorkeur boven de slordige dood,” verklaarde Lücker zijn persoonlijke keuze in zijn redactionele richtlijnen. En tegen Knap had hij uitgelegd: ,,Doseren, doseren. Ik ben de gewone man. Ook hier geldt: wat ik niet wil zien, dat wil niemand zien.”
,,Er vallen nog zo weinig doden in het verkeer dat elk ongeluk weer opmerkelijk nieuws zou moeten zijn,” had Knap de zaak maar eens omgedraaid. ,,Terwijl, als je nu als Nederlander in Oostenrijk een beetje onhandig van een berg tuimelt dan kom je minimaal twee keer op voorpagina terecht. Onder aan de berg in de kreukels en bij de gipsvlucht terug naar huis. Dat red jij niet op de A2 met je cabriolet onder een gekantelde vrachtwagen met oplegger.”
Lücker keek hem met felle ogen aan. Als het ging over vrachtwagens, de maximum snelheid, de verkeershandhaving in het algemeen en de benzineprijs in het bijzonder kreeg Lücker het schuim op de lippen. ,,Dat willen mijn lezers niet zien.” Daarmee was dit discussiepunt beslecht.
Al het overige binnenlands en buitenlands nieuws stond ongerubriceerd door elkaar heen in de Hollandsche Nieuwe. ,,Niet waar het gebeurd is, maar wat er gebeurd is, dat willen de mensen weten,” legde Lücker uit alsof hij de journalistiek zelf had bedacht. ,,Zo doen alle kranten dat tegenwoordig. Denk jij dat het qua beleving veel uitmaakt als een ons onbekende, onbenoemde Limburger zijn vrouw in de vrieskist heeft gestopt, of dat zoiets zich duizenden kilometers verderop met een ons even onbekende Oezbeek heeft afgespeeld? De mensen vinden het overal even gruwelijk dat zij nog niet dood was toen hij met zijn
dikke derrière op het deksel ging zitten. Het gaat erom: is het een beetje aardig opgeschreven? Dan ben je als krant tegenwoordig in het voordeel. Een journalist moet zijn fantasie geloofwaardig de vrije loop laten zonder de waarheid al te zeer geweld aan te doen.”
Knap had hem er eens aan herinnerd dat er onder journalisten lang een cynisch rekensommetje de ronde had gedaan: per calamiteit werd het aantal slachtoffers gedeeld door het aantal kilometers afstand. De uitkomst bepaalde het belang van het nieuws en de plaats in de krant. Lücker schamperde: ,,Sinds de wereld elke dag kleiner wordt, doet de afstand er bij rampen niet meer toe. Aantallen zeggen de mensen ook niets, sinds ze op school niet meer leren rekenen. Dan moet ik het wel zoeken in aansprekende geïsoleerde gevalletjes.”
Zo was de Hollandsche Nieuwe Courant op Lückers manier een overzichtelijke krant geworden. Er bestond ook geen aparte pagina economie: ,,Als het over de belastingen gaat, is het altijd belangrijk nieuws voor op de voorkant.”
En er stonden al helemaal geen beurskoersen in zijn krant. ,,Sodemieter op. Als ik merk dat Holdert in een krant kijkt om te zien hoe het gisteren met mijn aandelenportefeuilles is gegaan, dan kan hij een schop onder zijn duur betaalde kont krijgen.”
De hoofdredacteur werd zichtbaar scherp bij dat onderwerp. ,,Het is ook oppassen geblazen met die gasten die over de beurskoersen schrijven. Die zitten zelf allemaal op een vette portefeuille die ze steeds beter vullen met dalende of stijgende koersen door de opschudding en bangmakerij die ze zelf met hun zogenaamde nieuwsberichten hebben verwekt. Zo moeilijk is het niet
om op een vlakke beursdag de zaak een procentje omlaag te lullen. Die lui zijn nog erger met hun eigen hobby bezig dan die van sport. Ze hebben geen voorkennis, ze maken kennis. En ze claimen achteraf allemaal het grootste gelijk van de wereld te hebben gehad met hun voorspellingen, want dat houdt toch niemand precies bij. Zeker niet in de journalistiek. Zulke gasten ga ik toch niet betalen? Als de beurs instort, komt het vast heel gauw op teletekst. Dan hebben wij het ook.”
Knap had maar niet geïnformeerd of Lücker in zijn bovenkamer soms nog wat ideeën had rond slingeren over hoe het in zijn krant moest met kunst en cultuur. Hij had ongetwijfeld, net als veel politici, diepe minachting voor alles waar hij met de pet niet bij kon: volop wetenschap en alle cultuur. Maar helemaal zonder kon hij ook weer niet, want de bekende Nederlanders doken overal op waar fotografen op af kwamen. Dat betekende dat de krant uitbundig verslag deed van de opening van het Holland Festival, onder voorwaarde dat de koningin er bij betrokken was. Dat gold voor elke stap die de majesteit buiten haar paleis zette. De latente onverschilligheid ten opzichte van het Koninklijk Huis kon net zo makkelijk omslaan in woede over te weinig betaalde belasting, diverse foute echtgenoten en een dubieuze makelaar, als in warme aanhankelijkheid en pek met veren voor het republikeins rapalje, en dat alleen wegens een nieuw prinsesje op komst.
Daarnaast redde elke musical het qua kunst en cultuur in de Hollandsche Nieuwe, nep of namaak, nieuw of oud. Terwijl het daarbij al net als met sport was: er waren mensen die naar musicals gingen maar de overgrote
meerderheid van de bevolking wilde nog niet dood in de tram aangetroffen worden met een kaartje op zak voor het balcon. ,,Niet voor niets is er nog nooit een musical op de tv vertoond,” legde Knap uit. ,,Voor de liefhebbers volstaat het wanneer iemand in een talkshow komt vertellen dat hij verkering belooft te krijgen met het hoofdrolspeelstertje. Dan staan ze meteen in de rij voor de kassa.”
Zulke opvattingen bepaalden Henri Knaps werkterrein. Langs die kronkelpaden ontstond vijf keer per week weer een vers exemplaar van de Hollandsche Nieuwe. Vielen er spaanders, dan beriep de hoofdredacteur zich als een oude rot in het vak op een echte, grote journalist die zich ooit ondeugend had laten ontvallen dat je een mooi bericht niet kapot moest checken. Geen idee waar Lücker dat had opgepikt, maar dat opgewekte citaat van zeker twintig jaar terug, meer een praatje aan de bar na diverse consumpties dan een lesje in eigentijdse journalistiek, was vanzelf een wet van Meden, Perzen en Hollands journaille geworden.
,,Zo moeilijk is journalistiek namelijk niet, Knap. Je moet het allemaal een beetje bijhouden in de marge anders komt een oorlog opzetten als kakken.”
Hoewel Lücker er een inhoudelijk schaars aangekleed blad van maakte, had zijn chef redacteur hem deels gelijk moeten geven, nergens op de wereld werd zoveel aandacht besteed aan buitenlands nieuws. ,,Daar komt bij dat op geen enkele redactie zoveel klakkeloos wordt overgeschreven als daar.” Knap moest af en toe toch ook laten merken dat hij het vak onder de knie had. ,,Niemand controleert dat. En dan jatten ze de helft ook nog van buitenlandse boulevardbladen. Nergens worden kranten als Bild, The Sun en News of the World, god hebben zijn ziel,
zo serieus genomen als door de buitenlandredacties in Nederland.”
,,Precies, het gaat om keuzes,” had Lücker bereidwillig uitgelegd aan zijn redactiechef, alsof hij hier de oude rot in het vak was. ,,Wij zijn voor een behoorlijke dagelijkse aanvoer afhankelijk van het buitenland. Maar ik stuur daar natuurlijk niemand op af. Wij doen het met wat zich daar aandient als volk uit de showbusiness, dat het verschil tussen hun laatste bijrol en het werkelijke leven kwijt is. Altijd goed voor de oplage en het komt bij ons gratis binnen. Niet dat ik het lees. Het is zo vermoeiend allemaal, het is telkens zo lang wachten tot ze weer van elkaar af zijn. Voor de mensheid zou het trouwens beter zijn dat zulk spul geen kinderen kon krijgen. Dat ze in Afrika wat huurden voor zolang als het duurde.”
Knap had de witte vlag gehesen. ,,Nieuws, waar dan ook vandaan, is voor veel consumenten gewoon een onsamenhangend maar sappig feuilleton vol scandaleuze feitjes. Als het maar niet te dichtbij komt.”
De redactiechef hoorde de deur dicht slaan achter zijn hoofdredacteur en schoof de ontslagen Ajax-trainer naar de door Lücker zelf bedachte dagelijkse rubriek 'NEWS!’ Toevallig wist hij waar die letters voor stonden. Had hij Lücker een keer lachend horen roepen tegen Gracia, toen zij vroeg of hij haar optreden in weer zo een middagprogramma op de tv wilde aankondigen. Wilde hij wel: ,,Niet Elke Weetje Sneuvelt.”
Daar stond het noodzakelijke nieuws, dat hem persoonlijk niet interesseerde, maar dat bijdroeg aan de indruk van een complete krant. ,,We moeten toch ergens een vaste rubriek hebben zodat de lezer de krant herkent.” 'NEWS!'
stond op pagina 6, al net zo een begraafplaats als pagina 4. Niet voor niets stonden de tv-programma's er naast aangekondigd. Allemaal strafwerk volgens Lücker, want de meeste lezers hadden nog steeds een omroepgids al scheen die zelden uit het bandje te komen. Vijf van de zestien miljoen Nederlanders, elke dag dezelfde vijf miljoen, zetten bij thuiskomst de tv aan en dan zagen ze wel wat er was. Als er iemand per ongeluk op de afstandsbediening leunde merkte niemand dat ze in een andere film terecht waren gekomen.
,,De gemiddelde Nederlander kijkt per dag twee en een half uur televisie. Ik kijk vrijwel niet, net zoals de meeste Nederlanders. Dus dan moeten die vaste kijkers al minstens vijf uur aan hun toestel gekluisterd zitten.” Zo simpel zat Lückers wereld in elkaar. Knap begon maar niet over de terreur van die vijf miljoen die ervoor hadden gezorgd dat de programma's niet meer om aan te zien waren voor die elf miljoen anderen.
De tv-programma's werden in de Hollandsche Nieuwe kort en bondig aangekondigd omdat de krant anders te zeer op een kale kip zou gelijken. Gelukkig ging zeker de helft van de programma's over bekende Nederlanders die vrijwel niets konden maar dat wel fanatiek deden. Zo was er nooit gebrek aan goedkope illustraties. Als zij vandaag niet in de weer waren op levensgevaarlijke avonturen, dan zaten ze wel in komiek bedoelde panels, ze waren de kandidaten in kinderspelletjes, ze bezochten de buren met een pannetje soep tenminste als het gefilmd werd, ze moesten er bij zingen, een schat vinden, vertellen hoe ze begraven wilden worden, leuk zijn, lief zijn, uit de kast komen ook als ze geen homo waren, enfin, wie eenmaal op een of andere
manier kort herinnerbaar op de televisie was geweest en dat kon per ongeluk gebeuren, was voor de rest van zijn leven qua belachelijke schnabbels onder de pannen. De tv-aankondigingen in de Hollandsche Nieuwe vormden een logische aanvulling op de rest van de krant.
In 'NEWS!' mocht een bericht slechts uit één zin van maximaal 45 woorden bestaan. Was steeds behoorlijk duwen en trekken, maar tegelijk ook een meesterproef. ,,Zeur niet,” had de hoofdredacteur dreigend tegen zijn redactiechef gezegd toen die over de lengte van de berichten klaagde. ,,Wil jij, soms beweren dat het belangrijkste televisiejournaal met pak 'm beet, vijftien onderwerpen per dag inclusief de helft van die twintig minuten voor het weerbericht, wel uitvoerig is?”
Misschien, dacht Knap vaak als hij weer zo zat te strepen, was niets in de krant zo zorgvuldig in elkaar gestoken als die rubriek van niks. Zorgvuldig? Hij corrigeerde zichzelf. Als het komkommertijd was, verzon Knap desnoods zelf die poot vol. Dan liet hij in het zuiden van Tsjaad een dierentuin innemen door de rebellen, die eerst de inhoud van het insectenhuis hadden gefrituurd, de volgende dag waren de olifanten aan de beurt voor het ivoor en voor op de barbecue. Eind van de maand waren alleen de twee ijsberen nog over. Die werden door de opstandelingen aanbeden in de hoop op een regenbui. ,,Te lang,” mompelde Knap vaak als hij de woorden geteld had, maar hij liet alles zo staan. Op geen enkel verzonnen bericht was ooit een aanmerking gekomen van een argwanende lezer.
'NEWS!' had meer eigen wetten. Zo mocht er per week slechts één Kamervraag in voorkomen. ,,Ik kan goddomme elke dag een hele krant vullen met Kamervragen,” gaf
Lücker als reden op. ,,Maar heb jij dan wel eens gehoord over Kamerantwoorden?” Knap zuchtte, alsof die parlementariërs hem een streek leverden. Hoe vaak hoorde hij op de televisie niet een lid van de Tweede Kamer zijn vragen aankondigen over een of andere onnozele misstand, liefst in het gezelschap van een betraande beetgenomen straatarme burger, die zichtbaar het buskruit niet uitgevonden kon hebben, zonder dat ooit één zo'n Kamerlid terug was komen vertellen over het nuttig effect van zijn zelfgebreide vijf minuten van ruim bekeken bekommernis met een gewoon mens.
'NEWS!' fungeerde tevens als Lückers private schaamlap. Daar waren ook de oplichters en fraudeurs te vinden die eigenlijk een groter bericht verdienden, alleen dan waren ze van bedrijven waar de hoofdredacteur in zijn vorige leven als De Keukenkolos volop zaken mee had gedaan. ,,Laat zijn naam maar weg en die van zijn bedrijf ook,” adviseerde Lücker dan. ,,Anders lukt het je zeker niet in 45 woorden.”
Lückers wil was wet. Hij had alleen de ordehandhaving uitbesteed aan Knap. Dat was het sterke en tegelijk het zwakke punt van zijn journalistieke werkplan, hij had de uitvoering nooit zelf in handen. Tegen die tijd zat hij liever met Gracia in het Hilton als zij dan toch niet naar de Vecht kwam.
Knap stond op het punt naar huis te gaan, het was vijf uur geweest. Laat eigenlijk voor een punctuele journalist van de Hollandsche Nieuwe Courant. Bij een laatste blik op de oogst van de dag viel hem op dat Hiltermann het eerste deel van zijn productie had gestuurd. Knap besloot dat verhaal nog even snel door te nemen.
,,Ik ben weg.” Hannelore Faas liep vlak langs hem heen, aarzelde een moment, alsof zij verwachtte dat hij zou roepen van wacht ik ga met je mee, maar zij zette door toen hij alleen knikte. Werk gaat voor het meisje, bromde Knap zichzelf moed in.
,,NIEUWE LIQUIDATIE, OUDE AFREKENING!”
Eindelijk leverde Hiltermann eens een bruikbare kop. Niet briljant maar het scheelde in het werk. Doorgaans zette hij er een breedsprakige suggestie boven waar Knap niets mee kon aanvangen.
Knap had Lücker al eens voorgesteld om voor de koppen op zoek te gaan naar een creatieve jongere, desnoods een uit de reclame, hoewel dat volk leefde van wansmaak en namaak, maar altijd beter dan kraak noch smaak. Als hij zag wat de jongelui van tegenwoordig aan aanmatigende teksten en brutale vondsten van de straat op hun eigen websites zetten, dan moest er iemand gevonden kunnen worden die voor een appel en een ei de koppen van de Hollandsche Nieuwe boven die van de andere kranten tilde. De hoofdredacteur had zijn schouders opgehaald: allemaal tijdverspilling. Koppen maken, dat kan iedereen, meende hij, dat was het makkelijkste werk op de krant na dat van schoonmaakster.
Zo hadden ze er op Knaps vorige redactie ook over gedacht. Terwijl in aanpalende taalgebieden de koppenmakers vaak belangrijker werden gevonden dan de schrijvers. Die verdienden daar ook naar. Dat waren de goochelaars met de woordspelingen, die waren meester op het rijm of in de alliteratie, in de opzichtige verhaspelingen met de laatste modieuze kreten, die kenden per politicus minstens tien naamgrappen, die wisten hoe ze hun lezers
konden treffen. Het mocht gerust langs het randje van het verzinsel en de goede smaak gaan. Er overheen? Ook goed. De koppenmakers, dat waren de eerstverantwoordelijken voor de verkoopcijfers.
Behalve in Nederland. Daar was de losse verkoop altijd een verliesgevende bijzaak gebleven. Bij de sigarenboer hing een Tomado-rekje met per krant een paar exemplaren, zodat het de hele dag leek alsof 'ie bijna uitverkocht was. Klanten die goed bevriend waren met de sigarenboer, kregen 'm gratis mee. Dan scheurde hij de kop eraf, dat kon makkelijk, op de achterkant stond nooit iets van waarde of nut. Die kop moest hij weer bij de krant inleveren voor de afrekening, als bewijs van een niet verkocht exemplaar. Er was bij de krant blijkbaar nooit iemand op het idee gekomen om ze de sportpagina eruit te laten scheuren tegen fraude.
In van die kleuterschoenen had de losse verkoop gestaan. Er waren geen concurrerende verkooptechnieken ontwikkeld, potentiële kopers werden niet verleid. Er was niet eens een aparte opleiding voor op een van de journalistenmulo's.
De echte kranten hoopten met alleen hun tabloidformaat de aandacht te trekken toen hun eigen abonnees wegliepen naar de gratis kranten en er steeds grotere stapels bij de kiosken werden afgeleverd om het ergens op te laten lijken in vergelijking met die pakken gratis drukwerk.
Alleen, dat konden ze helemaal niet, een tabloid maken. Ze maakten gewoon hun oude krant op een klein formaat.
Omdat hun inspanningen terug te vinden moesten zijn in immer stijgende oplagecijfers werden er dagelijks stapels verse kranten om niet weggegeven langs de straat aan
zwervers, studenten en het cliënteel van de supermarkten, zodat bij de kwartaalmeting het oplagecijfer zelfs nog een beetje gestegen bleek. Voordeel was dat de adverteerders naar die cijfers betaalden. Daar lazen ze de kranten niet. Zelfs bij de gratis kranten werden de koppen op de voorpagina nog geformuleerd naar de bijna spreekwoordelijke Hollandsche saaiheid, nuchterheid en breedsprakigheid, doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg. Knap had volop jonge collega's gezien die eerst hun kopsuggestie tikten, dan hun naam er onder zetten en daarna langdurig naar het plafond staarden alvorens ze aan hun eerste alinea begonnen, waar die ook toe mocht leiden. Elke slome kop was een vlucht in de lafheid of de gemakzucht maar werd door de maker verkocht als een poging tot verantwoorde nuance. Als er eens iets bedacht was dat provoceerde, uitnodigde of opwond, bleken ze aangewezen op een dermate klein lettertype, dat alleen de mensen die hun leesbril bij de hand hadden in aanmerking kwamen als losse kopers.
Desondanks, in geval van ernstige lezerskritiek wisten de journalisten niet hoe snel ze de schuld moesten schuiven in de schoenen van de grootste ondeskundigen van de voltallige bedrijfstak, de spoken van alle redacties: de koppenmakers.
Een buitenstaander stonk daar altijd in. Elke verslaggever beweerde geen enkele invloed op de koppenmaker te hebben, de eindredacteur klaagde dat hij er met gebonden handen bij zat, zelfs de hoofdredacteur stampvoette machteloos en tevergeefs bij zoveel onkunde als hij de volgende morgen onder ogen kreeg. Ook de zelfgebreide ombudsman zag zijn kans schoon en priemde
regelmatig en demonstratief zijn beschuldigende vinger naar de koppenmaker, die had toegeslagen als de achterlijkste en zwakste schakel van de hele krant.
Het viel Knap pas in tweede instantie op dat de starreporter van de Hollandsche Nieuwe zichzelf van een nieuwe, trendy introductie had voorzien. ,,Analyse door G. Hiltermann Bzn.” had hij er boven gezet. Knap gruwde. De normale vermelding ,,door Guus Hiltermann, Starreporter” was hem blijkbaar te simpel geworden nu hij Jan J. Janssen jr. in potsierlijk vertoon naar de kroon wilde steken.
Elke journalist, vond Knap, over wiens naam ook pijnlijke grappen waren gemaakt in de tijd dat hij alleen nog de sudoku mocht doorgeven, moest zelf bepalen hoe hij boven zijn stuk werd genoemd, dat gold van oudsher bij alle kranten. Alleen werd soms een al te simpele Jan Jansen, als ze er al twee van hadden, onder druk van de hoofdredacteur tot een Han Hansen omgedoopt, tot zelfs z'n vrouw niet meer beter wist. Verder gold dat ze liever niet hadden dat een redactrice de naam van haar man gebruikte omdat de lezer anders na haar derde scheiding de weg helemaal kwijtraakte. De Bhagwan was godzijdank een modeverschijnsel gebleken dat de krantenkolommen alleen als onderwerp had gehaald en niet bij monde van een of andere verslaggevende swami in de economie. Voor de rest: vrijheid, blijheid. Het toevoegsel Bzn., wat dat ook mocht betekenen, vond Henri Knap bij nader inzien ook wel een aardige parodie op van die frutsels als die Janssen aan zijn naam had gehangen.
Binnen een paar zinnen bleek dat Hiltermann zichzelf ook een journalistieke verbouwing had veroorloofd. Zijn productie ging niet gebukt onder zijn notoire platvloerse
bombast, geforceerde overdrijving en een lawine aan slordigheden, tikfouten en zinnen zonder kop of staart, maar dan weer wel onder een overmaat aan anonieme bronnen. Dat kenmerk van de moderne journalistiek had hij er meteen bij genomen. Hij begon nog wel met een ouderwets bevlogen beschrijving van de gebeurtenissen rond de ,,maagdelijk blanke tent” op het Stadionplein ,,waar ooit Olympische historie werd geschreven” en waar Chrisje G. onder bleek te liggen: ,,doorzeefd”. In Hiltermanns eerste nieuwsbericht had het slachtoffer nog gewoon Chris geheten en toen had ,,slechts één kogel volstaan om aan dit jonge, veelbelovende leven een abrupt en bloederig einde te maken.” Dood bleef nog wel dood. Dat was tenminste iets.
Zat Knap alleen nog met het labeltje 'analyse'. Dat parmantige woordje werd door journalisten steeds vaker gebruikt voor een artikeltje dat ze schreven nadat ze op een verjaardagspartijtje een mening hadden opgevangen van een aangeschoten neef. Of ze hadden in eigen beheer een paar losse buitenlandse berichten aan elkaar gelijmd. Dat heette ook al gauw een analyse door de deskundige van het huis.
Het leek alsof iedereen alle journalistieke genres beheerste. Of er dringend om het weerbericht werd gevraagd, om een column, om een analyse, om een nieuwsbericht of om een interview. Men gaf de moderne vakman een potlood en hij krabbelde er ook nog gauw de spotprent voor op de opiniepagina bij. Dat waren geen befaamde redactionele statements meer van vaste tekenaars, die landelijke faam genoten bij vriend en vijand, maar eerder ingezonden tekeningen tussen de ingezonden
stukken. Alsof ze er op de redactie al op voorhand afstand van namen.
Uit Hiltermann Bzn's analyse bleek dat alles draaide om een oud probleem onder boeven: ,,Gezworen kameraden worden vijanden voor het leven als zij niet bij de buit kunnen komen waar zij hun vrijheid voor op het spel hebben gezet. Bronnen vrezen dat het niet bij deze aanslag zal blijven. 'Een nieuwe onderwereldoorlog staat op uitbreken', zegt een van hen desgevraagd.” Het wereldkampioenschap open deuren intrappen begint vroeg dit jaar, vatte Knap samen om nog iets van zijn opgewekte bui te redden. Liefst zou hij meteen gaan herschrijven, de core business van een eindredacteur, maar hij voorzag de grootste problemen met Lücker.
Journalistiek werd steeds meer aandachttrekkerij met omineus klinkende, lege profetieën. De aankondiging van een armageddon deed het altijd bij de lezer, die sidderend in de veronderstelling verkeerde dat de verslaggever van de krant de deskundige van hun tweeën was. Een angstige burger greep sneller naar een krant dan een tevreden sigarenroker, wist elke redacteur.
,,Geld is inderdaad de moeder van alle kwaad,” liet hij diverse niet nader genoemde financiële adviseurs bevestigen. Alsof Hiltermann deze platitude in eigen beheer bedacht had. Weer zo een truc die de grommende Knap steeds vaker terug zag. Journalisten zetten hun zoekmachine aan en vonden binnen een paar tellen een bij hun onderwerp passende kanttekening. Of ze namen The New York Times erbij, vatten een analyse van die krant in twee heftige zinnen samen en sloten die af met: ,,Een mening die ook The New York Times is toegedaan.”
Plagiaat bestond niet meer want iedereen deed het. Zelfs bij gerenommeerde kranten werden journalisten die betrapt waren op letterdiefstal alleen overgeplaatst naar een andere bureau. Blijkbaar vond de hoofdredacteur het ook geen schande meer, hij zat er zelf als halve schuldige bij. Op de journalistenmulo werd ze onderhand ongetwijfeld geleerd om zo'n dodelijke beschuldiging met een handige formulering af te wimpelen: de nieuwe journalist schreef niet over, hij gaf alleen door, zij citeerde ruw of er was sprake van een kwestie van ongelooflijk intellectueel toeval. Knap schudde zijn hoofd dat zijn overkapping er van trilde. Wetenschappers, die plagieerden.
Hiltermanns volgende onthulling was afkomstig van een anonieme informant bij de politie die hem het probleem had geschilderd van het losgeld bij een ontvoering. Het bekende verhaal. ,,Een paar miljoen in briefjes van 250 euro vormt een onhandig, groot pak papier. Terwijl zulke briefjes op zichzelf al lastig genoeg zijn omdat winkeliers bij coupures van 100 euro hun klanten al argwanend bekijken.” Geloof ik graag, zuchtte Knap, en maakte er briefjes van 200 euro van. Biljetten van 250 bestonden niet.
,,In criminele kringen is algemeen bekend dat bij een ontvoering de familie van het slachtoffer kan rekenen op alle medewerking van De Nederlandsche Bank. In de kelder liggen, direct naast onze goudstaven, voor vele miljoenen aan misdrukken gereed. Nederland kan daarmee desgewenst ook andere Europese landen te hulp schieten. Alle biljetten hebben een niet direct herkenbaar foutje en zijn zodanig bewerkt dat het lijkt alsof ze gebruikt zijn. De nummers staan genoteerd en de biljetten worden door de
detectieapparaatjes aan de supermarktkassa's nog jarenlang er uit gefilterd. Nooit zullen de daders er zelfs maar een fles jenever van kunnen kopen. Losgeld in natura levert vergelijkbare problemen op. Een kilo cocaïne is even duur als een kilo goud. De Nederlandsche Bank wil dit bevestigen noch ontkennen.” De voorlichter had waarschijnlijk z'n mobiel af staan.
Knap was een fervent tegenstander van anonieme bronnen. Verkeerde hij maar in de positie om het hele stuk weg te gooien, maar afgezien van de personele consequenties, zo breed zat hij ook weer niet in de tijdloze vervangende kopij.
Eeuwenlang was de anonieme bron een zeldzaamheid geweest die zoveel mogelijk vermeden werd omdat echte journalisten moedig waren, lef hadden, hun werk een serieuze aangelegenheid vonden, zich desnoods op water en brood lieten zetten en al verdienden ze er nauwelijks een droge boterham mee, hun beroepstrots was hun alles. Iedereen kon anonieme bronnen uit z'n duim zuigen, maar dat was iets voor politici. Echte journalisten koesterden de betrouwbaarheid van een anonieme bron als was het hun gezamenlijke goudvoorraad. Andere kranten berichtten er vol ontzag en met bronvermelding over als de concurrent er een had, een anonieme bron. Als die op de proppen kwam, en dat was in de hele geschreven pers in die tijd alles bij elkaar misschien twee keer per jaar het geval, dan wisten de lezers meteen: thans zijn de rapen gaar, nu is het goed mis met alle betrokken initiaalhouders.
Een journalist die een anonieme bron opvoerde, was juist daarom volstrekt betrouwbaar. Hij zat er bovenop, middenin en ook al kreeg hij zijn hele lezerskring en de
regering op zijn nek, hij had tegenover Zijn Bron beloofd te zwijgen als het graf. Zo een belangwekkende bericht, waar zijn naam niet eens boven stond want hij werkte niet bij het circus, werd algemeen beschouwd als een kenmerk van de vrije pers. Alle lezers waren er van overtuigd dat de heer hoofdredacteur als enige wist wie de schrijver was en hoe die anonieme bron heette. Zo een status had de hoofdredacteur toen nog.
Die had zich tot het laatste moment met het stuk bemoeid. Dat was niet alleen zijn eer te na, dat kon hem anders ook nog zwaar opbreken bij een juridisch vervolg. Als de vijand hem desnoods liet gijzelen. Tot in de vorige eeuw nog had een hoofdredacteur een student bij de hand die normaal bij hem op de redactie de telexberichten afscheurde, maar die in zijn plaats voor een paar maanden naar de nor kon afreizen in het geval de hoofdredacteur gegijzeld werd. Kon zo een jongen in alle rust aan zijn scriptie werken; een soort studiebeurs.
De laatste jaren werd de journalistiek gekenmerkt, zeg maar gerust geteisterd, meende Knap, door de verloedering in het gebruik van niet eens cruciale, anoniem gemaakte bronnen. Ze waren er niet voor de ontsluiering van de geheime waarheid maar voor de sensatie, om een sloom verhaal spannend te maken. Wie maalde dan nog om geloofwaardigheid? Alles voor het effect. Voetbalhooligans die een stadionverbod hadden gekregen, verschenen op de tv om hun eigen volledige onschuld te bepleiten. Daar zat 'ie dan, tegen de zon in gefilmd, grote gebreide muts op, dikke winterjas aan, verdraaide stem, enorme joint tussen de vingers, revolver voor zich op tafel. De politie had het volkomen ten onrechte op hem en zijn
makkers gemunt. Dat wilde de journalist graag geloven. Elke aansluitende vraag zou ten koste van het zorgvuldig opgebouwde effect gaan.
Knap knikte meewarig: het kon nog zo veel erger. De parlementsredacties hadden zichzelf ontwikkeld tot de groothandelaren in de onnozele anonieme bronnen. Het gezelschap posteerde zichzelf breeduit voor ieder onderwerp. Elk door bevriende politici ingestoken nieuwtje werd als een persoonlijke triomf gepresenteerd. Zelfs die van de sport konden hun lachen nauwelijks houden als de soort glorieerde tijdens hun jaarlijkse jacht op de geheime begroting. Elk ontsnapt woordje dat de majesteit daags daarop zou kunnen voorlezen, werd gevierd als een journalistieke triomf, ook al donderde de primeur na een paar uur bombarie al weer in het ravijn der totale vergetelheid. Tegen middernacht proostten de geniale parlementaire pennenlikkers elkaar toe: dat had de vrije pers 'm toch ook maar weer mooi geflikt, dwars tegen de majesteit, de machtige RVD, de regering en alle andere vormen van persbreidel in. Dan waren zij van dezelfde partij en van dezelfde krant.
,,Als ze bij Ajax elkaar de bal zouden toespelen zoals die gasten onder de Haagse kaasstolp, dan wonnen wij voortaan elk jaar de Europa Cup,” vatte Knap samen, terwijl hij tevergeefs vocht tegen de verleiding om ook nog even de tv-journalistiek apart onder de loep te nemen. Want op dat medium werden alle journalistieke regels zoveel mogelijk genegeerd, daar was nauwelijks een beginnen aan.
Een onderwerpje waar ze vandaag twintig schrijnende minuten van hun rubriek voor nodig hadden, dat waren ze
morgen alweer voor eeuwig vergeten. Ieder ging z'n gang zonder veel opvallend onderscheid. In hun grauwe grabbelton overlapte alles elkaar. Uiterlijk was belangrijker dan inhoud. Bij het Journaal dat altijd een instituut was geweest, hadden ze een halve zool als hoofdredacteur aangesteld die dacht dat hij het ochtendamusement op de tramhalte moest verzorgen.
De televisie was in alle opzichten het failliet van een ooit prachtig en verbazingwekkend massamedium. Netmanagers en zenderbazen speelden geen enkele rol in welk journalistiek proces dan ook, maar ze waren wel de baas over al het wereldnieuws, benevens over elke sport, de economische berichten, over de vertoning van een eeuw B-films, over alle humor, over het weerbericht, over onnozele wedstrijdjes met populaire Nederlanders erin, en wat er voor de rest allemaal nog op hun rommelzolder kon worden aangetroffen. Ze bezorgden het Waterlooplein dagelijks aan huis.
Een verschil met de geschreven pers was ook dat al die omroepkwasten zich verre hielden van correcties die nog naar een laatste restant benul en journalistieke verantwoordelijkheid konden verwijzen. Wij mochten alles weten over hun liefdesleven en dat ze ambassadeur waren van de aambeienstichting, maar als het over hun werk ging dan volstonden ze met afsnijsel. Correcties? Ze konden niet aan de gang blijven. Waar kranten in verloren hoekjes nog wel eens flauwe rectificaties plaatsten, de koningin had bij de opening van het parlementaire jaar in een foto-onderschrift volkomen ten onrechte Wilhelmina geheten, daar tastte geen enkele correctie de beeldvorming van de buis aan, daar werd alleen iets
hersteld als de rechter een rectificatie oplegde met een dwangsom, daar bestonden verder geen regels, daar had niemand het over persvrijheid, daar had het grootste stuk onbenul altijd gelijk. Vandaar ook dat elke kritische mediarubriek gauw de nek werd omgedraaid, want ze hoefden niet met hun eigen onkunde te koop te lopen, vonden de netmanagers.
Pom, pom-pom, zong Knap eens per jaar als hij opgewekt het bericht doorgaf dat uit opinieonderzoek opnieuw gebleken was dat de televisie een aanzienlijk geloofwaardiger medium werd gevonden dan de krant. Zo zat de wereld in elkaar. De kijkers dachten dat zij avond aan avond de waarheid met eigen ogen konden waarnemen. Als ze geabonneerd waren, dan was dat op één krant, maar van hun schamele jaarlijkse tv-belasting kregen ze gevraagd en ongevraagd vele tientallen zenders in huis zonder dat ze ergens lid van hoefden te zijn, invloed konden uitoefenen of konden dreigen met opzeggen. Die zenders lieten allemaal ongeveer hetzelfde zien. Dus dat moest wel de waarheid zijn. Miljoenen mensen met actief en passief stemrecht waar ze nog gebruik van maakten ook, dachten dat een goochelaar kon toveren en dat een helderziende alleen wegens zijn beroepsgeheim en internationale vakbondsafspraken niet elke week de winnende cijfers van de lotto zo vast op vrijdagavond doorgaf.
Zo werd ook elke anonieme informant dankbaar geloofd, daar hij de kijker de indruk opdrong een succesvolle voyeur te zijn. Gelukkig bestond te veel en te vaak ook. Een enkele undercoverjournalist met z'n anonieme bronnen en z'n valse snorren, leed al onder zwakke kijkcijfers
omdat zijn publiek telkens dacht dat het een herhaling was.
Van een uiterst middel, was de anonieme bron een goedkope kermisattractie geworden. Een bonafide informant werd soms niet eens meer op zijn woord geloofd en afgewimpeld: nee, sorry, wij zoeken iemand die niet herkenbaar in beeld wil komen. ,,Oh, maar dan moet u bij mijn zuster zijn, die heeft een hazenlip.”
Knap keek licht vertwijfeld op zijn horloge, hij voelde de hongerklop naderen, maar las toen toch verder wat Hiltermann nog meer geanalyseerd had. Bij de jongste liquidatie ging het volgens hem uiteindelijk om de boedel van Bertus B., een onlangs op spectaculaire wijze overleden crimineel, die zich publicitair had geweerd als de bekende, zachtaardige, sportieve, cultureel geïnteresseerde, door iedereen te consulteren welingelichte voorlichter van de onderwereld. Hij had meegedaan aan tv-spelletjes, en hij stond altijd gereed als ze bij een actualiteitenrubriek in de zomer verlegen zaten om een onthullende reportage. Hij had uiteraard een column gehad in de Prille Parade, een wekelijks verschijnende schoolkrant voor volwassenen. Bertus zocht iedereen te behagen en af te leiden. Redenen voor de misdaadverslaggevers om hun meest geliefde anonimicus steeds in bescherming te nemen. Ook Hiltermann liet diens onbezoedelde status in takt en voerde alleen die anekdotische elementen op die de zwaarste criminaliteit en de grootste smeerlapperij tot zulk amusant leesvoer kunnen maken.
,,De éminence criminel, blijkt uit stukken die in het bezit zijn van deze krant, is in zijn eigen ledikant overleden, geheel in de ban van de kijkcijferhit 'Op zoek naar de
nieuwe Kuifje in Afrika'. Toen de winnaar een kek Volendammertje bleek te zijn dat in de musical het negertje in de kookpot mag spelen, een doosje schoensmeer doet wonderen, begaf zijn hart het.” Dat hadden de meeste misdaadverslaggevers niet achter hem gezocht.
Stukken die in bezit zijn van deze krant, was een cliché dat in de aanhef van geen enkele primeur, analyse of onthullend artikel mocht ontbreken. Als een journalist 'stukken' had, dan behoorden die tot zijn geheimhoudingsdomein. Als andere organisaties en zeker de overheid over geheime stukken beschikten, dan heette dat een schandalige manipulatie van het burgerlijk belang. Alleen journalisten waren te vertrouwen.
Hiltermann Bzn. lichtte het doopceel van Bertus B., een onopvallende bankemployee die na ,,een slordige verschrijving” voor anderhalf jaar naar het gevang was gestuurd en binnen een jaar weer op straat stond wegens goed gedrag en met een netwerk waardoor hij miljoenen in beheer kreeg ter verplaatsing naar veiliger oorden. De cocaïnehandel had hem weten te vinden. Dan was het niet zo erg, wist Knap. Het snuiven van cocaïne was een luxe hobby die in een beter daglicht stond dan de heroïne. Die was van de junks en van de straat. De cocaïne was van de vlotte dertigers en modieuze veertigers. Snuivend van hun spiegeltje waren ze zich er niet van bewust dat het spul hier vaak arriveerde langs de maag en darmkanalen van ingehuurde arme sloebers van passagiers. De heroïne kwam meestal gewoon met de boot.
Het grootste deel van de vermogens was bij B.'s overlijden nog niet onder de rechthebbenden verdeeld,
daar het steeds lastiger werd om zulke bedragen ongezien te benaderen. Ze konden nog zoveel dreigen, het geld was vastgezet op renterekeningen of belegd in kabbelende aandelen, waarbij criminele kringen niet speciaal ontzien werden bij dipjes, malaises, financiële crises en geslaagde politionele acties.
Bertus B. deed nooit ontwijkend of nodeloos ingewikkeld over zijn functie van grootbankier van de onderwereld. Zoals er gedoogde bordelen bestonden en gedoogde coffeeshops, zo kon er ook maar beter een gedoogde bankier van de onderwereld bestaan. Als er een buschauffeur was lastig gevallen door nare jongelui belden de media nooit tevergeefs aan bij Bertus voor een reactie waarbij de bonafide boef van stal kwam, die geen mens kwaad deed en die in diskrediet werd gebracht door straatschoffies, scootertuig en schitterend uitgevoerde blonde gymnasiummeisjes die tussen de middag de parfumafdeling van V&D onveilig maakten voor een buit ten bedrage waarvan een beetje overvaller niet eens uit zijn bed kwam. ,,Grapje,” besloot Bertus elke keer als hij dat laatste op de tv vertelde.
Zijn strategie was duidelijk: als Bertus zich in de media zo openlijk kon manifesteren, dan moest het wel meevallen met die misdaad van bij ons.
Bertus had als de verkeersregelaar der ongrijpbare fortuinen geen prioriteit genoten. Hij kwam vanzelf een keer aan de beurt, dacht men. Sinds kort was er dus helemaal geen haast meer bij. Een van Hiltermanns anonieme bronnen, die ook niet bij zijn vermogen kon komen, typeerde hem als: ,,De eerlijkste onder de oneerlijken. Alleen, daar krijg je in dit land tegenwoordig
geen lintje meer voor. Nee, als je hier je kop boven het maaiveld uitsteekt....” Bij zo een citaat dacht de lezer vanzelf dat de lintjes vroeger tenminste nog naar de goede moordenaars gingen, net als in de bijbel.
Hiltermann schetste de omvang van tientallen, misschien honderd, mogelijk honderden miljoenen guldens, euro's en dollars. Die Bertus B., dacht een beetje lezer tegen die tijd, die deugde.
Voor het te saai werd, kwam Hiltermann met diverterende cijfers op de proppen zoals De Nederlandsche Bank die elk kwartaal publiceerde over de miljoenen aan oude munten en bankbiljetten aan toonder die nog steeds zoek waren sinds de gulden zaliger nagedachtenis plaats had moeten maken voor de euro. De meeste mensen verkeerden in de waan dat het bij al dat oud geld ging om de adel en om het rustend kapitaal van goudeerlijke, lelijke, onverstaanbare keuterboertjes in uiterlijk kommervolle omstandigheden, weduwnaars, stokdoof, de bovenkamer niet meer op orde, vervuild, kapotte ruiten, spinrag, onverstaanbaar dialect, de stank kwam je dwars door het beeldscherm tegemoet, één varken, vier kippen, een gemummificeerde Duitse herder op de deel en twintig broodmagere katten. Terwijl de matras in de bedstee geheel gevuld bleek met groene briefjes van duizend gulden, aangevreten door de ratten en stinkend lichaamsvocht want hij lag daar al een tijdje toen de brandweer hem na een anonieme tip vond.
,,Dat is waarschijnlijk wel eens gebeurd in de vorige eeuw, maar in de werkelijkheid van nu verdwijnen de kapitalen langs krankzinnige sluiproutes. ” Aldus een econoom die Hiltermann had geraadpleegd en die liever onbekend wilde blijven met al z'n prietpraat.
G. Hiltermann Bzn. haalde er een schilderachtige, anonieme dorpsnotaris bij die een licht politieke lading verzorgde. ,,De meeste landen, geciviliseerd of ongeciviliseerd, linkse of rechtse regimes, dat deert niet, zijn er bij gebaat dat op een overzichtelijk aantal rekeningen bij niet al te courante banken met rare namen ontraceerbare kapitalen gestort kunnen worden. In Zwitserland hebben ze bij een internationale financiële calamiteit ruim voldoende geld voor handen, tenzij iedereen wit geld wil, dan hebben ze een groot probleem. Sommige politiek belangwekkende geldstromen hebben daarnaast de discrete dekking nodig van desnoods criminele vermogens. Wit geld en crimineel geld, het vindt elkaar in zogeheten pakketjes ergens langs de elektronische snelweg, hoppend van rekening naar rekening, tot het alleen voor de rechthebbenden nog op te sporen is. En James Bond. Hoe meende u dat al die omstreden regimes nog aan hun wapenvoorraden raken? Had u al eens vernomen van het einde van een oorlog omdat de vijand onderhand door het geld voor de kogels heen was? Ze raken door hun manschappen heen, maar munitie hebben ze altijd genoeg. Zo gaat het ook bij de tegenstanders. Op die manier wordt een politiek evenwicht bewaard of juist verstoord, het is maar net wat er door de VN gevraagd wordt. Vrede is duur en de vijanden van vandaag kunnen de vrienden van morgen zijn. Dat gaat ook op bij de grootste criminele organisaties."
Hiltermann sloot deze fase af met zijn analyse: in zekere zin vervullen de grote criminele organisaties een belangrijke maatschappelijke functie. Bertus B. wordt door velen dan ook herinnerd als de cipier van onze lieve vrede.
Henri Knap kreeg er al lezende een rood hoofd van schaamte bij. En dan moest Hiltermann de bal nog in het lege doel schieten. ,,Belangrijke eigenschappen voor een crimineel zijn, afgezien van een vaste hand, koelbloedigheid en een tamelijk particulier besef over mijn en dijn: veel geduld, een ijzeren constitutie en een gebrek aan relatieproblemen. Niet allemaal de typische kenmerken van de onderwereld. Met de helft van zo een CV kun je al minister president worden. Bertus B. had de pasjes, kende de wachtwoorden. Die kon moeilijk het loodje leggen bij een premature afrekening. Dan hielden ze op den duur allemaal ontevreden gezichten over in de onderwereld.”
Daar zat 'm de kneep in het geval van de jongste liquidatie. Knap keek op de klok. Het had even geduurd maar G. Hiltermann Bzn. naderde des poedels kern: sommigen debiteuren waren in nijpende omstandigheden komen te verkeren. Ze konden in de boven- noch in de onderwereld een onderhandse lening of een echte hypotheek afsluiten zolang het dekkend vermogen waar zij recht op hadden, dat kon niemand betwisten, ontraceerbaar bleef.
De geldstromen zijn bovendien nodeloos ingewikkeld geworden, aldus de notaris zonder naam, sinds justitie demonstratief aan het terugvorderen is geslagen. ,,Die weten niet half wat ze uithalen. Dan ontstaan er in onderdelen van het geldverkeer onoplosbare problemen.” Met alle gevolgen van dien, analyseerde Hiltermann er op los.
,,Maar niet, iedere liquidatie zal Bertus van een probleem verlost hebben,” aldus weer de anonieme notaris. ,,Magere Hein zal precies op tijd bij hem langs zijn gegaan. De druk
werd groot. Er is onder Bertus veel geld op een goudeerlijke wijze zoekgeraakt, ik kan het niet anders noemen. Normaliter staat daar straf op van zo een opgewonden schuldeiser. De redding van Bertus is geweest dat hij zijn boekhouding in zijn hoofd had zitten. Zeer onhandig om daar terminaal geweld op toe te passen. Dat was zijn redding. Tot hij op een avond tv zat te kijken.”
Onder dat netwerk van Bertus B., aldus Hiltermann, zaten ook weer allerlei afspraken over leningen en diensten tussen betrokkenen. ,,Die daar hebben vaak niet alleen een klein hartje maar ook een kort lontje. De ene dag stonden zij met betraande ogen aan de groeve en de andere dag klonken de schoten, daar op dat historische stukje Olympische grond.” Einde.
Chef redacteur Henri Knap trommelde op zijn bureau. Hiltermann Bzn. had voor zijn doen ongekend veel research gedaan, maar er zat naast volop bombarie kop noch staart aan het verhaal. De laatste afrekening kwam als een deus ex machina tevoorschijn.
De gemiddelde coverstory van de Prille Parade steekt er nog positief bij af, mompelde Knap. Vroeger gold in de journalistiek het devies: één bron is geen bron. Tegenwoordig was één bron al heel wat, zelfs al was die anoniem en onbetrouwbaar. Hij stelde zijn vertrek nog maar even uit. Hij haalde eerst een beker koffie alvorens Hiltermann te bellen met het verzoek om hem minstens twee bronnen in vertrouwen te openbaren. En anders alleen de naam van die notaris, want die was van de echte bovenwereld, die moest zichzelf openlijk kunnen verdedigen. Daarnaast wilde hij wat uitleg hebben en de mogelijkheid krijgen om het verhaal her en der in te korten
en grotendeels te herschrijven. Iemand moest het heft in handen nemen.
,,Goed werk van onze vriend!” stond er in een interne e-mail op Knaps beeldscherm toen hij terugkeerde. ,,Zoiets lees je in geen enkele andere krant!” Gortzak bleek ondertussen al gearriveerd en had zich in een vloek en een zucht over de tekst van Hiltermann ontfermd. De hele productie moest met die kop en zonder enige wijziging al bij de dames in de Achterhoek gearriveerd zijn. Knap kon Lückers aangetrouwde neef moeilijk de les lezen zonder stagnatie bij het doorgeven te veroorzaken en de rest van de krant in gevaar te brengen. Conflicten waren voor na sluitingstijd. Dan moest Gortzak die briefjes van 250 euro ook maar uit eigen zak betalen.
Terwijl hij zijn nog steeds wat vochtige regenjas aantrok gaf hij voor de lieve vrede toe dat Hiltermann zich een minder vulgaire, drankzuchtige knoeier had getoond dan waar hij hem steeds voor had versleten. Ook al waren al die bronnen, als ze al bestonden, vooral bedoeld als gewichtigdoenerij in zijn amateuristische wedloop met Jan J. Janssen jr. als onderdeel van de nieuwe journalistieke grondhouding. Knap betwijfelde ten zeerste of de politie bij nieuw onderzoek langs dezelfde onmogelijke wegen en informanten te werk zou gaan als Hiltermann. Dit was niet de sensationele onthulling waar hij zijn collega Janssen mee zou passeren op de ladder met de meest gevraagde misdaadverslaggevers. Hij moest nog even wachten voor hij aangezocht zou worden voor de talkshows, om zich daarna, voorzien van een lucratief contract met een modemagazijn dat hem steeds de nieuwste maatkostuums huurde, schoenenzaak erbij, brillenboer, nog even langs de
audicien, geheel het heertje, aan te kunnen melden voor in spelprogramma's, een make-over en andere gekkigheid voor bekende Nederlanders. Men belt, hij zou gaan draven als een paard.
Hiltermann respecteerde de regels van Lücker, die voorschreef dat de lezers zich zelf hun woedeaanvallen, originele bloedspuwingen en morele oordelen moesten verschaffen. ,,Niets zo overbodig als commentaar op wat er toch al in de krant staat,” meende Lücker. ,,Een goede lezer heeft aan een half woord genoeg.” Zij redactiechef had gemompeld dat er daar nou net zo weinig van waren, goede lezers. Lücker had hem aangekeken alsof hij een bekeuring wilde uitschrijven, maar hij hield zich in. Zoveel ter zake kundige lui liepen er nou ook weer niet rond op zijn redactie.
Waar echte kranten er per pagina minstens één hadden, daar had de Hollandsche Nieuwe geen enkele columnist in dienst om de lezer grinnikend de andere kant van Hiltermanns of andermans gelijk te tonen, die ze de les mocht lezen of in complete kolere kon doen schieten. Op het pijnlijke af, vond Knap: geen enkel vast stukje waar een lezer die krant voor meepakte. De persvrijheid was iets, maar de vrijheid van columnisten, dat was een Groot Goed. Knap vond dat het in sommige gevallen iets te ver ging maar dat waren vooral gevallen die hij toch al nooit las.
,,Trouwens, columnisten?” piepte Lücker.,,Sodemieter op! Als je ziet wat zich allemaal zo noemt.” De bekende Nederlanders waren inderdaad per gros benoemd tot ambassadeur van het een of andere goed doel en daar zat altijd een eigen column aan vast.
Het goede doel was niet langer gebaseerd op een gezamenlijk idee over hoe we het hier en in echt arme streken met elkaar moesten zien te rooien, maar op de gezamenlijke hoop op de hoofdprijs in de bijbehorende loterij. Geen kwaal of er zat een loterij aan vast. En een maandelijkse glossy gratis aan huis voor alle donateurs, waarin de ambassadeurs, want één was niks, de gevierde columnisten waren. De meeste donateurs, zo was algemeen bekend, gooiden zo een blad ongeopend bij het oud papier, maar toch, het bestaan van een artist was pas compleet, zodra ze daar ambassadeur en columnist bij waren.
Enige bekwaamheid in het schriftelijke formuleren van heldere en voor derden interessante denkbeelden hadden de bekende Nederlanders in hun columns niet nodig. Pijnlijke analyses hoefden ze al helemaal niet te maken en grappig bedoelde vergelijkingen of terzijdes, het mocht gerust, maar daar bleken ze dan weer onbekwaam in. Hun columns bleven meestal steken in een tenenkrommende particuliere klaagzang onder een groot afgedrukte foto van hun weldoorvoede kop. Hun manager had trouwens hun persoonlijke column geschreven, want daar leefde die op zijn beurt dan weer ruim van.
Als er vanwege een onaangekondigde ramp buiten hun eigen hulpbehoevende territorium ineens een telefoonpanel nodig was voor een inzameling, dan kwamen ze ook zeer bekommerd allemaal opdraven. En géén column, riepen ze, terwijl ze elkaar een high five gaven. Mensen die van plan waren iets te schenken mochten opbellen en dan kregen ze zo’n bekende Nederlander aan de lijn. Er liep een speciale bekende presentator tussendoor die ze om de beurt een
veer in de bips stak dat ze op hun vrije avond hun hart zo onbekommerd lieten spreken. Tenzij het alleen voor de radio was, want daar keken te weinig mensen naar. Daar liepen alleen de ambassadeurs van het druipersfonds en de zweetvoetenkliniek voor warm.
De Knapjes doneerden sinds jaren alleen nog bij anonieme collectanten aan de deur. Vroegen ze niet eens naar hun identiteitsbewijs. Of ze gaven vijftig eurocent aan een zo te zien straatarme, lelijke, aftandse Oost-Europese bedelares op de brug, die met haar trekharmonica geen weg wist. Ik weet eerder met wie ze het doen dan dat ik weet welk goed doel erbij hoort, stelde Knap vast. En dan nog geen flauw idee hoe ze heten en waar ze in godsvredesnaam bekend van zijn geworden. Terwijl hij toch voor zover mogelijk al het nieuws tot zich nam.
De loterijen streden meedogenloos met elkaar om de hoofdprijzen, van zestig, zeventig, dan gaan wij voor tachtig miljoen euro. Want dat kwam dan in alle media: wéér een megajackpot gevallen in Bloemendaal. En die bekende Nederlanders er als ambassadeurs dan stralend bij alsof zij het uit hun eigen zak betaalden. De vraag naar de financiële consequenties werd zorgvuldig vermeden, heel de club, heel de straat, heel de vriendenkring jubelde mee als ze berooid, ziek en hongerend Afrika weer een poot hadden uitgedraaid, al die arme sloebers die niet eens geld hadden om een lotje aan te schaffen waarmee ze in één klap hun complete staatsschuld konden afkopen. Het gaf ze hier zo een warm gevoel.
Maar zodra de loterij er af was en de mensen voor hun goed fatsoen moesten geven, hoe weinig ook, elk dubbeltje telde mee bij gelegenheid van een ramp van omvang in
een doodarm land, dan werden de bordjes verhangen, dan vertelden de kritische deskundigen ineens de verhalen over de strijkstokken waar alles aan bleef hangen. Moslims schenen daar de laatste jaren nog erger in dan rooms-katholieken, die daar tot de jaren negentig het patent op hadden. Geen rijstkorrel kwam er meer op zijn plek terecht in zo'n land waar onlangs in de reisprogramma's en in de krantenbijlagen nog zoveel onbekommerde aandacht aan was besteed. Daar moest je zijn voor een puike vakantie, elke dag heerlijk warm eten en 's avonds laat voor omgerekend amper vijftig cent het gezelschap van de schitterdendste jonge meiden voor de happy ending.
Lücker wilde tevens geen columnisten omdat hij niet was geïnteresseerd ,,in slecht vertelde moppen, tweedehands waarnemingen, gejatte standpunten of gewoon een beetje slap onaneren in het open veld. Als ik in verwarring gebracht wil worden, dan koop ik een kaartje voor de achtbaan in De Efteling. Twee vliegen in één klap: daar moet ik ook nog langs natuurlijke weg van kotsen.”
De eindredacteur had afwachtend gezwegen. Er hoorde iets bij. Toen kwam vanzelf het hoge woord bij Lücker er uit: ,,Het zijn allemaal ruziezoekers, aanstellers, lastpakken, betweters en arrogante kwasten. Moet ik goddomme mijn beste vrienden in mijn eigen krant laten beledigen door zo een stuk ongeluk? Als zo een zogenaamde columnist bemerkt dat er één woordje geschrapt is, omdat zijn stukje er anders niet in had gepast, dan gaat 'ie meteen klagen bij een vriendje van 'm bij een andere krant, want die lui dat is allemaal één pot nat. En die gaat mij dan voor mijn kloten stampen. Die vrijheid van mij, dat is hier de democratie. Een soort van.”
,,Helder,” had Knap vastgesteld, het verstand volledig gefocust op de onderste regel van zijn loonstrookje. Het werd hem met de dag lastiger gemaakt om zijn hoofdredacteur ongelijk te geven en om zichzelf te schamen voor de gratis krant waar hij tegenwoordig zijn intellectuele arbeid voor moest verrichten. Het was jammer dat Lücker zo weinig geld over had voor de uitwerking van zijn eigen redactieformule. Met een evenwichtige toepassing, een zwaardere bureaubezetting, enige maatschappelijke betrokkenheid, een verbeterd netwerk van correspondenten en een politieke voorkeur waar op termijn kwalitatieve kanen uit te braden waren, moest het mogelijk zijn om van de Hollandsche Nieuwe Courant een dagblad te maken dat kon concurreren met alle inwoners van het sterfhuis van de moderne media.
Henri Knap had zich thuis een jonge borrel ingeschonken en zat voor de zekerheid het laatste journaal uit. Hij wist alles al. De late talkshow had hij om dezelfde reden laten schieten nadat hij op teletekst had gekeken wie er te gast waren. Dat overkwam hem steeds vaker. Volk dat 's morgens al in een paar kranten geïnterviewd was, mocht ter meerdere eer en glorie van de twee presentatoren van dienst z'n nummer nog een keer afdraaien.
Knap liep tegelijk teletekst af waar de echte kranten tegen deze tijd vaak hun opvallendste nieuwtjes, primeurs mochten het zelden genoemd worden, uit de editie van morgen probeerden te slijten. Allemaal gratis reclame. Op de radio werden dezelfde krantenberichten voorgelezen alsof het de Kerstboodschap van de paus was. Zulk handzaam samengevat nieuws scheelde Knap de volgende ochtend in elk geval een half uur lezen bij de vijanden.
De Hollandsche Nieuwe speelde in dat mediacircus van tegen middernacht geen rol want Lücker noch Knap kende iemand op de redacties bij radio en tv die ze konden tippen over zo'n verhaal als dat van Hiltermann. Knap deed liever ook geen poging: reclame maken doe je voor inlegkruisjes en tandpasta, niet voor kranten, meende hij uit de grond van zijn hart.
Henri Knap liet het weerbericht over zich heen komen en maakte daarna zijn dagelijkse laatste ronde met de afstandsbediening, alsof hij de hond uitliet. Vrouw Knap, die een boek las, keek zoals gewoonlijk een paar keer op met een gezicht van: hou daar eens mee op. Maar hij deed in alle opzichten als andere avonden en kwam vanzelf in de periferie van de commerciële zenders terecht. Zijn duim stokte bij een herhaling van 'Sta of ik schiet!' van Jan. J. Janssen jr.. Henri Knap schonk bij en ging er eens voor zitten. Net zijn soort van amusement laat op de avond: sketches voor twee heren in hun interlockje.
Hij herkende de befaamde advocaat Richard Rodgers met zijn zeldzaam glanzende kale hoofd, wiens naam de laatste jaren steeds vaker opdook in de media en die er nu instemmend bij zat te knikken terwijl Jan J. Janssen jr. recht in de camera keek en het woord voerde: ,,Deze liquidatie is, zoals ik vorig jaar al als eerste heb gemeld, een direct gevolg van een door ieder ander in de media veronachtzaamde ontwikkeling, namelijk die van de misdaad op weg naar cyberspace.”
Elke uitzending van Jan J. Janssen jr. ging eigenlijk over hem zelf, over al zijn kwaliteiten als boevenvanger en de onbeduidendheid van de rest van de wereld. Hij keek de de kijkers aan met een hoofd van: en als u niet oppast, dan
bent u de volgende. Het scheen trouwens dat er een categorie kijksters was, die daar een geheel eigen, opwindende vertaling aan gaf.
Zijn onderwerpen en zijn gasten waren als kapstokken en decorstukken, waar hij van alles aan ophing en die hij verplaatste al naar gelang het hem uitkwam. ,,De zware criminaliteit heeft, zoals u bij mij eerder al hebt gezien, de elektronische snelweg gevonden dankzij Bertus B., die onlangs, en zoals ik u en zijn wettige echtgenote als eerste heb kunnen melden, een natuurlijke dood is gestorven. En nu bent u aan de beurt,” wees hij naar Rodgers die beleefd had zitten wachten.
Die beaamde de lezing van Janssen. ,,Heer B. heeft deze ingewikkelde materie van de grond af mee opgebouwd, waardoor thans de bovenwereld alle moeite heeft om zijn netwerk te ontwarren, te ontsleutelen en de bewijzen te verzamelen. En niet alleen de bovenwereld, ook de mensen aan wie hij zijn diensten verleende. Hij heeft zijn computersysteem dertig jaar lang in zijn eentje bediend, onderhouden en vernieuwd. Het is, naar men mij heeft verzekerd, in een aantal gevallen zelfs niet meer te achterhalen wier vermogens ontraceerbaar zijn geraakt.”
,,Met opzet of per ongeluk. Maar zoals ik als eerste heb gemeld: doet dat er nog toe?”
Rodgers vervolgde zo onverstoorbaar mogelijk. ,,Wat mij het meeste bevreemdt is dat in onze rechtstaat,” Rodgers kromde twee vingers aan beide kanten van zijn hoofd om aan te geven dat hij het helemaal geen rechtstaat vond, ,,iemand als die Bertus B., met alle kennis die er bij het OM al berust, zo lang zijn gang heeft kunnen gaan. En als het zo makkelijk is dan moeten er veel meer van dit soort
gevallen zijn. Crimineel of niet, dat doet voor het principe niet ter zake, het zullen maar net jouw spaarcenten zijn, waar jij je leven lang elke dag voor hebt geploeterd. Ik hoop voor betrokkenen dat heer B. niet te veel langs Oost-Europese snelwegen heeft doorgesluisd.”
,,Want?” viel Janssen gretig in. Het was een van de vele stopwoorden waarmee zulke interviews op de tv aan de gang werden gehouden. Het gebeurde nooit in een uitgeschreven interview. Daar werden, hoe onbeholpen dikwijls ook, echte vragen gesteld. Televisie was vaak van: Dus? En? Maar? Want?
,,Als dit de stand van zaken is, dan staat ons heel wat bloedvergieten te wachten. Er zijn geen veren meer te plukken van een dode kip.”
,,Kale.”
,,Heb je het tegen mij?” Rodgers ogen schoten onverwacht vuur.
,,Kale kip, je zei dode kip.”
Rodgers zocht met tegenzin naar de draad van zijn verhaal. ,,Was ik gebleven? Bertus B. stond niet alleen in dit leven. En waarom heeft justitie niet eerder iets ondernomen? Daar ben ik benieuwd naar en anders mijn cliënten wel. En uw kijkers, naar ik vermoed. Helaas kan ik daar van mijn kant verder geen mededeling over doen. Althans, dat kan ik wel, maar dat ga ik hier nog niet doen. Een van mijn cliënten heeft het een en ander meegemaakt met een ernstig motorongeval...”
,,Dat wist ik allang. Ga verder.”
,,Eh, dat hem is overkomen. Hij bevindt zich in coma en de vooruitzichten, laat ik het maar zo simpel mogelijk zeggen, zijn uitermate belabberd.”
,,Hij is stervende, vat ik het zo goed samen? Of is 'ie al dood? Want dat zou ik dan als eerste hebben gemeld.”
,,Zijn oude moedertje klampt zich vast aan de dokters. Die zijn financieel afhankelijk van zulke langlopende klussen die buiten de verzorging weinig tijd en vakmanschap vergen, anders dan dat 's morgens de zuster even de pols voelt of er nog leven in zit. Ik kan u zeggen, uiterst belabberd is in dit geval een eufemisme. Ik heb weliswaar mijn medische kennis ook maar uit de encyclopedie, maar ik heb een gegrond vermoeden dat u de rol van mijn onschuldige cliënt nooit precies zult kennen.”
Janssen keek hem bevreemd aan. Zijn ogen schoten heen en weer, blijkbaar sloeg hij noodgedwongen een paar vragen van de autocue over. ,,Dan hebben wij nog, eh, de dader van de aanslag. Hoe zit het daar mee? Komt die er ongestraft vanaf, terwijl wij hier een Hollandse familie hebben die verdrietig in zak en as zit? Die hun zoon kwijtraken, het was wel niet de enige, maar elke zoon is er een, nietwaar?”
,,Kan ik niets over kwijt. Mijn cliënt is bij toeval betrokken geraakt bij deze kwestie. Ik heb hem nog niet gesproken, maar dit kan ik u verzekeren. U kent net als ik die films waarin een gevaarlijke gangster onverhoeds een auto binnen springt en de chauffeuse met getrokken pistool dwingt naar een zekere plek te rijden. Ik heb redenen om aan te nemen dat zoiets in onderhavig geval ook is gebeurd. Ten overvloede wijs ik er op dat een zeer ervaren motorrijder als mijn cliënt zelfs niet meer kon uitwijken voor een statisch element in het verkeer als een bellende tram. Dat duidt op grote stress. Stel u voor, het ene
moment was u nog een eerzame burger op de scooter nabij een stoplicht, wie weet onderweg naar uw lief of gewoon naar de Albert Heijn voor de dagelijkse boodschapjes, het volgende moment blaast u bijna uw laatste adem uit en wordt u in verband gebracht met een liquidatie even verderop en afgeschilderd als een gevaarlijke criminele handlanger van de dader, waarschijnlijk behorende tot de Hell's Angels, laat dat maar aan sommige van uw vakgenoten over. De media heer Janssen jr., die weet wat.”
,,Want zo is het gegaan?”
,,U zegt het.”
,,Als eerste.” Jan J. Janssen jr. glom van trots.
,,Dit alles zonder dat u daar zelf enige invloed op hebt kunnen uitoefenen. Dat kan ons allen overkomen, zeker voor zover gemotoriseerd en voldoende getatoeëerd en wie is dat tegenwoordig niet? Ik houd mij bij de harde feiten. Wat rest, zijn vermoedens in de pers. Mijn reactie daarop ga ik onder geen enkel beding met u delen, laat staan met uw vele miljoenen kijkers in het land, die ook op enig moment juridische bijstand van node kunnen hebben. Zo zit mijn vak in elkaar: professioneel, terughoudend, voorzichtig, principieel en eerlijkheid boven alles.”
Jan J. Janssen jr. draaide zich met een ruk, alsof hij in een kermisattractie zat, een kwartslag naar de kijker. ,,U hoort het. Malversaties door Bertus B., met gebruik van hetzelfde internet waar uw eigen kinderen elke dag urenlang op surfen en wie weet verleid worden tot deelname aan dit soort van malafide praktijken, zonder dat politie en justitie daar tot nu toe maar een flauw benul van hadden, zullen leiden tot nieuwe liquidaties in het land.”
,,Dat hebt u mij niet zo horen zeggen,” Rodgers die al half was opgestaan, reageerde als door een wesp gestoken.
Jan J. Janssen jr. maakte een spastisch sussend gebaar en vervolgde: ,,Zoals vaker bij zaken die ik behandel, moet de waarheid op een heel andere plaats gezocht worden dan bij de insteek van de overige media. Dat zullen wij blijven doen. Ook in een volgende uitzending van 'Sta of ik schiet!' En als u die volgende aflevering wilt zien, blijf dan maar liever staan.”
Terwijl hij zich na zijn vaste afscheidswoorden terugdraaide, de aftiteling begon en de muziek werd gestart, hoorden de kijkers Jan J. Janssen jr. nog net geïrriteerd zeggen: ,,Wat maak je me nou? Jij moet niet andere dingen vertellen dan wij hebben afgesproken, lul. Ik krijg hier verdomme last mee. Met mijn bronnen.”
Knap draaide zich grinnikend naar zijn vrouw: ,,Daar heeft de Hollandsche Nieuwe morgen een andere versie van.”
Zij zuchtte verongelijkt zonder op te kijken van haar boek. ,,Moet jij nu ook al meespelen in die toneelstukjes van de journalist van tegenwoordig als de ingebeelde speurneus, de onverbiddelijke politieman, de arrogante advocaat, de steile rechter, de blinde beul, de leerling-verslaggever en de slordige lezer, allemaal in één? Het zakt zo af, dat vak van jou. Henri, Ik ga slapen.”
Knap greep nog eens naar de jeneverkruik. Hij voelde zich betrapt. De verloedering van de pers, daar begon een journalist in familiekring ook maar beter niet over. Het onderwerp was door de beroepsgroep zelf al doorgeschoven naar discussieavonden met een overmaat aan stagiaires in de zaal en zelfingenomen strebers op het
podium achter een bordje met hun naam erop en liefst met hoofdredacteur er onder. In de uitnodigingen voor zulke bijeenkomsten werden de mediaproblemen samengevat in slome clichés zoals de problemen van de zogeheten personalisatie van de berichtgeving, het papegaaiengedrag van journalisten in het algemeen, het overschrijven door derden, het kritiekloos internetsites napraten en desnoods de vlucht in de hype, die voor elke inktkoelie als een reddingsboei pal naast het leeggelopen pierenbadje van zijn maatschappelijke inzichten en voorkeuren lag.
Ter vergadering werd daar nog zelden iets van vernomen. Als het over hun vak ging, hergroepeerden de journalistiek zich vanzelf tot één groot gelijkgestemd gesloten front van de meest gewetensvolle vaklui geketend aan de waarheid en niets dan hun waarheid. Een woord van kritiek zou de stemming op zo een avond behoorlijk bedorven hebben.
Knap had zich, nadat hij er bij zijn echte krant uitgeschopt was door de koningen van het journalistenpluche, een keer naar zo een bijeenkomst gesleept. Meer om er na afloop te netwerken, zoals hem van vakbondswege was geadviseerd, dan om mee te discussiëren. ,,Doe dat maar liever niet, je hebt al de naam gekregen van een dwarsligger te zijn.” Netwerken, dat kon hij niet. En bovendien bleek hem dat de koningin der aarde al een aardig eind op weg was om een heroïnehoertje te worden. Goedkoop, brutaal, snel, levend in een wolk van larmoyante verhalen en illusies, met volop achterstallig onderhoud op het eerste gezicht, en snel afrekenen want de volgende klant kwam er al aan.
Tegen half tien had hij zich niet kunnen inhouden toen de concentratie van economische belangen en het afscheid
van de journalistieke normen aan de orde was als een triviaal terzijde, aangewakkerd door gekanker over te weinig belastingaftrek voor de ZZP'er met een kantoor aan huis, althans een oud houten bureau op zolder.
,,Waar gáát dit over?” riep er iemand quasi hopeloos. Dat was dezelfde, al voor de derde keer die avond.
Knap had het niet meer gehouden. ,,Waarom begrijpt niemand van ons dat als wij niet oppassen de gratis televisie, de gratis radio, al die gratis kranten, plus het gratis internet samen de massieve inleiding zijn tot het einde van elke verantwoorde journalistiek? Zodra de economie weer last krijgt van enige tegenwind, hebben we de poppen eerst goed aan het dansen. Dan houden we geen krant meer over en geen journalist van boven de dertig. Dan zal blijken dat al die gratis media daar nog het minste last van hebben, die leven toch al jaren van de lucht, naar het schijnt. Gratis media mogen alles en moeten niets. Hun valt nooit iets te verwijten, die kunnen net zo goed stoppen met de nieuwsgaring als het te veel geld gaat kosten. Echte kranten moeten alles, dat is hun opdracht, dat kost een kapitaal. Als alles mag omdat niets meer moet, is het vak verdwenen.”
Hij had om zich heen gekeken. De aanwezigen hingen wel maar niet aan zijn lippen. ,,Wat er nu, zonder kritiek van binnenuit, allemaal journalistiek heet! Speculerende journalisten met nota bene een eigen fondsje, laten zich ten tijdje van een dipje op de beurs als quasi deskundigen door zogenaamde collega's in praatprogramma's op de tv bepotelen en als ze dan nog niet tevreden zijn mogen ze op de zogenaamde opiniepagina's hun gratis advertenties schrijven. Een kettingbotsing van doodzondes tegen het
vak. Dat is niet handelen met voorkennis, dat is handelen in voorkennis.”
Knap stond te zwaaien als de paus op z'n balkon met Pasen. ,,Sportjournalistiek was al erg, maar is gaandeweg de norm geworden. Dubbele petten, ingebakken public relations, pijnlijk hobbyisme, vriendendiensten, commerciële belangen, buitenechtelijke relaties, je kunt geen scheve schaats noemen of de journalistiek is erbij betrokken. Als een journalist openlijk lid is van een politieke partij worden zijn onafhankelijkheid en zijn integriteit in twijfel getrokken door publiek en collega's. Maar op volop andere terreinen, de sport voorop, economie er achteraan, maar ook film, theater, het weer, het eetgelul en noem maar op, is de verslaggever bijna per definitie tevens een betrokken amateur, een enthousiaste liefhebber, zeg maar gewoon een hartstochtelijke deelnemer.” Hij zocht verwoed naar een uitsmijter. ,,Daar had het hier over zullen gaan, tenminste, als ik de uitnodiging goed had begrepen.”
Hij had naar adem gehapt, maar vloog nog net verder voor de voorzitter kon ingrijpen. ,,Alle pijlers die onze samenleving structuur gaven en die de media hun raison d'être verschaften, als dat iemand nog wat zegt, zijn de afgelopen decennia gemarginaliseerd, afgebouwd, belachelijk gemaakt, in het beklaagdenbankje gezet en anderszins weggewerkt. De journalistiek heeft zich daarbij niet onbetuigd gelaten. Kerk, omroep, politieke partij, hun krant, hun verleden, zelfs hun eigen beroep, het kon zo goed niet zijn of het kon afgeschaft. Al eens vernomen van een diepgravend onderzoek naar de teloorgang van de beste kranten? Lag het aan de inhoud, lag het soms aan
de lezers, lag het aan de makers, lag het aan het nieuws, lag het – nu gaan we samen even lachen, lag het soms aan het formaat? Het lag overal aan, behalve aan de journalistiek.”
Hier sloeg hij op hol, gaf hij de volgende morgen voor de spiegel toe. ,,Nog iemand de laatste tijd gehoord over de op een haar na mislukte staatsgreep van de onroerend goed handelaren van 2002? Zitten die lui met al hun honderden miljoenen sindsdien op hun handen of hebben ze een andere weg naar de macht ontdekt? Ik lees het nergens. Alsof ze niet meer bestaan. Waarom ging het in al die periodieken van toen nooit over de bepalende, sturende en activerende rol van de journalistiek in die dagen? Waarom lazen wij nooit dat de hoofdfiguur precies wist wat die hoeren van de journalistiek wilden horen, zoals hij ze noemde waar zij zelf bij zaten? Wat doen ze nu, al die volstrekt onafhankelijke professoren in de media die bij het laatste hoofdstuk stonden te snotteren omdat ze deelnemers bleken aan een belachelijke opera in plaats van dat ze beroepsmatige waarnemers waren waar studenten en de media op konden vertrouwen? Die professor, die journalist, ze zitten er nog steeds. Huilen, dat doe je maar thuis, zei mijn eerste chef.”
,,En ouwehoeren ook,” had iemand achter in het zaaltje geroepen.
Knap moest zijn punt maken. ,,De moderne journalist rent achter de dagkoersen van de opiniepeilers aan, nog erger dan de backbenchers in Den Haag. Ze herkennen populisten van verre, ze willen reuring elke dag, altijd iets voor de voorpagina, eigen naam erboven, presto! Nergens is meer een baantje te vergeven, iedereen met een
contractje hangt er aan als de kerstman aan zijn rendieren. Wat maakt het onder zulke omstandigheden uit waar de informatie vandaan komt, de ene krant of de andere, teletekst of internet? Wat maakt kwaliteit nog uit? In zulke woestenij zonder zelfbewustzijn zoekt de lezer vanzelf naar de goedkoopste krant, ongeacht de zogenaamde redactie die 'm volschrijft? Elke burger die onder de reclame gauw naar een gratis pagina teletekst kijkt noemt zichzelf al een welingelichte kring. Wij hebben gekregen wat de journalistiek het afgelopen decennium heeft gezaaid.” Zweetdruppels op zijn voorhoofd, bonkend hart. Ach, in het harnas te mogen sterven.
Maar geen enkele reactie, geen applaus, geen gemor. Hij dacht dat hij iemand te hard iets over ,,dat ouwe lijk” hoorde zeggen.
De voorzitter greep in: ,,Klaar? Nog iemand iets? Mooi, dan gaan we deze avond geheel in de stijl van onze gewaardeerde collega Knap afsluiten. Op naar de bar! Eens zien of het ons heden nog lukt in dezelfde nevelen terecht te komen.”
Henri Knap had zijn jas gegrepen en was vertrokken zonder te groeten. Het democratisch belang van de pers werd in de praktijk ontkend, de maatschappelijke functie werd uitgekleed, de samenleving werd met de bolhamer verpulverd. En daar stond de hele beroepsgroep met een zelfverzekerde glimlach bij te kijken.
Ooit werden de kranten uiterlijk en inhoudelijk met opzet tijdloos herkenbaar en betrouwbaar gehouden: nog dezelfde broodletter als bij de oprichting, nog dezelfde naam en opmaak, gelijke volgorde elke dag, het weerbericht rechts boven in het kort. Daar hechtte de
abonnee aan, hij rook goedkeurend aan het papier waar hij vuile vingers van kreeg, daar hield hij bijna van als van zijn eigen kinderen, daar greep hij 's morgens als eerste naar en dan wist hij weer wie hij zelf was. Zulke lezers vonden hun krant een instituut dat hun mening onderbouwde, bevestigde, verdiepte en van nieuwe inzichten voorzag. Ze hoorden bij elkaar tot de dood hun zou scheiden. Of een bankroet.
De krant, dat was niet een of andere kwajongen die zijn ongelijk door de brievenbus brulde, of opzij ging voor de eerste de beste malloot die ze nu weer hadden toegelaten tot de zogenaamde opiniepagina's. Kranten waren een belangrijk bestanddeel van de identiteit van de lezers: een burcht van vertrouwen. Ooit.
Knap herinnerde zich nog dat hij soms bijna ontroerd was geweest als hij 's morgens in de tram mensen zijn echte krant zag lezen, ze instemmend zag knikken of verontwaardigd een punt maken bij een medepassagier. Helemaal als het precies het soort bleek te zijn waar hij voor wilde werken. Serieuze lui, zo te zien, weldenkende, fatsoenlijke mensen, die de conducteur groetten en opstonden voor oudere dames. Heren met een hoed, die wisten wanneer en hoe zij die moesten afnemen. Gek, vrouwen in de tram lazen nooit een krant.
De laatste jaren verkeerden de echte kranten doorlopend in staat van verwarde verbouwing. De ene dag juichte de hoofdredacteur over zijn nieuwe kleurenbijlage, komt dat zien, komt dat zien, maar dan was die ineens weer weg, die bijlage of die hoofdredacteur. Dan weer was hij met het formaat aan het fröbelen geslagen en dan weer niet want dan had hij papadag. Dan ging de zaterdagkrant op de
schop en dan was het voor even weer mooi geweest. Doch dan moest de voorpagina opgeschoond worden tot maximaal twee lauwe berichten, en een kleintje erbij dat eigenlijk een aankondiging bleek van een ernstig overschat stukje binnenin, met een grote foto in het midden, plus het columnpje als inhoudelijk niet te meten grootheid dat belangwekkend nieuws gerust in de weg mocht staan. En dan weer niet. Dan moest de bijlage kunst en cultuur voortaan op tabloidformaat, want dat vonden de lezers in de bus zo handig, was gebleken uit onderzoek. En dan vonden ze dat de volgende dag desgevraagd weer niet. De krant oogde steeds vaker als een wanhopig achterhoedegevecht van amateurs, die geen idee hadden, maar wel een vaste aanstelling, een mooi salaris, een rol papier, een vakopleiding en de onvoorwaardelijke steun van hun zwakste redacteuren.
Knap moest altijd hardop grinniken als hij las hoe ze de directie van Shell op hun donder gaven als de aandelen zakten, maar niet eens in de gaten hadden hoe hun eigen tent rampzalig en in hoog tempo op alle onderdelen achteruitkachelde door toedoen van een bedrijfsleiding die alleen probeerde er nog zoveel mogelijk geld voor zichzelf uit te persen. De rest lieten ze over aan het laatste journaille dat vaak een belediging was voor wat ooit een vak heette waar je vroeg aan dood ging. Of dan bleek achteraf dat die van de ondernemingsraad precies hadden geweten hoe de vork in de steel zat qua lamentabele bedrijfsvoering, maar dat mocht dan weer niet in de krant worden gezet. Gek op lekken, alleen thans even niet. Als goochelaars probeerden ze alle ballen in de lucht te houden, die van hun bedrijf als economische eenheid, die
van hun krant als verdwijnend cultuurgoed, die van hun onderwerp als maatschappelijk belang, die van hun oude kameraadjes van de journalistenmulo als zekerheidje en die van hun baan want er moest thuis brood op de plank zijn. Geen enkel circus wilde zulke lui hebben. De ballen vlogen alle kanten op.
De gratis kranten hadden in een paar jaar tijd een substantieel deel van de oorspronkelijke krantenlezers opgevreeën, ingepalmd en weggelokt. Zo moeilijk was het niet om mensen wijs te maken dat alle kranten ook maar bedrukt papier waren, net als de zakken met drop. Daar deden de echte kranten zelfs aan mee. Veel eerder dan alom verwacht, zeker in een hoog ontwikkelde cultuur als de Nederlandse, waren de gratis kranten economisch ernstig te nemen concurrenten geworden - niet kwalitatief maar kwantitatief. Zelfs verstandige mensen grepen ernaar omdat ze teleurgesteld waren in hun oude huisvriend. Met zo'n gratis blad wisten ze tenminste waar ze aan toe waren. Weglopers kozen altijd de meest directe tegenstander, zoals kerkgangers die het oneens werden met hun eigen dominee ook doorschoten naar het andere uiterste van god noch gebod, of de islam. Liever helemaal geen geloof of een rare therapie dan het verkeerde geloof. Dan wist je tenminste waar je aan toe was.
De gratis kranten haalden elke dag stilzwijgend hun lezers binnen. Alleen niet te veel tegelijk, om de oude media niet alarmerend snel over de kling te jagen. Nooit een opmerkelijke commercial op de tv, geen bombarie in de tramhokjes en zelden een grootse primeur. Zelfs geen cadeautje op zaterdag, oude meuk en dunne boekjes, en of de abonnees de nummers 2 tot en met 85 uit de reeks zelf
wilden kopen? Alsof ze alleen maar in de trein bestonden voor de nog half slapende passagiers. Zo kon het ook maar beter lijken, anders zou het de politiek beginnen te dagen hoe laat het was. Dan waren ze voorlopig weer iets verder van huis, dan kwamen er discussies in talkshows op de tv over de echte kranten, elke politicus had er nog een rondgebracht, tranen met tuiten, onmacht, reddingsoperaties en subsidieregels. Dus groeien, met mate doch gestaag. En niet voor één doelgroep, maar gewoon verspreid over alle niveaus: boodschappers, buitenlanders en buitenlui, bejaarden, boeren en alle andere burgers.
De beste verdediging voor de echte kranten, hun eigen Maginotlinie, konden ze niet meer graven: zelf gratis worden. Het was natuurlijk wel mogelijk, kon elke hoofdredacteur met twinkelende ogen demonstratief voorrekenen bij een powerpointpresentatie die zijn secretaresse had ingericht en bediende. Hij had de informatie van zijn manager die het weer van de raad van commissarissen van de holding opgedragen had gekregen. Als de krant gratis werd gemaakt, dan moesten er om te beginnen dertig man uit. Dertig? Dertig! Op zijn minst! En met het oog op het rendement volgend jaar nog een keer zoveel. Dan begon het die sufferds op de redactie wel te dagen waar het over ging bij een moderne krant.
Elke verbetering, elke aansprekende vernieuwing, elke merkbare kwaliteitsimpuls, elke verandering aan de website kostte om te beginnen banen. Wie tegensputterde of met een alternatief kwam, werd er meteen van beschuldigd het voortbestaan van de krant te bedreigen. Dat werd door de hoofdredacteur aan de overige collega's
doorgegeven, dat ze maar wisten wie hun hypotheek in gevaar bracht. Dan stemden ze wel voor de juiste persoon op de juiste plaats op de volgende redactievergadering. Zo waren alom de ijdeltuiten, uitvreters en meelopers aan het roer gekomen. Nergens meer iemand vanwege zijn gevreesde journalistieke kwaliteiten, zijn opinies en zijn visie.
Gratis echte kranten? Het idee! Het was de laatste decennia al volstrekt onmogelijk gebleken om ze zelfs maar even duur te houden in weerwil van alle nieuwe, zogenaamd besparende technieken, waar eerst weer grote bezuinigingen voor nodig waren geweest, die weer volop redacteuren hun baan had gekost. Niemand had een idee waar het geld bleef, tot ze hoorden van de jongste bonussen.
Zelfs op het onderdeel waar de hele markteconomie op draaide, de concurrentie, waren ze te arm om een vorm van onderlinge strijd aan te gaan. Het kon wel, kwaliteit als belangrijkste onderscheid, maar dan werd het hele zaakje nog veel duurder. Steeds vaker adverteerden energieleveranciers, winkelketens en automerken rechtstreeks tegen hun met naam en toenaam genoemde concurrenten. Maar de dagbladen bleven suf doen alsof ze alleen op de kiosk waren.
De ene na de andere verhoging van het abonnementsgeld werd gedekt door jubelende aankondigingen over meer kleur in de sportbijlage. Nu ging de kunst naar de woensdag, reizen alleen nog eens in de veertien dagen en de culturele agenda verscheen in afwachting van een nieuwe regering alleen op de eerste zaterdag van elk oneven jaar. Wat ze aten moesten de lezers voortaan zelf
bedenken, maar de oliebollentest, die bleef, geen zorg! Alles op verzoek van de daartoe per opinieonderzoek geconsulteerde uitermate tevreden lezers. Ze gaven de krant allemaal een schoolcijfer 7, ook de 10.000 die afgelopen kwartaal weggelopen waren.
Knap maakte een zelfverzonnen dierengeluid. Onder dekking van zo een zogenaamde bezuiniging was hij er bij zijn eigen echte krant uit gekinkeld: altijd prijs. Toen hij onraad had geroken en advies was gaan vragen, hadden ze bij de vakbond niet eens hoeven raden: ,,Zeker wat al te kritisch over de hoofdredacteur geweest of over z'n vriendin? Bezuinigingen worden overal in het bedrijfsleven gebruikt als dekmantel voor persoonlijke afrekeningen en andere louche praktijken. Pas daarna volgen de massaontslagen. Jij denkt toch niet dat jij de eerste bent die over zulke lui komt klagen? Een hoofdredacteur weet nooit meer wie er indertijd allemaal voor zijn benoeming hebben gestemd, maar je kunt hem midden in de nacht wakker maken en dan weet hij nog precies op te noemen wie er tegen hem waren.”
Het woord fascisten was een paar keer vanzelf gevallen. ,,Ik zeg het maar, dan hoef jij dat niet te doen,” gaf de vakbondsman aan. ,,En ik zou het zeker nooit bij jou op de redactie zelfs maar fluisteren, want dan vlieg je er op staande voet uit. Begrijp je waarom je nooit een verhaal aantreft over jouw soort van ontslagen in hun branche, maar wel als het over andere bedrijven gaat? Die krant van hun, die interesseert ze in wezen geen moer, hun identiteit kennen ze niet, idealen hebben ze nooit gehad. Ze hebben het over hun eigen inkomen en niets anders. Ze halen hun bedrijfscultuur uit een handboek van zo een
Amerikaanse antisociale economische goeroe. Zorg dat het beoogde slachtoffer geïrriteerd raakt, laat wat collega's onder een borrel fluisteren dat hij gefrustreerd is. Dat schrikt af. Dat scheelt medestanders. En dan ga je over op dingetjes die je nooit als opzet en kwade wil kunt bewijzen. Zeuren over een onkostennota, per ongeluk uit de adressenlijst gooien, vergeten uit te nodigen voor vergaderingen, de telefoon werd niet opgenomen. Dan wordt het slachtoffer om steeds minder steeds bozer. Zit het mee en dreigt hij eindelijk met geweld, dan heb je zo iemand er bij de rechter nog dezelfde dag en op zijn goedkoopst uit.”
Knaps adviseur had even moeten uithijgen. ,,Klootzakken en verraders. Bewaar je honkbalknuppel voor als je er weg bent. Maar houdt 'm daarna voor altijd paraat.”
Knap was meer dan dertig jaar lid van de vakbond. Hij had er elke maand meer aan betaald dan hij aan de bakker kwijt was geweest. Maar het was uiteindelijk de moeite waard. ,,Meer kunnen we niet voor je doen. Hebben ze je al het nederigste baantje op de redactie aangeboden? Dat komt dan nog. Wees bereid. Het soort kent geen scrupules, het heeft de positie, de macht, de vrienden, het geld en de dekking van een directie en een bestuur waar ze alles goed vinden. Die kennen de hoofdredacteur als de geplaagde leider, die helaas de onaangenaamste beslissingen moet nemen. Iemand moet jou eruit gooien. En vertrouw niet op collega's. In de journalistiek bestaan geen vrienden meer.”
Knap had het hoofd gebogen. Hij wilde de oprichters van zijn krant, die in hun aanvankelijke strijd veelal het leven hadden gelaten, niet nog eens meesleuren in een gevecht dat er even goed een op leven en een gegarandeerd
smerige dood was. Zijn oude hoofdredacteur had het eerder in het kader van de dodenherdenking al eens openlijk verordonneerd: dat verzetsverleden, daar moesten wij onderhand maar eens een streep onder zetten. De moderne journalist ten voeten uit. Eindelijk had hij eens iets in eigen beheer bedacht: dat verzet kon een halve eeuw later toch niet nog steeds de put zijn waar uit gedronken werd? Hij had het in elk geval nooit gedaan. Tien minuten later kwam een bevriende collega panisch de redactie op gerend: de hoofdredacteur had zich helemaal vergist, zoiets zou hij nooit zeggen, druk en even de weg kwijt. Dus, hier zweeg hij even en keek priemend om zich heen om op te nemen voor wie dit bij nacht en nevel nog consequenties kon hebben: dus dat is nooit gezegd, ja!?
Liep hij nou met een honkbalknuppel rond of had hij een slordig eind hout in z'n handen? Knap schoot wakker uit de zoveelste herhaling van een droom. Wat een leven voor zo een hoofdredacteur, dacht hij somber, want hij wist dat hij niet de enige was die met het voornemen rondliep hem de hersens in te slaan.
,,Ik had liever dat je het morgen eindelijk eens deed,” knorde vrouw Knap naast hem.
Het werd licht. Henri Knap was de halve nacht wakker blijven liggen met z'n voornemens die steeds meer vorm kregen. Zo een keurige vent om aan te zien en dan toch de hele nacht doende met een bloedbad.
Zijn dromen werden uiteraard mede gevoed en in stand gehouden door zijn nieuwe baan. Hij voelde zich als een herintredende vegetariër, die op de afdeling fijne vleeswaren te werk was gesteld. Knap had nog net het begin moeten meemaken van de desolate fase waarbij de echte kranten achter de gratis vodden aan slopen met een gezicht alsof zij het niet waren, heer. Een genante vertoning. In plaats van zich sterker te profileren op hun onaantastbare en peperdure terreinen van kwaliteit, commentaar, opinie, politieke richting, historisch besef, cultuur, beschaafde roddel en kunstpagina's met veel dansende blote vrouwen, begonnen ze hun abonnees wijs te maken dat die met een beetje goede wil ook binnen tien minuten door hun eigen dagelijkse krant heen konden zijn.
Doen wij het voortaan op halve pagina's, maken we de stukken korter, knippen wij de lange artikelen speciaal voor uw gerief in tweeën, lijkt het alleen alsof er toch nog behoorlijk wat werk aan de winkel is geweest. U vraagt er zelf om, hebben wij gemerkt aan onze opiniepeilingen. Koopt ons tabloid. Iets duurder, niet gek veel dunner, elke pagina een verzoeknummertje en u kunt de helft overslaan, gegarandeerd niet moeilijk, en toch beter! Win-win!
Alsof er tijdens het lezen van de krant geen tel meer nagedacht hoefde te worden, alsof er geen lastige woorden in voorkwamen, laat staan dat het soms ging over een land waar de lezers nog nooit met de grote vakantie waren geweest. Was er een frietkot in Brasschaat afgebrand, stond er meteen een kaartje van België bij met de pijl naar plaats van handeling, bleek Charleroi te zijn, plus een grote gekleurde grafiek van het frietverbruik per hoofd van de bevolking in alle landen van de Europese Unie.
Afgezien van het prijsverschil was het belangrijkste onderscheid dat de ene krant gratis op het station af te halen was en de ander 's morgens vóór zeven uur werd bezorgd. Een schitterend service die de gratis concurrent mankeerde. Maar daar werd over gezwegen, want de moderne tijd ging over internet, niet over paard en wagen of fiets en fietstas. De abonnee gaf het joch met Nieuwjaar vijf euro fooi, lag de krant weer een jaar lang elke morgen om half zeven in de bus. Zulke vooroorlogse handel was dat nog.
Als de benzine op een ochtend gratis uit de pomp kwam gestroomd, zou heel het land aanvankelijk één dolle juichkreet zijn. Tot een enkeling bij zinnen kwam en
argwanend naar de ANWB belde, hoe dat in vredesnaam mogelijk was zonder de voorspelde kernoorlog? Heel uitgeslapen mensen vroegen of het alleen voor leden was of voor iedereen? Verwarring alom. Maar gratis kranten op de hoek van elke straat, met al het nieuws waar elders honderden euro's per jaar voor moesten worden betaald? Die konden alleen maar rechtstreeks uit de hemel komen vallen net zoals het Zweeds wittebrood aan het einde van de oorlog, dat gewoon met de stoomboot was gekomen, maar op een of andere manier was dat ook zo een mooi verhaal dat nooit helemaal kapot gecheckt werd. Zo zag de krantenmarkt er ook uit, als een nooit goed, desnoods kapot gecheckt verhaal.
Knap krabde zijn kin glad, poetste zijn tanden, nam een douche en vertrok voor zijn ochtendtocht. Alles steeds in dezelfde volgorde.
,,Uitverkocht is niet het goede woord, schat,” zei de vrouw die de kassadienst aan de pomp had en precies aanvoelde dat Knap er zo een was die niet met schat aangesproken wenste te worden. ,,Op is op, ze zijn gratis, dan is het al gauw weg. Maar je mag gerust een ander merk kopen, hoor.” Zij wees op het rek met de kleurrijke bladen voor wie in de file iets anders te bekijken wilde hebben dan de stickers achter op zijn voorganger.
Knap voelde zich als een zwerver die een gevonden bierflesje kwam inleveren voor het statiegeld. Voor de vorm zou hij het kassakoopje kunnen meenemen, deze week een voordeelpakket condooms XL. Of een zak haardhout, een twaalfdelig glasservies of iets anders waar de gemiddelde automobilist op stel en sprong midden op de A2 om verlegen kon komen te zitten. Maar hij had niet
eens een open haard. Hij had zijn portemonnee niet eens bij zich gestoken. Trouwens, dacht hij, XL?
,,Schat, voor jouw soort gaan wij speciaal vroeg open.”
De vrouw in haar kogelvrije vesting met uitzicht op de vier pompen, verlegde haar aandacht naar de tv die boven het raam hing en die een tekenfilm vertoonde in plaats van het beeld van de beveiligingscamera's. Zij had zo te zien een hele korte nachtrust gehad en weinig tijd aan het opkalefateren kunnen besteden. Of misschien was het verloren moeite, dacht hij wraakzuchtig.
,,Was je toch maar geen krant gaan halen?” vroeg vrouw Knap meelevend toen zij na een half uur terug kwam van haar ochtendritueel op de badkamer, want zij nam het hele zaakje duchtig onder handen.
,,Ik geloof niet dat ze bij de pomp erg gehecht zijn aan de Hollandsche Nieuwe. Maar even goed, alle exemplaren waren weg.” Hij was zelf ook eerder nieuwsgierig naar dan gehecht aan zijn nieuwe krant.
,,Misschien moet je voortaan meteen langs de bakker gaan. Dan weet je zeker dat je nuttig bezig bent.”
Knap haalde zijn schouders op. Geen idee wat hij na zo een sarcastisch bedoelde tip moest zeggen. Bovendien, zij wist dat hij al eens uit eigenbelang met Lücker had meegedacht over het cruciale element van de dagelijkse bezorging aan huis. Hij was toen ook bij een centrale functie voor de warme bakker uitgekomen.
Het was ondoenlijk voor Lücker om een leger van krantenjongens per bezorgd nummer een vergoeding te geven zoals de echte kranten deden. Gratis krantenjongens, dat was dan weer een fenomeen dat alleen bestond bij het Leger des Heils. Volgens onderzoek
dat Holdert had aangeleverd, zaten elke dag zeker vijf miljoen potentiële klanten tevergeefs op de Hollandsche Nieuwe te wachten. Ze zouden makkelijk uitkomen op tien pagina's advertenties, per dag, reken maar uit. Lücker had dat later op de middag nagerekend, maar ook toen was de opbrengst bij lange na niet hoog genoeg om zo een legertje te kunnen bekostigen. Hij kon ook al geen beroep doen op de krasse vrijwilligers van tachtig jaar en ouder waar sommige kranten op het platteland over beschikten en die soms zelf prominent in de krant stonden als ze van een exemplaar beroofd waren, of als ze honderd werden. Dan bleken zij qua levenshouding onveranderlijk gesneden uit het hout waar ze vroeger echte journalisten van maakten: elke dag een eigen mening en een portie tabak en jenever.
Gratis kranten, hij kon er zoveel van laten drukken als hij wilde maar hij kon er slechts een fractie van zijn lezers mee bedienen. Lückers omzet bleef afhankelijk van het toeval. Of de potentiële lezers langs zijn kisten kwamen, of de doelgroep niet met een lichte verkoudheid thuis was gebleven, of ze voortaan gingen carpoolen met iemand die op een echte krant geabonneerd was, maar een pratende passagier naast zich wilde om bij hem het gelijk te halen dat hij 's ochtends van zijn eigen vrouw nooit kreeg.
Knap had in een te vrolijke bui eens voorgesteld om de bezorgers van de Hollandsche Nieuwe tegelijk met brood langs de huizen te sturen, zoals vroeger de bakker dagelijks aan de deur kwam, maar nu met verse croissants, lauwe kadetjes, warme saucijzenbroodjes, bagels met zoetigheid, banketletters tegen Sinterklaas en sponsachtig casinobrood, want dat verkocht per kilo. Spul
dat Lücker dan in zijn eigen broodfabrieken, verdeeld over het hele land, moest laten bakken. ,,En in elke straat twee keer blazen op de toeter, zodat iedereen hoort: ha, de Hollandsche Nieuwe is er weer.”
Lücker had twee duimen opgestoken. ,,Volstrekt onuitvoerbaar! Maar je begint het te leren.”
Henri Knap was meer dan de helft van zijn werkzame leven een grote en principiële tegenstander geweest van een directeur die zich met de inhoud van de krant bemoeide, en omgekeerd, van eigenwijze redacteuren die zeiden precies te weten hoe het moest met de bedrijfsvoering. Redactie en directie dienden gescheiden te zijn door een hoge muur met prikkeldraad met 220 volt bovenop, waar de baas van het dagblad eens per maand nog net de loonzakjes ongeschonden overheen kon werpen. ,,Hier!” mocht hij dan tegen zijn redacteuren roepen, maar meer ook niet.
Ook op dat punt verkruimelde de journalistiek van binnenuit. Steeds meer reporters begrepen niets van de noodzaak van een harde scheiding tussen onafhankelijke journalistiek en alle vormen van handel en beïnvloeding. Die van de televisie mochten toch ook, zeiden die van de schrijvende pers dan. En inderdaad, de publieke omroep was de hoer van het bedrijfsleven geworden. Er kon geen aftrap voor een voetbalwedstrijd verricht worden of de kijkers kregen eerst te horen welke middenstander dit nu weer mogelijk had gemaakt. Terwijl er voor miljoenen aan belastinggeld heen ging. Maar journalisten merkten nooit iets van commerciële druk. Ze pakten op de eerste persconferentie van de dag het gratis nieuwste mobieltje aan om thuis te testen, ze prikten bij de tweede een vorkje
gerookte zalm mee, glaasje champagne erbij, terwijl ze van de mooie meid met de ruime inkijk de kopietjes hadden aangenomen met de toespraken van de directeuren, zodat ze daar niet op hoefden te wachten. Konden ze op tijd aanwezig zijn in het pretpark honderd kilometer verderop waar ze met het hele gezin gratis in de achtbaan zouden mogen in het kader van de presentatie van een nieuwe soepvariant. Nee, commerciële druk, daar hadden ze nog nooit iets van gemerkt. Elk waande zich een standbeeld voor de persvrijheid. Niemand wilde zien dat de sjoemelaars voor wie alleen het economische effect van hun inspanningen telde, zich in de hele bedrijfstak allang naar het front hadden gevochten. En dan moesten ze ook nog drie stukjes schrijven over zo'n welbestede dag.
Onafhankelijkheid en objectiviteit in gebondenheid waren legendarische begrippen geweest onder journalisten, maar ze waren inmiddels gekraakt bij gebrek aan een maatschappelijk of politiek engagement dat langer dan een dag houdbaar was. Een verschijnsel als de politica Dresselhuijs, dat vroeger achter een afkorting een zeer kortstondig, marginaal en belachelijk politiek leven leidde waar de pers zich opzichtig vrolijk over maakte, dat kon tegenwoordig met volop kritiekloze publiciteit desnoods doorstomen naar regeringsverantwoordelijkheid op basis van een programma dat op zijn best een massieve versierpoging van onnozele halzen mocht worden genoemd. De media gaven het toch wel door.
,,Geen mening is tegenwoordig de belangrijkste mening. En dan nog volhouden dat het een intellectueel beroep is.” Knap grinnikte om zijn eigen gelijk.
,,Jij zou, voor alles wat ik jou elke maand betaal,
onderhand wel eens iets mogen verzinnen waar ik mee uit de voeten kan.” Lücker keek hem superieur aan. ,,Hoe dacht jij dat ik vroeger mijn keukens verkocht? Met die tv-spotjes? Sodemieter op. Dat was aardigheid voor dat reclametuig. Was ik van hun gezeur af. Liet ik ze op mijn aftrekbare kosten een dagje Steven Spielberg spelen langs de openbare weg. Vonden de vriendinnetjes en de oude moeder leuk. Goede catering. Spotje van likmevestje. Daar win je allicht een prijsje mee, want die geven zij in de reclame per gros aan elkaar. En ik hield er enige naamsbekendheid en een fractie merkvertrouwen aan over. Nauwelijks in verhouding tot wat ik ervoor betaald had, maar voor de lieve vrede. Na dertig seconden ben je weg, staat de concurrent om aandacht te blèren en slechte grappen na te doen.” Lücker grinnikte om zijn gelijk.
,,Echt verkopen, Knap, dat gaat heel anders: dat is de folder in de bus. Ouderwets drukwerk. Dat kunnen de mensen op hun gemak bekijken, liefst op naam gesteld. Net zoals bij de loterij: 'Hartelijk Gefeliciteerd Met Uw Gewonnen Surfplank Wed. E. de Jager-Brons!' Persoonlijke post, die stuurde ik dertig jaar terug al rond. Natuurlijk, de meesten gooiden die dure prachtfolder van mij en de rest van de zwik ongezien weg. Risico van 't vak. Doch één procent sloeg aan. Die keken waar het over ging. Die zaten ergens om verlegen. Die kwamen dan voor een leertje als de kraan lekte. En ik had verkopers in dienst, dat ze weggingen met een bijpassende keuken. Die brug, die wil ik met mijn krant ook slaan. Daar gaat het allemaal over, daar heb ik jou voor nodig.”
Lücker wenkte zijn chef redacteur nabij voor het grote geheim. ,,Weet jij wanneer het bij mij op de zaak helemaal
feest was? Als ik twintig regeltjes had gekregen in zo een zaterdagse hutseflutsbijlage. Had ik zo een hoofdredacteur tegelijk een nieuw messenrekje uit China toegestuurd, bingo! Kwam mijn exclusieve afdruiprek direct na de coverstory over de nieuwe hond van de president van de Verenigde Staten. Uiteraard was het een pagina verderop dan alweer uit eten voor mensen die gek zijn op een hoofdgerecht waar je niet voor hoeft te kunnen koken maar wel de afdeling kleien van de academie voor beeldende kunst met goed gevolg moet hebben doorlopen. Maar daar stonden ze toch maar mooi, mijn twintig dierbare regels, rechtstreeks overgeschreven uit mijn prachtfolder, inclusief de zetfout en met dezelfde foto van de fabriek erbij. Journalistiek van het allerhoogste niveau! Dan racete ik meteen naar de zaak. Als ik tegen mijn klanten zei dat ze zoiets moesten kopen, haalden ze hun schouders op, maar als die van de krant het zeiden… Stonden ze op de stoep al te wachten. Je moet bij de mensen binnen zijn. Knap, dat hoef ik jou niet te vertellen. Dat is jouw vak, je hele leven lang al. Toch?”
Zijn redactiechef voelde een steek nabij zijn hart. ,,Het blijft verdacht, dat geen enkele gratis krant serieus werk van de bezorging heeft gemaakt. Alsof het ze niets interesseert. Volop vage expansieplannen en klagen over de belemmeringen van de vakbonden en de overheid. Maar heb jij er al eens een ongevraagd in de brievenbus gekregen?”
Lücker haalde mismoedig zijn schouders op. ,,En dan zeker met de post? Mijn oude vader,” hij zweeg een moment bedremmeld alsof hij zo maar kon gaan huilen, ,,is zijn leven lang postbode geweest.”
Knap keek hem verbaasd aan. ,,De posterijen, dat is net zo een hilarisch vakbondsverhaal als de Engelse stoker op de elektrische trein. Een langgerekt en kansloos achterhoedegevecht. De post is een rudimentair overblijfsel van de vorige eeuw. En het zijn niet alleen internet en de mobiele telefoon die de tent om zeep hebben geholpen. De posterijen zijn net kranten. Die hebben zichzelf de doodsteek toegediend door hun diensten steeds verder te beperken, alles te automatiseren en hun kantoren op te heffen, lang voor iedereen alles alleen nog twitterde. Vroeger was de lokettist op het postkantoor een soort buurtcoach die hielp met het invullen van de meest persoonlijke financiële bescheiden. Ze raakten hun monopolie kwijt en sindsdien rijden ze stevig concurrerend overdag rond met postpakketten in de wetenschap dat op meer dan de helft van de adressen niemand thuis is.”
Knap knikte triomfantelijk bij zoveel gelijk. ,,Als jij tegenwoordig een postzegel nodig hebt, dan moet jij een half uur fietsen naar het dichtstbijzijnde bijkantoor. Daar blijkt dan dat je alleen een velletje van tien kunt kopen, waar de prijs niet eens meer op staat maar een cijfer dat je moet opzoeken op een tabel om te weten of je voldoende port plakt. Een week later zijn de tarieven en de tabellen veranderd, moet jij weer terug voor zo’n nieuw foldertje. Tegenwoordig roepen ze in de reclame dat ze zo aardig en attent zijn. De postbode? Gaat heen! Je vrouw, die moet aardig en attent zijn.”
Hij aarzelde een moment. ,,Even eerlijk, Lücker, hoe vaak per jaar kom jij op een postkantoor en waarvoor in vredesnaam? De dagelijkse post aan huis bestaat nog uit de verplichte administratieve soesa van de
ziektekostenverzekering, iets van de belastingen, en iets van de bank, dat zij ook weer iets hebben afgeschaft waar jij toevallig wel gebruik van maakte. Alles met tegenzin verzonden en met afkeer opengemaakt. Een oud wijf, dat is alles wat er over is van Tante Pos.”
Hoewel Knap zijn hoofdredacteur rood zag aanlopen, besloot hij dit punt toch maar even helemaal af te maken. ,,Al die commerciële postbodes, dat wordt ook nooit wat. Die missen de urgentie van het rouwbeklag, dat de echte post uit gratuit mededogen en in tegenstelling tot alle andere spoedeisende brieven, op tijd wil bezorgen. Wat wij hun gewone werk noemen, vinden zij een speciale service van de zaak. Terwijl, gáán doen we allemaal een keer. Begrijp je waarom zij het ook niet redden? De dreigbrief gaat ondertussen al per computer. Heb je ook geen vingerafdrukken of slijmresten voor het DNA.”
Lücker schudde verslagen zijn hoofd.
Zijn redactiechef denderde voort. ,,Die hele vrije markt waar jij het met je krant van zou moeten hebben, die helpt zichzelf even hard om zeep als ooit z'n grootste vijand: het communisme. Die markt moet namelijk net zo hard kunstmatig gevrijwaard worden van zijn eigen hoofdprijs: het monopolie. Als jij als lokaal postbedrijf te Stampersgat de hele concurrentie wegvaagt op basis van een soepele service, onberispelijke klantvriendelijkheid en elke dag voor iedereen de mooiste, best geluimde en stralendste bezorgsters aan de deur met de bankafschriften, dan krijg jij een boete van Europa wegens aanstellerij. Service hoort waardeloos te zijn. In diverse opzichten zijn de inzichten van wijlen doctor Walter Ulbricht overgenomen in het vrije westen. Die gaf zichzelf ook de mooiste bonussen.”
De echte postbode kwam in huize Knap 's middags stipt tegen drie uur langs, in bedrijfskleding die eens in de twee jaar in de was ging. Het kon vier uur worden, maar in elk geval vóór zonsondergang, meestal dan toch, en als de bode zich niet vergiste tussen het Julianahof en het Wilhelminaplein, ondanks de verplichte postcode.
Nee, dan die vrije bezorgers van de Europese stempel. Die verschenen op de vreemdste momenten in Knaps straatbeeld. Tot op zondagmiddag aan toe, tenminste als het dan eindelijk droog was. Als het gesneeuwd had, bestonden ze niet. Het was net wanneer de bezorger zijn zakcentje wilde verdienen. Aan zo een onderneming waagde niemand zijn belangrijke poststukken, laat staan een gratis dagblad dat elke dag nauw luisterde qua tijd en stipte bezorging. Ook hier gold weer zoals bij alle privatiseringen dat de overheid moet en dat de rest met minimale eisen z'n gang mag gaan. Dat was de scheurlijn die overal in de maatschappij zichtbaar werd tussen het burgerbelang en de markt van de graaiers, tussen de commercieel onaantrekkelijke verplichtingen en de winstgevende krenten in de pap.
De commerciële bezorging, die voor negenennegentig procent uit deprimerende folderij bestond, was in Knaps wijk aanvankelijk in de handen gelegd van een fragiel meisje. Zij had hem een keer aangesproken in wat volgens haar Engels was. Te zien aan wat hij van haar in de bus had gekregen, verspreidde zij haar vrachtje ondanks de adresseringen geheel op goed geluk. Knap had het een traktatie gevonden om 'Verkeerd bezorgd!' op zo een brochure te kalken en die vervolgens op de hoek van de straat terug in de gewone postbus te gooien in plaats van,
zoals toch niet te veel gevraagd was geweest, het poststuk twee huizen verderop correct af te leveren. Maar nee, deze kostelijke ongevraagde folder, te danken aan de verhandelde klantenbestanden van de gezamenlijke zorgverzekeraars, zou de geadresseerde veel te laat bereiken en met strafport: minstens twee zegels extra te plakken. Wéér naar dat postkantoor voor een velletje.
Nadien was het werk een tijdje in de verweerde handen gelegd van een voortdurend vloekende bejaarde man, die altijd dezelfde zwarte trainingsbroek aan trok en die tegelijk zijn hond uitliet. Het beest legde her en der een drol voor de deur van zijn klanten. Men kon daar beter niets van zeggen, want het verhaal ging dat hij, zo oud als hij was, overal meteen op sloeg.
Vanwege een andere postmaatschappij slofte er tegenwoordig ook nog een man rond die in een elektrisch invalidenkarretje arriveerde, waar hij na elke brievenbus even in moest uithijgen. Sigaretje erbij. Graag een praatje met een passant dat gerust enige tijd in beslag mocht nemen. Als die 's morgens vroeg begon, was hij tegen middernacht al halverwege de straat. ,,En dat heet concurreren?”
Lücker had zich met een ontevreden kop omgedraaid en gemurmeld: ,,Misschien moet je daar een van mijn mensen eens een kritisch artikeltje over laten schrijven, mijnheer de redactiechef. Maak jij je nuttig, verdien ik er eindelijk wat aan.”
Knap had geglimlacht: Lücker die om een kritisch artikeltje had gevraagd. Er was voor alles een eerste keer.
In haast bladerde Knap door het eerste katern heen van het echte ochtendblad dat zijn vrouw hem aanreikte.
,,Dresselhuijs wijst de weg naar haar paradijs,” stond er onder op de voorpagina.
Knap vloekte zelden en ook nu wist hij de knopen nog net binnen boord te houden. Blijkbaar hadden ze bij de echte kranten haar plan ook in handen gekregen. Gratuit ironische kop erboven. Vorige week hadden ze haar nog serieus ondervraagd en elk even onzinnig woord uit haar mond opgeslurpt als gods primeur uit een ouderling. Nog zo een kernmerk van de moderne, zogenaamd onafhankelijke journalistiek. Vriend of vijand, het kon elke dag iemand of iets anders zijn. Knap zag de briesende kop van Lücker al weer voor zich op het moment dat die in de gaten zou krijgen dat hij zijn voorpagina had uitgeruimd voor helemaal geen primeur van zijn grote politieke vriendin.
Verderop in de echte krant bleef Knap hangen bij een kaderstukje met de kop: ,,Het Jan Pleviertje is terug.” Bleek geschreven naar aanleiding van een vergelijkbaar coma als waar de bestuurder van de vluchtmotor in lag, want dat was ook al geen echte primeur van Hiltermann geweest. Geen advocaat of vage beschuldiging in te bekennen, gewoon alleen een diverterend kaderstukje met een dunne aanleiding.
Jan Plevier was bij sommige oudere lezers nog bekend als 'De schillenboer'. Zonder die bijnaam was hij begonnen als suppoost in het Olympisch Stadion, waar hij op zondagmiddag en tijdens de wielerwedstrijden mensen zonder kaartje doorliet voor een schielijk in zijn hand gedrukte rijksdaalder. Tijdens de pauze kwam hij langs met eigenhandig gevulde zakjes met gebrande pinda's. Niemand van zijn klanten die het waagde om er geen te kopen. Zo had hij het bedrijfskapitaal vergaard waarmee
hij als softdrugshandelaar was begonnen. Een slordige, magere dertiger was hij geweest, met vette haren die tegelijk als schillenboer met paard en wagen langs de deur ging, terwijl hij op de Wallen al twee meiden had zitten die het niet voor niets deden. Een hardwerkende Nederlander avant la lettre. In die tijd werd de onderwereld nog de penose genoemd, alsof het een hobby voor de vrije zaterdagmiddag was. Hij was voorbestemd om een grote jongen te worden in het bescheiden Hollandse milieu.
Genoemde Plevier was thuis, doende met een jig-saw puzzel, door een hersenbloeding voor eeuwig buiten westen geraakt. Toen werden ze alleen in Amerikaanse films nog op straat doodgeschoten. Van Bertus B. was ter vergelijking geen sprake. Weer zo een die al zijn kennis over het geboefte en over zijn financiële huishouding had meegenomen op weg naar Sint Petrus. Maar wat moest die ermee? Terugsturen was geen optie.
Plevier lag buiten westen, maar de medische stand was zo ver op stoom geraakt dat er vooralsnog geen ontmoeting met Magere Hein van kwam. De patiënt takelde zienderogen zichtbaar af maar het wachten op de laatste ademtocht kon nog lang duren. Een van de behandelende artsen was na zijn dienst buiten op het parkeerterrein van het ziekenhuis door twee gewapende mannen bedreigd om de patiënt in leven te houden tot de medische wetenschap hem weer aan de praat zou krijgen, zodat hij al zijn geheimen alsnog kon doorgeven. ,,Invriezen, desnoods,” had hij een bevel verstaan. De schavuiten hadden tijdelijk The Lancet intensiever gelezen dan welk dagblad dan ook. Maar het ene vitale orgaan van Plevier na het andere liet het toch afweten. Het duurde nog bijna twee maanden voor
er een advertentie verscheen waarin stond dat ,,Joannes Antonius Gerardus Maria Plevier onverwacht tot zijn Heer,” was teruggekeerd. De vrouw die hij de laatste dertig jaar alleen had willen kennen van de maandelijkse giro-overschrijving van vier cijfers, had een overlijdensadvertentie laten afdrukken. Te zien aan de ondertekening waren er twee ongehuwde dochters geweest, een met een kind dat Willem heette en een met de hond Bello. Indien hij werkelijk tot zijn Heer was teruggekeerd, dan toch in losse onderdelen want hij had volgens de slotregel zijn lichaam ter beschikking gesteld van de wetenschap. Geen begrafenis of crematie, geen koffie met cake voor onder het condoleren, geen bacchanaal op het leven, zelfs geen demonstratieve vaartocht over de Amstel met een open kist. Daaronder hadden, een stuk uitbundiger, de annonces gestaan van zijn bedroefde vrienden, van de jofele meiden van een aantal bordelen en seksclubs, en tot slot de bekende Nederlanders die hem dankten voor zijn langjarige vriendschap. ,,Behouden vaart, oude gabber! Jan J. Janssen. jr. & Wendy.”
Leuk stukje. Zo een artikel met zulke details en zo een vermakelijke toon, dat had Knap graag in de Hollandsche Nieuwe gezien. Maar blijkbaar droeg Hiltermanns kennis van de historie van de onderwereld niet zo ver. Laat staan zijn stilistische begaafdheden.
Knap stond op. ,,Ik ga maar weer eens de centen verdienen.”
Vrouw Knap wuifde dat hij maar beter kon gaan: zij was doende met de sudoku.
Henri Knap trof zijn hoofdredacteur zoals verwacht
vloekend aan terwijl hij stampvoetend rondjes daverde alsof hij een belangrijk doelpunt had gescoord en net zoals veel voetballers ook niet wist hoe anders om te gaan met zijn emoties. Hij kon alleen niet dankbaar met twee wijsvingers omhoog priemen naar de hemel, zoals fietsende winnaars graag deden, want Lücker had een mobieltje aan zijn oor. Hij had, indien deskundig opgezet, zo naar een natuurhistorisch museum gekund als zeldzaam exemplaar. ,,Jij flikt mij dat geen tweede keer om de doodeenvoudige reden dat ik jou hier never meer wil zien. Exit, out, fini. Ja?! Wat ze daar bij jou thuis van vinden, dat interesseert mij geen zak.”
De gelekte plannen van partijleidster Dresselhuijs dreigden blijkbaar al aan één medewerker zijn baan te kosten. Knap had zoiets liever tevoren van Lücker gehoord om zijn eigen functie enige inhoud te geven. Hij nam de redacteuren aan dus hij zou ze er ook weer uit moeten zetten. Van de andere kant, hij liet zulke klussen liever over aan een onbehouwen ervaringsdeskundige als Lücker.
Knap trok de Hollandsche Nieuwe naar zich toe en zag het kopje meteen staan: ,,Gracia, en Johnny Walker: een nieuw setje?” Knap moest slikken. Dat had veel beter gekund. Een fragment van de foto die ze al een keer voorop hadden gebracht, was er iets kleiner nogmaals bij geplaatst: die met die vlezige ongelijke neusgaten. Het vraagteken wilde zeggen dat het allemaal waar was maar dat de Hollandsche Nieuwe zich inhoudelijk distantieerde van deze scoop.
Volgens enkele op een of andere artiestenparty geconsulteerde anonieme vrienden van Johnny Walker, weer zulke betrouwbare bronnen, was de vrouw, die
zich schrijlings onder de presentator had bevonden, niemand minder dan het onder meer zingende fotomodel Gracia, ,,de gewezen verloofde van de krantenmagnaat en de voormalige eigenaar van Het Keukenimperium, Joop Lücker.” Hannelore Faas had het goed gezien. Maar moest dit nu inclusief de liefdesbreuk en mét fouten in Lückers eigen krant? En voorop ook nog. Zoiets gebeurde zo vaak.
,,Ik had geen idee hoe ze heette,” had Walker desgevraagd vanaf Vanuatu gereageerd. Het verstoppertje spelen was er blijkbaar afgelopen. ,,Maar dat heb ik ook met mijn schoonmaaksters. Ze sturen bijna elke week een andere van het uitzendbureau.”
Achter Knap hielden de schuttingtaal en de godslasterlijke verwensingen aan. Onder de onthulling over Walkers vriendin, en Knap wist niet eens zeker of dat wel een primeur van de Hollandsche Nieuwe was geweest, stond pas het bericht over Dresselhuijs' tienpuntenplan. Ook met een oude foto. De avondredactie had zich de kritiek van Lücker op het fotobeleid en de onderschriften zichtbaar aangetrokken. Hier werden de hoofdredacteur en zijn verloofde Gracia nog nadrukkelijk genoemd. Er was weer van alles in de coördinatie mis gegaan. En dan daarnaast nog die juichende recensie van haar nieuwe cd met een postzegelplaatje van dezelfde zangeres erin verwerkt. De Hollandsche Nieuwe lag erbij als de Grote Gracia Bode. Knap kon alle begrip opbrengen voor Lücker die eindelijk tot zwijgen was gekomen en er dampend, verslagen en lelijker dan ooit bij stond. Hiltermann was afgeknepen.
,,Dat was Gortzak, goddomme! Die zien we hier nooit meer terug. Die gaat maar op eigen kosten afstuderen, als het daar nog ooit van komt met zulke hersens. Ze zeggen
wel dat iedereen rechten kan studeren, het is niet meer dan twee boeken uit je kop leren, maar dat is voor sommigen al te veel gevraagd. Die zak heeft dat bericht van ons vrouwtje uit Vlissingen over Walker en Gracia zo maar op de voorpagina gekwakt. Niet eens wederhoor gepleegd. Met mij! Elke jan lul krijgt bij het minste nieuwtje een microfoon onder zijn snufferd geduwd voor een reactie, maar bij mijn eigen krant laten ze hun belangrijkste informant goddomme in de kou staan.”
Hij snoof als een paard na de twaalfde hindernis van de Grand National: weer met de achterpoten blijven haken. ,,De ex-mevrouw Lücker, zal ik maar zeggen, moet vandaag met een grote glimlach achter haar kassa zitten, de appels afwegen en de plakplaatjes uitdelen. Zij heeft dit vast gelezen, want ik vrees dat zij het tegenwoordig met gratis kranten moet doen.” Zijn woede betrof de plaatsing van het bericht, de inhoud had Lücker nauwelijks getroffen, leek het. ,,Zeg tegen dat Zeeuwse wijf dat als zij weer eens zoiets heeft dat zij dan eerst naar mij moet vragen.”
Terwijl Faas kwiek binnen kwam en vlotweg naar Knap knipoogde alvorens zij in haar hok dook, riep Lücker hem mee naar zijn kamer.
,,Dit hoeven ze niet allemaal te horen. Kun jij voor een paar dagen Gortzaks dienst overnemen? Zoek ik een vervanger, desnoods bij het uitzendbureau. Pas op, dan ga ik jou het cao-loon voor een verantwoordelijke functie betalen. Nou? Nog net geen minister-president, maar het komt in de buurt. Hebben wij een deal?” Hij pauzeerde een tel en bedacht zich toen definitief: ,,Dat behoud jij dan als jij straks weer gewoon de dagdienst gaat doen. Of tweehonderd euro extra in het handje? Nou?”
Het aanbod overviel Knap. ,,Zoiets moet ik even met het thuisfront overleggen.”
,,Je krijgt het zwart op wit van me. Voor zover mogelijk. De krant moet om half elf klaar zijn dus dan ben jij ruim op tijd terug thuis.” Lücker probeerde zijn woede weg te werken met al te amicaal gedrag. ,,Kun jij moeders beloven. Leer mij de vrouwtjes kennen.”
Knap vond het een aantrekkelijke gedachte. Zeker omdat het maar voor even was, zijn terugkeer naar het echte werk, naar het absolute centrum van de krant, het zinderende laatste uur als alle belangrijke beslissingen werden genomen, als elke hoofdredacteur met al zijn opdrachten links en rechts werd gepasseerd en de volgende morgen een krant op de deurmat vond die in niets leek op wat er tijdens de avondvergadering nog was afgesproken. Knap werd weer iemand in het vak. Daar had hij ernstig behoefte aan.
Knaps overleg met thuis was kort, sober, praktisch en positief. ,,Dan ben ik dus niet bij het avondeten.”
,,Houd ik er ook geen rekening mee bij de boodschappen.”
Lücker knikte, toen zijn nieuwe chef nacht terugkeerde, alsof hij niet anders had verwacht. ,,Hoe dat met de dagdienst moet? Overdag heb ik hier de leiding, ik ben de hoofdredacteur, of was jij dat vergeten? Vraag ik dat meisje van Kaas om enige praktische ondersteuning.”
,,Faas. Hannelore Faas, heet ze. Voor je last met haar krijgt. Had je trouwens gezien dat jij dat zogenaamde tienpuntenplan van Dresselhuijs helemaal niet exclusief hebt gekregen?”
Lücker keek hem verbaasd aan en dreigde terug te
vallen in razernij. Hij was het niet gewend om nog een ander krant dan de Hollandsche Nieuwe door te nemen.
Knap gooide met een brede zwaai een paar echte dagbladen en wat andere gratis kranten op het bureau van Lücker. Allemaal hadden ze, ongeacht hun maatschappelijke afkomst, Dresselhuijs' plannen groter of kleiner voorop staan. Aan twee had zij er zelfs een interview bij gegeven dat in beide gevallen als 'exclusief!' werd gepresenteerd.
,,Dat kan ik er vandaag nog net bij hebben. Waar hangt die Blokzijl goddomme uit?” Lücker greep zijn mobiel en begon te toetsen.
Knap probeerde hem te temperen. ,,Overal in de media wordt er in de commentaren voorzichtig een beetje schamper over gedaan. Dan kun je zo een plan ook maar beter niet al te exclusief hebben.” Het kwartje viel: ,,Max Blokzijl? Werkt die tegenwoordig voor Dresselhuijs? Die heeft een keer op een foto gestaan met een of ander dronken Amerikaans congreslid, of had hij een kortstondige relatie met diens secretaresse? Zoiets.”
,,Uurtje?”
,,Dat hou ik niet precies bij. Hij zwaait er nu mee alsof hij persoonlijk de Verenigde Staten aan twee presidenten heeft geholpen. Lieve hemel, als je hoort wie er de laatste tien jaar allemaal als zogenaamde Hollandse stagiaire een cruciale rol hebben gespeeld tijdens diverse campagnes voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen, dan moet de wereld op miraculeuze wijze aan een grote ramp ontsnapt zijn. Hebben wij achteraf al eens vernomen van zulke hoog getalenteerde stagiaires die hun doorslaggevende rol bij de Nederlandse verkiezingen er gratis bij deden? Blokzijl, wie
had dat gedacht. Daar is jouw verse vriendinnetje mooi klaar mee. Kost ook een paar centen.”
,,Zij zal toch ook wel uit de belastingpot mogen graaien?” Lücker had ondertussen het externe geluid aan gezet zodat Knap zou kunnen meeluisteren.
,,Joop!” brulde het van de andere kant. In de tijd van de modernste communicatiemiddelen riep iemand die opgebeld werd niet wie hij was, maar hij keek naar het schermpje en riep dan de naam van de beller. ,,Ik zei het meteen vanmorgen, en ik ga jou niet vertellen tegen wie, maar ik zei tegen haar: zo een schending van de afspraken, dat zal mijn goede vriend, hoofdredacteur Lücker van Het Hollandse Nieuwsblad niet leuk vinden.”
,,En anders mevrouw Dresselhuijs zelf wel, die mij een belofte had gedaan.” Lücker zei het alsof zij een gedeelde oude vriendin was. ,,Het is trouwens de Hollandsche Nieuwe Courant.”
,,Zei ik toch. Ik weet niet aan wat voor zogenaamde adviseurs zij haar verkiezingsprogramma nog meer heeft laten lezen. Ik heb haar niet aan een touwtje. Liever niet. Er zal er een tussen hebben gezeten die een kopietje voor de vijand heeft gemaakt. Ik zeg altijd maar zo, links en rechts liggen ze op het Binnenhof onder de bureaus met elkaar te vozen dus je moet niet gek opkijken als ze mekaar ook een keer naaien.”
,,Hij heeft het niet zelf ingestoken?” vroeg Knap met een knipoog aan Lücker.
,,Mijn chef redacteur hier luistert mee en vraagt of jij het niet zelf per ongeluk ergens hebt laten slingeren?”
,,Hoor ik daar Henri Knap, de koning van de sudoku? Jij bent nog goed terechtgekomen, kerel. Als ik de boel één
keer fles, ben ik al mijn krediet kwijt dat ik in jaren van keihard werken heb opgebouwd. Joop, makker, luister, jij krijgt van mij, ter compensatie van een slordigheidje hier op kantoor, een exclusief interview met Dresselhuijs. En als ik dat zeg, dan is exclusief ook werkelijk exclusief. Jij mag alles vragen. Open kaart, al haar plannen, de financiering, de ledenwerving, de kandidaten, de conflicten, Europa. Beetje knappe foto erbij, dat is het enige wat ik vraag.” Hij lachte luid. ,,Ze hebben haar gevraagd voor het kerstnummer van de Playboy. Wist jij niet, hè, Knap? Daar mag jij nu naar vragen. Zoiets vinden jouw lezers leuk om te lezen. Zij heeft natuurlijk nee gezegd, maar toch. Ach, jongens, wat een dijen.”
,,Er stonden anders al twee van zulke exclusieve interviews in andere kranten vanmorgen.”
,,Jij weer, Knap? Dat zijn geen interviews. Dat weet jij heel goed. Dat waren telefoontjes tussendoor en daar maken jullie dan een beetje poppenkast van. De autoriteit wordt letterlijk geciteerd met al zijn gestotter erbij en achteraf knutselen jullie er zelf een paar foutloze en veel intelligentere vragen met een vette letter tussen in plaats van al dat oorspronkelijke gestamel van jouw speciale verslaggever. Mijn zolen. De Vliegende Hollander krijgt een echt interview. Ik weet het goed met je gemaakt, Joop, stuur mij zo vast je vragen op. Dat scheelt in de tijd.”
,,Blokzijl, jij weet dat wij zo niet werken.” Lücker had ingegrepen. ,,Ik heb overal mijn correspondenten zitten, behalve voor de Haagse politiek. Wat daar gebeurt, daar hebben mijn lezers geen belangstelling voor. Even afgezien van het verschijnsel Dresselhuijs, maar dat kun je nauwelijks politiek noemen. Een stem op haar is voor
de meesten mannen een vorm van droge seks.”
,,Oh, dat ga ik tegen haar vertellen, dat vindt zij vast leuk.”
Knap gebaarde Lücker te zwijgen. Hij boog met een grote glimlach naderbij en sprak zo terloops mogelijk: ,,Playboy kan ons niet zo veel schelen.” Lücker sloeg panisch zijn handen voor zijn ogen, maar Knap vervolgde met: ,,Wij zijn meer geïnteresseerd in een artikel over de heer Dresselhuijs.”
Het bleef even stil. Diepe zucht. ,,Wat weet jij daar van, Knap?”
,,Dat ga ik jou natuurlijk niet vertellen.”
,,Het lekt hier als een vrouw van even boven de dertig, naar ik uit de STER-reclame heb begrepen. Luistert, inktkoelie, jullie krijgen het verhaal over meneertje Dresselhuijs. Eén voorwaarde: ik lever het en jullie veranderen er geen letter aan. Geen tittel of jota. D'accord?”
,,Uiteraard!” riep Lücker voor Knap weer iets ging zeggen over verantwoorde journalistiek. ,,Max, ik ga je gauw weer zien.” Hij drukte snel af.
De hoofdredacteur van de Hollandsche Nieuwe stak beide handen in de lucht: ,,Die ligt in scheiding! Wat weet jij nog meer, Knap? Morgen alle bakken leeg! Wie kunnen wij hier nog iets over laten beweren? Dit is wat wij een scoop noemen, nietwaar, collega?”
,,Wij noemen dat een primeur, Lücker. Even ter completering van mijn wereldbeeld. Gracia is definitief eh…?” Knap aarzelde, hij wist niet hoe hij de huidige situatie kernachtiger kon duiden en maakte met zijn handen het gebaar alsof hij het stof onder de mat veegde.
,,Zij heeft haar sms’je gehad. Onder de kosten voor de operatie aan haar buste kom ik niet meer uit. Maar die andere ingreep, goddomme, die kan ze op haar derrière schrijven, ruimte zat. En van wat ik daar uitspaar, kan ik die arme mevrouw Dresselhuijs in haar eenzaamheid opmonteren met een bloemetje.”
,,Dan weet ik dat, voor als ernaar gevraagd wordt.”
,,En als ernaar gevraagd wordt, dan zeg jij dat jij daar niets van weet. Ik wil de naam Gracia de komende twee jaar alleen in mijn krant zien staan wanneer zij is komen te overlijden. Ja? En zelfs dan alleen in een advertentie.”
Knap ging vreemd opgewekt weer op zijn werkplek zitten en e-mailde Faas: ,,Reorganisaties op til. Ik heb mijn best voor je gedaan. HK.” Het was eruit voor hij er erg in had, zoals vaker met e-mails, sms'jes, tweets en alles op Facebook. Zijn jongere ik, die hij allang ter ziele waande, dwong hem tot leugenachtige overmoed.
Hij was aangestoken door de ouderwetse opwinding van het krantenbedrijf die volstrekt losstond van het thuisfront en van de werkelijkheid van de straat. Hij kon, als hij een stap buiten de redactie zette, zonder mankeren opnoemen waarom hij Faas niet aantrekkelijk genoeg vond om zijn huwelijk voor op het spel te zetten, maar hier, in het zinderend centrum van het wereldnieuws, spanning en sensatie per kilo en per minuut, maakte hij zichzelf belachelijk met uitingen van bijna puberale verliefdheid. Het kostte een paar tellen voor hij zich hersteld had.
Binnen het uur bulderde Lücker al voor de tweede keer dwars over de redactie heen: ,,Kaas!” Waarop Hannelore naar zijn kamer hipte dat Knap er week van werd.
Voor de dagdienst deed hij er niet meer toe. Henri Knap
bekeek de middagkranten, die ergens achterin op een diverterend bedoelde pagina hun meewarige stukje brachten over de relatie van Gracia met Johnny Walker en het feit dat zij blijkbaar gebroken had met de hoofdredacteur van de Hollandsche Nieuwe. Lücker kwam er overal extra beklagenswaardig vanaf. Een streng christelijk dagblad liet Gracia en Lücker geheel ongenoemd, maar bejubelde Walkers afscheid van de onnatuurlijke liefde. Een andere gratis krant geloofde er niets van en vermoedde dat het om een gecompliceerde publiciteitsstunt ging vanwege haar nieuwe cd.
Gracia's manager ontkende volgens alle kranten glashard dat zij dat was op die foto's. ,,Anders had zij mij dat verteld. Ik sla de vele talenten van Gracia hoog aan, maar ik denk dat haar neusgaten een stuk minder uniek zijn dan jullie van de pers denken.” Overal letterlijk dezelfde tekst, hij had waarschijnlijk een persbericht uitgegeven.
,,Kaas!” Lücker was de aanduiding Frau Antje helemaal kwijt en blijkbaar had Hannelore niets tegen haar nieuwe koosnaam.
Zittend aan zijn beeldscherm en ineens eigenlijk niets urgents meer om handen hebbende, herinnerde Knap zich op zijn gemak de oncomfortabele tijd van de soms weken durende wisselingen van functies op de redactie van zijn echte krant. Uiteindelijk zat in de lagere echelons niemand meer op zijn plaats en zakte de hele organisatie voor een paar maanden in elkaar.
Het was bij de managers en hun hoofdredacteuren op aanwijzing van Amerikaanse management goeroes in de mode geraakt om journalisten hooguit twee jaar op dezelfde positie te laten zitten. Alsof het zielloos werk aan
de lopen band was, iets met deksels op potten mayonaise schroeven.
Tegen de tijd dat ze net een beetje van de hoed en de rand wisten, dat ze eindelijk op de beurs of bij de politie een handig netwerkje hadden opgebouwd, zodat ze bij groot nieuws soms in vertrouwen werden genomen, dan kwam er niet alleen maar verknipt ANP-nieuws uit, dan konden ze nog eens een analyse schrijven en een primeur bemachtigen op vriendschappelijke gronden, dan waren ze tevreden met hun vak en hun leven. En dan moesten ze dat kunstje van voren af aan leren op een andere deelredactie. Een regelmatige stoelendans, had zo een Amerikaan voor 10.000 dollar per dagdeel de Nederlandse managers op een massaseminar in de RAI wijsgemaakt, houdt de medewerkers nederig, stil en scherp. Ze weten nooit wat hun boven het hoofd hangt, het voorkomt samenspanning, het maakt alles voor de vakbonden wat minder doorzichtig en het garandeert vanzelf een bonus voor de baas. ,,Wij kiezen onze president niet voor niets telkens slechts voor vier jaar.”
Op de redactie kende iedereen het patroon. Als de adjunct-hoofdredacteur zijn weke kont op de prullenbak naast een bureau plantte, was het weer zover. Stortte hij in drie zinnen een onevenredige karrenvracht aan waardering over een blij verraste redacteur uit en net als die daar in begon te geloven, de grootste domoren werden als eersten aangesproken, volgde de nieuwe marsorder, de overplaatsing naar een onbeduidende bijlage of een rubriek in doodsnood. Het was als een kermiscarrousel waarbij de hoofdredactie had bepaald wie op het paard mocht zitten en wie aan de bel van de brandweerwagen
mocht trekken. Alleen met die gasten van sport bleven ze vaak omhoog zitten, die bakten er op een andere stoel zelden wat van.
Op die manier werd een ongelooflijke hoeveelheid aan kennis en kunde weggegooid, maar ach, dat gebeurde ook en van staatswege gesubsidieerd met de vut en diverse andere oprotregelingen. Als de aldus geherstructureerde redactie weer geheel van voren af aan, met een frisse blik dacht de hoofdredacteur, met de politiek, de economie of de schilderkunst op de loop ging, kwam de krant extra dicht bij de lezers te staan. Die wisten namelijk ook van niets. De wekenlange stroom van woedende brieven waarin werd geëist om voor de diverse onderwerpen en pagina's zo snel mogelijk mensen te zoeken die een idee hadden van wat er loos was in de wereld, werd voor lief genomen. Die moest de ombudsman maar afdoen. Waar bemoeiden de lezers zich trouwens mee? De meerderheid van de chefs was juist zeer tevreden over de jongste gang van zaken. Chefs verpotten gebeurde veel minder vaak en dat moest omzichtig gebeuren want dat was riskant voor de redactionele steun die de hoofdredacteur steeds van node had. Knap herinnerde zich die rare sfeer, de scheve ogen en de kritiek die niet mals was geweest tijdens de redactievergaderingen als redacteuren elkaar verketterden in de hoop zo te ontkomen aan de kermis. Gruwelijke tijden waren dat. Iedereen kreeg vijandschappen opgedrongen die nooit meer over zouden gaan.
Knap vertrouwde op den duur niemand meer. Alleen, er moest weer een krant gemaakt worden.
,,Kaas!”
Hannelore verschoot als de vrouw die niet ongewenst
maar wel onverwacht door Boris Jeltsin in een bil werd geknepen. Zij denderde naar de kamer van de hoofdredacteur.
Knap trommelde op zijn bureau. Over een paar uur zou hij in zijn eentje de laatste pagina's in elkaar zetten als zijnde de afspiegeling van de belangrijkste gebeurtenissen van de dag, althans van alles wat Lücker graag las. De minister-president moest zich een paar keer per week voelen als een Henri Knap. Het regeerakkoord voor zich op zijn bureau en verder: God zegene de greep.
Knap had gezien dat de avondlijst in het opslaggebied van Faas zat. Zij was druk doende met telefoneren, doorgeven, heen en weer naar Lücker rennen, maar tegen kwart voor vijf duwde zij haar stoel onverwacht naast de zijne en ging zitten, haar dij tegen die van hem: ,,Overleg over de krant van morgen, Henri. Druk, joh! Op het avondlijstje,” ze tikte in een adem door tegen zijn beeldscherm, ,,staat de hele productie. Er is al behoorlijk wat door. Er is goed gewerkt door de dagploeg. Jij moet nog het stuk van Blokzijl doorgeven, je weet wie dat is? En dat van Hiltermann. Die gaat Jan J. Janssen jr. van katoen geven. Dat zijn gezichtsbepalende stukken, die moet je minstens voorop ankeilen. Dat weet jij, maar voor de lieve vrede, zeg ik het er nog even bij. Maak er wat moois van en doe me een plezier: geen woord over Gracia in de krant. Het heeft Joop allemaal behoorlijk aangegrepen.”
Knap wendde zich af en beet grommend in zijn duim. Haar te mogen temmen tot ze het drie huizenblokken verderop nog hoorden, dat moest de opdracht in het leven zijn die Lücker herkend had. Knap wist zich als onderknuppel kansloos. Het tragische gevoel van de
verloren hartstocht, terwijl hij er zo dichtbij moest zijn geweest, verliet hem pas toen hij zich voorstelde hoe zij over een jaar ondergoed met hem zou gaan kopen. Met lingerie hield hij al te schrijnende emoties op afstand. Het was zijn variant op andere mensen, die als zij een toespraak moesten houden, dachten dat al die mensen in de zaal ook gewoon hun broek lieten zakken op het toilet.
Blijkbaar had Hannelore Faas haar hoofdredacteur er binnen de kortste keren en waarschijnlijk met behulp van haar kennis van Gracia's asymmetrische neusgaten, van overtuigd dat hij iets meer voor de inhoud moest gaan en wat minder voor de sensatie. Kon makkelijk. Lücker had de laatste dagen al meer dan ooit veel te lange artikelen in zijn krant laten afdrukken die hij zelf niet graag las, maar die veel lezers waarschijnlijk vraten, en die allemaal op een of andere manier toch pasten in zijn formule.
Hannelore Faas had een sensationele metamorfose ondergaan, alsof zij mee had gedaan aan zo een wedstrijdje vrouwen verbouwen op de televisie. Ze was een zelfbewuste redactiechef ad interim geworden wier gedecideerde blik paste bij de gestrengheid die zij nastreefde opdat allen haar gehoorzaamden. Ze liep anders, ze keek anders, ze was iemand anders. Ze had zich ongemerkt tussentijds opgemaakt. Morgen zou zij in een zwart mantelpak met parelketting verschijnen, daar durfde Knap een eed op te doen. Hoge hakken in plaats van die halve zolen. Zij leek zich er alleen niet van bewust dat zij binnen een paar dagen weer een stap opzij zou moeten doen, als Lücker een vervanger had gevonden voor Gortzak en Knap op zijn oude post terugkeerde. Om nog maar te zwijgen over de omloopsnelheid van
van verloofden onder bekende Nederlanders, die lag vaak exorbitant hoog.
,,Henri, voor alle zekerheid, heb je mijn 06 genoteerd? Die ga ik je dan nu geven. Mocht er wat zijn.” Alsof hij opdracht kreeg haar voor elk nieuwtje te consulteren. Tot nu toe had hij buiten werktijd slechts een doodenkele keer met zijn onechte krant gebeld. Of ze het journaal hadden gezien? En anders iets op teletekst. Niet te veel mee bemoeien want anders kreeg je ook als chef helemaal niets meer van zo een avondploeg gedaan.
Faas was hem tijdelijk gepasseerd op de bestuurlijke ladder van de Hollandsche Nieuwe. Niet vanwege haar kwaliteiten voor de krant maar vanwege haar rol bij Lücker. Zij deed alsof zij Knap een reddingsboei toewierp maar in werkelijkheid vaardigde zij een order uit: hij had haar bij elke vorm van onzekerheid telefonisch te raadplegen. Hij aarzelde en schreef haar nummer toen in onder de K.
,,Kaas!”
Zij sprong op en was al weer op zo een opwindend drafje onderweg naar haar hoofdredacteur. Knap kon een zucht van weemoed toch niet onderdrukken.
Henri Knap had beneden in de hal, als enige klant onder de antieke kroonluchter van Berlusconi's de Toscaanse maaltijdsalade besteld. Liever had hij desnoods een zak patat gehad, maar er was geen keuze. Hij had voor een maaltijdsalade gekozen, die berekend bleek op iemand die zojuist een extreme maagverkleining had ondergaan: twee kerstomaatjes, een flintertje van die vermaledijde tonijn en een crouton, het geheel feestelijk aangekleed met zes takjes rucola, die in verstedelijkte gebieden tegenwoordig
weer modieus raketsla werd genoemd. De dressing werd in een soepkom geserveerd, wat dat betreft keken ze niet op een litertje meer of minder. Duur water erbij. Om de zinnen te verzetten, betreurde hij het ondertussen wraakzuchtig dat ze geen restaurantrubriek in de Hollandsche Nieuwe hadden. ,,En die komt er ook niet,” had Lücker geroepen. ,,Als er hier iemand op mijn kosten duur uit eten gaat, dan ben ik dat namelijk zelf.”
,,A la prossima volta,” wenste een leger bedienden hem luid, in koor en hartelijk toe, alsof zijn vertrek het belangrijkste moment van de maaltijd was. Maar buigen, ho maar.
Knap herinnerde zich in de lift bijna weemoedig hoe ze vroeger bij de echte krant aan het einde van de dagdienst regelmatig samen naar de buurt-Chinees gingen. Dan legden ze zo vast een bodempje, mocht er straks nog uitzinnig gezopen worden. Ze aten van een papieren tafelkleed met vetvlekken, want er was tussen de middag al van gegeten. Alles zonder franje geserveerd, eten als een noodzakelijk kwaad. Loempia gewoon, nasi gewoon, kon het allemaal nog net op de onkostennota, bier op eigen kosten, en dan was meestal de koffie glatis. Waren er vaak ook een paar van de avonddienst mee. Die zaten te schrokken, anders kwamen ze te laat terug. Zat de stemming er al gauw in, beloofden ze elkaar na middernacht te treffen, werd het vanzelf zonsopgang en zo lam als een aap. Behalve één, er was er altijd een die een half uur na de Chinees buikloop had. De pisang.
Zo'n avond zat er bij de Hollandsche Nieuwe niet aan. Hij moest er ook niet aan denken, samen met Lücker boven het bier urenlang over de krant te koddebeieren, alle twee
al gauw een beetje aangeschoten. Dan zou hij vanzelf in het stadium raken dat hij de waarheid wilde zeggen. Helemaal als een van die andere schimmen met wie hij een redactie vormde, erbij kwam zitten. Of Faas die van overdag was blijven hangen en er per consumptie begeerlijker uit ging zien. Hij aarzelde. Dat dan weer wel.
Knap belde naar huis. ,,Ik heb bij de Italiaan gegeten. Het is hier allemaal snel gegaan. Wat heb jij genoten?”
,,Ik heb een Chinees langs laten komen.”
Dat kon ook.
De avondploeg van de Hollandsche Nieuwe kwam zoals gewoonlijk tussen vijf voor en vijf over zes aan zetten, zwijgend, weinig plichtplegingen. Een jongen met zwaar ingevet stekeltjeshaar had een papieren tasje van McDonald's in de hand alsof hij er z'n lipstick en tissues in had. In een flits meende Knap een blonde vrouw te zien die hij zeker niet had aangenomen. Lücker liet soms een nichtje meedraaien dat journalist wilde worden. Of het was iemand die op verzoek van Holdert een artikeltje erdoor moest drukken. Misschien een undercovergirl van een concurrent.
De redacteuren gingen zwijgend in hun hokje zitten, pakten de productieschema's en de doorgeeflijsten erbij, keken welke pagina's ze te doen hadden, wat er verder binnen kon komen van de correspondenten in het land en wat ze zelf nog moesten uitzetten. De blonde vrouw zat bij een jongen onder de kap, dicht op een.
Een gespecialiseerde fotoredacteur erbij was handig geweest, vond Knap, want de illustraties luisterden nauw als de lezers gegrepen moesten worden. Maar volgens Lücker kon zelfs de grootste jan doedel per foto zien of die
geschikt was of niet: ,,En anders gum je zo'n lelijke vent op de achtergrond toch gewoon weg, of hoe noemen jullie dat?” Fotoredacteuren hadden het over aansnijden van foto's als ze er een stuk vanaf knipten. ,,Het is aanplakken of afsnijden, hoor,” had Knap eens behulpzaam gezegd tegen de sous-chef illustraties, een voormzalige zetter die alles had overleefd en zich senior art-director noemde.
Had Knap er weer een vijand bij.
Met het verdwijnen van het fotorolletje en de opkomst van de digitale camera's was de fotografie een ander vak geworden. Het moment suprême van een gebeurtenis werd alleen door de grootste sufkoppen gemist. De halve batterij van fotografen liet een filmpje meelopen. Ging het alleen nog om de compositie. Maar bij World Press Photo en andere bekroningen was het allang geen kwestie meer van compositie. Doorslaggevend was het lucky shot van iemand, die op dat moment in dat verre, vreemde land met die onverwachte grote natuurramp net zijn camera had uitgepakt, de een omdat hij met zijn verloofde op wereldreis was, de ander omdat hij naar het bikiniwerk bij de inmiddels afgelaste Miss World-verkiezingen was gezonden. Daar kreeg de hoofdredacteur geen prijs voor. Vroeger bleken de meest aangrijpende foto's achteraf soms ook in scène te zijn gezet.
Niemand keek er blijkbaar van op dat Gortzak er niet was. Misschien werd hij niet gemist, was het niet eens algemeen bekend hoe hij heette of werd er gedacht dat die man van dat hok een snipperdag had. Zelfs als ze elkaar aan de tafel met het koffiezetapparaat troffen, kon er weinig meer van af dan een onzekere hoofdknik, of erger nog zo een gelispeld, mislukt 'dag', zoals bij de tandarts in
de wachtkamer. ,,Eh. Wie was de laatste hier?”
Knap concentreerde zich op zijn werk. Liever iets om handen dan zich bewust te zijn van zijn omgeving en zijn krant. Hij werkte de lijstjes bij, stuurde berichten rond over de invulling van pagina 3 en met welke titel hadden ze de sudoku doorgegeven? Hij kon 'm nergens terugvinden.
Toen om half tien het aangekondigde verhaal van G. Hiltermann Bzn. er nog niet was, pakte Knap de telefoon. De opwinding die hoorde bij de laatste uren voor de krant ter perse ging, had zich ongemerkt van hem meester gemaakt.
Hiltermann was als steeds luidruchtig snel geïrriteerd. ,,Ik loop lang genoeg mee om te zorgen dat jij mijn verhaal ruim op tijd binnen hebt, Knap. Alles wat jij nu nog zegt, houdt mij alleen maar op. Dat moet jij weten.” Hij aarzelde. ,,Wat doe jij daar op dit uur? Sta ik soms onder curatele?”
,,De geheel gerenoveerde eindredactie wacht in spanning op de dingen die gaan gebeuren.”
Een paar tellen later waarschuwde zijn computer dat er een e-mail van buiten het correspondentennet was gearriveerd. Blokzijl verkeerde in de veronderstelling dat Lücker aan het beeldscherm op hem zat te wachten en opende met een joviaal: ,,Joop, oude makker, doe mij een plezier, laat Knap dit niet zien, want ik vrees dat het dan maar naar de andere bladen lekt. Ik heb een power point perspresentatie laten maken voor morgenvroeg, voor de rest van de muskieten. Wordt een ouderwets tweetrapsraketje. Jij bent de eerste trap, zie mijn bijlage. Wees diskreet en wees gegroet van Max Blokzijl, consultant communications campagneteam Dresselhuijs.”
Zo kende hij Blokzijl weer. Mocht het land ooit nog eens onder de voet worden gelopen door een vijandige mogendheid, dan kon men maar beter niet bij de Blokzijltjes aanbellen voor een schuilplaats, want die reden je in hun eigen auto zo vast naar Westerbork. ,,Anders wordt het zo een gedoe voor u.” Daar aangekomen zouden ze een tegemoetkoming in de benzinekosten opeisen.
Knap maakte Blokzijls verhaal open: ,,Echtgenoot Dresselhuijs schuldig aan megafraude?” Hij haalde het vraagteken weg. Daar dachten de mensen maar verkeerde dingen van. Binnen enkele zinnen zat hij midden in de frontale aanval op haar onbeduidende man, teneinde haar voorgenomen scheiding er zonder al te veel politieke en financiële schade en andere populaire heisa doorheen te jagen. Moeder ging carrière maken en de Patserparty had haar geleerd dat er meer dan voldoende opgewonden rijke en populaire en bekende mannen langs de kant van de weg stonden te wachten op een kans om aan haar zijde de media van stuntkopij te mogen voorzien.
Dresselhuijs had haar echtgenoot tot nu toe letterlijk en figuurlijk volledig in haar schaduw gehouden, daar was de schim van Gracia nog niets bij. Veel van haar mannelijke aanhangers dachten dat zij, opgevreten door haar politieke ambities en verloofd met het landsbelang, nog nooit aan serieuze verkering was toegekomen. Tenminste, daar stond nooit wat over in de krant. Die sul van haar had er ook geen werk van gemaakt. Bij politieke bijeenkomsten was hij nooit gesignaleerd, bij frivolere gelegenheden waar gedanst kon worden, champagne en oesters volop, rode loper voor de deur, had zij zich een enkele keer laten vergezellen door haar oudere zus of een blonde
buurvrouw, die op eigen houtje wat mocht uitzoeken onder de genodigden. Liever kwam zij in haar eentje. Maar ze waren dus al meer dan twintig jaar getrouwd en er waren zelfs kinderen.
Charles D. was notaris in een kleine gemeente waar zo iemand, ondanks alle sombere en kwaadaardige berichten over de beroepsgroep in de media, nog een gerespecteerde notabele was. Het dorp was zo klein, dat ze er in zijn specialisme maar een hadden. Net zoals ze maar een burgemeester hadden, een dokter en een pastoor, alleen moesten ze die laatste van de paus ook nog met acht andere dorpen delen en zo kwam hij toch nog aan zijn kwantum misdienaartjes toe.
De grote kracht van Dresselhuijs was die merkwaardige combinatie van een steeds luidruchtige, dwingende aanwezigheid en een perfect afgeschermd persoonlijk leven. Niemand wist tot nu toe eigenlijk meer van haar dan dat zij 24 uur per dag met heel haar hebben en houden in de politiek zat. Niemand kon een hobby van haar noemen, een bijzondere voorkeur of een speciale belangstelling, behalve dat ze af en toe geen jurk droeg maar 's morgens door de meid in twintig meter kleurige nepzijde van de boerenmarkt werd gewikkeld. Zij had nergens anders tijd voor. Ze hadden twee kinderen, dat had inderdaad ergens wel eens in een blad gestaan, herinnerde Knap zich. Het had hem niet geïnteresseerd. Zij had zulke dingen moeten aangeven bij haar toetreding tot het parlement, maar zij had het hele thuisfront daarna publicitair effectief verwaarloosd. Geen idee hoe zij de kinderen genoemd hadden, terwijl kindernamen dikwijls een goede indicatie vormden voor de ambities, inzichten, verwachtingen
en geestelijke ontwikkeling van de ouders. Nooit waren ze samen door een paparazzo gekiekt, zelfs niet op een gesponsord familie-uitje naar de Efteling of Disneyworld. Nooit per ongeluk met zijn allen op een zonnig Haags terras aan een ijsco.
Iedereen zou zich afvragen of zij het, straks na haar weggewerkte notaris, tot een tweede leg zou laten komen. Dan zou zij een paar weken uitgeschakeld zijn met alle politieke risico's van dien. En dan later nog een keer voor de geboorte, dacht Knap er vilein achteraan. Voor open doel faalde hij zelden. Anderzijds, carrièrevrouwen in de politiek namen op haar tijd een nu of nooit-kind, want een pronte zwangerschap was altijd goed voor een paar zetels. Maar ook riskant, want niets ergers dan van puur opportunisme veel te vroeg of net te laat te bevallen. Of van een zwart kindje, zodat iedereen wist dat hij zwak zaad had en dat er op de spermabank weer onzorgvuldig met de buisjes was omgesprongen.
De laatste tijd waren er opvallend veel mannelijke politici die met fanfare aankondigden dat zij zich tijdelijk uit de politieke voorhoede terugtrokken teneinde thuis te werken aan het gezin of nog erger, aan de verwekking van nageslacht om er een gezin van te maken.
,,Wat doet hij eigenlijk de rest van de dag van zijn wachtgeld?” had een pientere fractiemedewerkster in de kantine luidop gevraagd. ,,Dat zou ons vader eens op kantoor moeten zeggen: ik ben er voorlopig een tijdje niet bij want ik ga thuis een kindje maken. Wilt u mij wel doorbetalen, 't blijft voor mij ook maar afwachten of 't wat wordt.” Maar zij werd overstemd door de Kamerleden die luid meeleefden met de inspanningen van hun prominente
collega. Het enige dat er aan ontbrak was dat de uitslagen van de diverse zwangerschapstesten niet na het weerbericht in het Journaal bekend werden gemaakt. Terwijl de teneur van die nieuwsuitzending daar inmiddels geheel naar was.
Menige man uit Dresselhuijs' politieke potentieel hoopte 's avonds laat, in stilte hunkerend bezijden zijn eigen jarenlange echtgenote, dat zijn politieke leidsvrouwe, als zij er toch al zo weinig werk van maakte, dan ook maar onbevlekt ontvangen mocht zijn. Zij was als een model op een sekssite op internet: elke man mocht er alles bij verzinnen, zij reikte slechts haar golvende 86,3 kilo's aan en die verrukkelijke, enorme bilpartij.
Dresselhuijs was een paar jaar terug vanuit het niets door het bestuur van haar voormalige partij in Den Haag geparachuteerd voor een fris en ander geluid, benevens voor rumoer, doldrieste debatten en opwinding in de van oudsher slome fractie. ,,Verbazingwekkend. Nooit vermoed dat wij zoiets in de partij hadden,” zeiden de bestuursleden opgewonden tegen elkaar, niet wetende dat het om een kolossale vergissing ging.
Al daags na haar eerste publieke optreden werd bekend dat zij vroeger lid was geweest van een communistische splinterpartij die het Albanees model als zaligmakend had verkondigd. Zij gaf dit onbekommerd toe: ,,En door wiens toedoen is die partij in rook opgegaan, dacht u? Dat wil ik maar gezegd hebben.” Zwijgend en met een dikke lach op haar gezicht forceerde zij vanzelf een corridor tussen allemaal fotografen en filmers naar de roltrap. Eenmaal een halve meter boven de aarde draaide zij zich om en sprak luid: ,,Als falen een vrije keuze is, heren, dan is
succes dat ook.” Het journaille applaudisseerde bijkans.
Het partijbestuur vond dat zij zich er naar behoren uit had gered.
Frivole zaken waren niet aan haar besteed, bij het kleinste grapje in de politieke arena keek zij als een aap naar de achterkant van een opwinduurwerk. Maar op de tonen van haar spreuken uit oude Succesagenda's, de pastorale boodschappen van de 'Bond zonder naam' en van de aangepaste slagzinnen uit de advertenties voor cursussen voor vrouwen in de overgang, marcheerde zij zonder omkijken richting de partijtop.
Beroemd, bekend en geliefd. Tot zij op een avond door de politie betrapt werd met een stevige slok op, een mobieltje aan het oor en 67 kilometer boven de verlaagde maximumsnelheid vanwege wegwerkzaamheden. Haar toegevoegde pech was het dat de agenten vergezeld werden door een cameraploeg van het tv-programma 'Boem is ho'. Zij ging te keer en vroeg bij herhaling of de mannen niets beters te doen hadden. Zij viel twee keer om tijdens het blazen: ,,Dan moet jij ook niet duwen,” zei zij in het politiebusje tegen de agent aan de andere kant van het inklaptafeltje. Zij vloekte als een bootwerker en waarschuwde dat als deze opname zou worden uitgezonden zij ervoor zou zorgen dat niet alleen dit programma maar de hele omroep van de buis zou verdwijnen: ,,Ik heb mijn relaties.” Zij had niet alleen haar netwerk, zij kon steunen op voor meer dan 75 zetels verontwaardigde automobilisten die het geheel met haar eens waren, riep zij nog toen de deur van de arrestantenwagen werd dicht geduwd.
En zo was het ook. Tot een week later de beelden op een
een of andere manier terecht bleken gekomen op een pestside op internet. Dagenlang was de site schier onbereikbaar. Het partijbestuur voelde nattigheid en riep haar op het matje, waarop Dresselhuijs dezelfde middag nog verontwaardigd voor zichzelf was begonnen. ,,De bijval stroomt binnen. Eén e-mail staat voor tien e-mails. De zetels zijn niet aan te slepen,” riep zij die avond strijdlustig tegen de verslaggevers bij haar voor de deur.
In parlementaire kringen was haar drankzucht overigens allang bekend en ook dat zij eerder al bij blaastesten door de mand was gevallen, een paaltje omver had gereden en er was een gevalletje wildplassen. Maar zulke persoonlijke zaken werden irrelevant genoemd en zo lang mogelijk onder elkaar gehouden, leuk om te vertellen, maar niet voor de lezers en de rest van het volk bedoeld. Kamerleden en journalisten waren, hoewel op de hoogte van alle escapades op beiderlei werkvloer, niet bijster gesteld op berichtgeving daarover. Het persoonlijke, zeiden zij streng, kwam alleen in onontkoombare positieve of dramatische zin aan de orde als het er ook nog feitelijk toe deed. Bij geboorte en dood of bij een per ongeluk uit de kast gelazerde homo. Om wederzijds politieke of persoonlijke consequenties van loslippigheid, dronkenschap, geweld of one night stands te vermijden, golden binnen de muren van hun gezamenlijke sociëteit strengere afspraken over discretie dan ze er thuis in bed op na konden houden. Geen enkele andere serieus te nemen tak van de journalistiek had het ooit geschopt tot zulke krankzinnige toestanden en al helemaal niet tot het intellectuele failliet van een gezamenlijk geëxploiteerd café
met officiële gedragsregels die regelrecht in strijd waren met elke interpretatie van de persvrijheid. De contributie mocht overal op de onkostennota zodat met een verre omweg het hele land meebetaalde aan deze samenzwering van gekken. ,,Zelfs de sportjournalisten zijn niet zo diep gezonken, en dan zijn we toch onder in de vochtigste schachten van het vak terecht gekomen,” mompelde Knap als het weer eens over de Haagse mores ging.
,,Wist ik allang,” waren de drie meest gebruikte woorden in de hele journalistiek, maar in Den Haag werden ze dusdanig geïnterpreteerd dat het niet de moeite loonde om zulke gegevens te controleren en daarna op te schrijven en door te geven. Zij wisten het en dat volstond.
Ze wisten alleen naar waarheid niets over het huishouden van Dresselhuijs. Moest bij gezegd: zij had de gewoonte om tijdens een interview dwingend en sturend op te treden en elke vraag die haar niet zinde te herscheppen in iets dat haar beter uitkwam en anders kreeg je helemaal geen antwoord meer. Dat is nu eenmaal mijn lot, dacht zo een parlementaire journalist met de pet in zijn hand dan, ik ben ook maar gestuurd.
Alleen door onbeschoft te worden, lukte het soms een tv-presentator, eentje die toch zelden op het Binnenhof moest zijn en geen last had van collega's die hem daar berispten en leerden hoe het hoorde, om haar terug te dringen in de rol van de weliswaar gewaardeerde gast, de geacht parlementariër, het lekker wijf, maar zeg nou eindelijk eens iets waar wij wat aan hebben. Vaak stampte zij er dan vandoor met de laatste tijd dus blijkbaar Max Blokzijl, wapperend met de papieren, gedienstig achter
haar aan. Knap kon zich niet herinneren Blokzijl ooit in die functie te hebben gezien. Liefst had zij haar eigen tv-station bezeten. Daar maakte zij geen geheim van, maar dat gold voor de meeste parlementariërs. Die waren tegen publieke en vóór commerciële omroep want bij die laatste viel altijd wel wat te ritselen. Ze wilden ook het liefst hun eigen krant. Ze zeiden het alleen niet hardop want dan hadden ze de persvrijheid aan hun broek.
Bij dat al dacht Dresselhuijs tegenwoordig eerst aan hem en aan de Hollandsche Nieuwe, wist Lücker.
Charles D., dat initiaal in de aanhef was een eigen initiatief van Blokzijl. Officieel was hij geen verdachte en dus was er geen reden voor een inkorting, maar de truc werd gebruikt als een voor alle lezers herkenbaar veeg teken: het stond nog niet vast maar reken er maar op dat hij schuldig is. De man met wie Dresselhuijs tot beider tevredenheid blijkbaar doorgaans het bed deelde, werd er van beticht een aantal gecompliceerde transacties te hebben afgewikkeld waarbij leegstaande panden in de hoofdstad met verdacht grote prijsstijgingen binnen enkele uren in een cirkel waren doorverkocht, sommige kopers waren twee keer op een dag bij de juffrouw van zijn receptie langs gekomen, terwijl het onduidelijk bleef of er onderweg steeds betaald was, of er eigenlijk wel een pand bestond, waar de grote bedragen in baar geld halverwege de middag ineens waren gebleven en of alle kopers ook echte kopers waren geweest? Hij had overal naar gevraagd, zoals hij volgens zijn beroepseed moest, maar hij was, net als veel collega's, niet geïnteresseerd in de antwoorden en anders liet hij zich met elke beschikbare kluit in het riet sturen. Blokzijl haalde er in zijn artikel
niet eens anonieme bronnen bij, hij gooide zijn beschuldigingen gewoon als onomstreden feiten op straat.
In de kern draaide het om de zijdelingse betrokkenheid van Dresselhuijs bij de vage zaken van haar echtgenoot. Hoe zijdelings dat kon dan weer niet precies geduid worden, maar juridisch kwam zij niet onder haar huwelijk uit. Of haar man anderszins dan beroepshalve betrokken was bij al dat geïncrimineerde vastgoed, werd ook nergens met zoveel woorden omschreven, maar dat was ook niet belangrijk: de suggestie was de jonge god van het objectieve journalistieke verhaal. Hij hing! Bij de politie wisten ze officieel van niets en volstond de voorlichter met zijn: ,,Geen commentaar.”
Geen commentaar? Dat was helemaal verdacht.
Als een krant van alle aantijgingen eerst alle feiten boven tafel moest zien te krijgen, dan bleef er zelden iets te publiceren over. Een kenner van politieseries op de tv, wist bij voldoende aangevoerde vaagheden in een nieuwsbericht precies hoe laat het was. Als je het van die kant bekijkt, dacht Knap, dan doet zo een inspecteur Morse of die Wallander er elke aflevering eigenlijk nog verdomd lang over.
Het kostte Blokzijl in de Hollandsche Nieuwe niet veel moeite om de gewenste indrukken na te laten. Charles D. kwam tevoorschijn als een behoorlijk ordinaire, arrogante, gierige en politiek gesproken parasitaire schurk die geheel voldeed aan het heersende beeld van de notaris als een uitvreter met kleurrijke bretellen.
Alle subtiele juridisch tussenstappen konden na zo een introductie worden genegeerd. Schuldig, meneer de voorzitter. En wat erg voor dat arme vrouwtje van 'm.
Desgevraagd had Dresselhuijs de verslaggever van de Hollandsche Nieuwe naar haar woordvoerder verwezen. Het woordje desgevraagd was ontlastend voor haar, want een echt zijdelings betrokkene had dan allang een larmoyant perscommuniqué uitgegeven. Haar anonieme woordvoerder bevestigde dat er onderzoek werd verricht naar Charles D., maar dit kon en mocht uiteraard op geen enkele manier in verband gebracht worden met de succesvolle politieke beweging van diens vrouw. Het journalistieke Drotse-blik werd open getrokken: de voorlichter voerde zichzelf op als een welingelichte kring.
Bovendien haalde hij ongevraagd de angel uit de informatie die over een paar uur waarschijnlijk toch alom op straat zou liggen. ,,Weliswaar is mevrouw Dresselhuijs mede-eigenaar van administratiekantoor De Blauwe Map dat een onderdeel is van het notariskantoor Deuck, Zooy & Bennick, waar haar man partner is, evenals van het financieel adviescentrum De Gele Map in onroerend goed, projectbeheer en industriële ontwikkeling, dat ook deel uitmaakt van de holding, maar zij heeft al haar eigen betrokkenheid en belangen ondergebracht in een aparte onderneming, De Oranje Map, die weliswaar ook aan het moederbedrijf vast zit, maar waar zij verder geen bestuurlijke of andere verantwoordelijkheid in draagt, anders dan dat zij daar de jaarrekening moet tekenen, een louter administratieve kwestie. Mevrouw Dresselhuijs heeft alles uit handen gegeven vanwege haar politieke ambities.”
Zij was van de gewraakte transacties uiteraard niet op de hoogte. ,,Cru gesproken is haar verbintenis met haar vorige leven thans beperkt tot enkel een partner, aangevuld met elk jaar een bonus waar zij verslag van
doet aan de voorzitter van de rekenkamer en het parlement. Tenminste, als zij dat door haar overbelaste agenda niet vergeet.”
Een slapende bonus?, had Blokzijl zogenaamd ongerust geïnformeerd, alsof hij haar toch nog te pakken had. Het bleek te gaan om een belastingtechnische uitbetaling achteraf, verdisconteerd over het inkomen van een aantal jaren, alsof zij een beroemde profvoetballer was wiens topinkomen gespreid werd tot tegen de tijd dat hij geen deuk meer in een pakje boter zou kunnen schoppen. Het zou alleszins redelijk zijn als een politicus ook zo behandeld werd; die was, net als de doelman of die op de nummer tien, zijn plaats ook nooit helemaal zeker.
Samengevat: er was geen enkele reden om aan de oprechte financiële handel, wandel en onafhankelijkheid van mevrouw Dresselhuijs te twijfelen. ,,Zij hoopt, aldus haar zegsman, dat haar politieke aspiraties niet te lijden zullen hebben onder wat, volgens de politica, tot een zakelijk verschil van mening teruggebracht kan worden tussen een aantal vastgoedhandelaren, enkele van hun relaties en de fiscus. Haar echtgenoot, niet meer dan een professionele administrateur, zit klem tussen die partijen.”
Knap klapte in zijn handen: Charles Deuck heette die vent. Blokzijl had die naam er in verstopt, zodanig dat hem op het punt van de privacy niets verweten kon worden. Service van de zaak, de strop werd aangetrokken. Het hele journaille zou op internet zoeken naar wat er bekend was van elke mr. Charles Deuck, zodat de kranten dat morgen onbekommerd als hun eigen primeurs uit de onderwereld konden publiceren naar aanleiding van een vage onthulling van een niet nader genoemde concurrent.
Blokzijl wist precies wat er ging gebeuren. De afgelopen jaren waren er ongevraagd zo veel gegevens op internet gezet die in de hete context van een compleet ander feit ineens waardevol konden worden, dat het niet anders kon of Deuck zou een kansloos slachtoffer blijken vanwege zijn scabreuze jeugdavonturen, zoals geblogd door een voormalig buurmeisje, of vanwege zijn gedrag in de tijd dat hij lid was geweest van het studentencorps, dus inclusief de arrestaties wegens openbare dronkenschap, vechtpartijen en huisvredebreuk, ongetwijfeld met ergens een foto van zijn ontblote geslacht. Ineens lag zijn hele leven op tafel en alles werkte tegen hem. En dan ging zij om wie zijn leven draaide er ook nog vandoor.
Er ging Knap een licht branden. Deuck zou heel best dezelfde notaris kunnen zijn die Hiltermann had opgevoerd in zijn bombardement met anonieme informanten. De Hollandsche Nieuwe als de boodschapper van een wijd vertakt complot. Knap had geen idee wat daarin verder van hem verwacht werd, anders dan dat hij de verhalen moest doorgeven tegen een passende honorering. ,,Was ik maar onderzoeksjournalist geworden,” sprak hij vol dramatische pathos alsof het om zijn kop ging.
Tot slot van zijn uitspatting gooide Blokzijl er een verwijtende alinea tegenaan over de onbereikbaarheid van Charles D.'s advocaat Rodgers. Ah, daar had je hem ook weer, alsof de hele onderwereld zijn klantenkring was. Zo een omineus slot kon je aan Blokzijl gerust overlaten. Elke journalist die in de eerste klas van zijn beroepsmulo een beetje had opgelet, voerde aan het einde van elk van zijn onthullende en sensationele reportages natuurlijk geen betrouwbare zegsman op die het hele moeizaam
geconstrueerde verhaal onderuit schoffelde met twee, drie heldere oneliners. Zonde van al het werk. Dus als de voice mail aan stond, zoals het notaris D. was overkomen, dan was het meteen bingo: er was een serieuze poging gedaan tot wederhoor. Doch helaas. Plus een advocaat, die wel tijd had om aanwezig te zijn in een diverterende misdaaduitzending op de tv, maar zijn telefoon meermaals niet opnam? Ook prijs! Een beetje handig verwoord, versterkte dat alleen maar de verdenking.
Zo voldeed de Hollandsche Nieuwe met deze scoop, en hoewel Knap wist van de directe betrokkenheid van de schrijver, toch aan enkele oude en behoorlijk wat nieuwe journalistieke normen, vormen en wetten. Als Lücker nog eens ter verantwoording zou worden geroepen bij de papieren vliegenmepper van de onderlinge journalistieke rechtbank, dan kon Henri Knap naar eer en geweten in zijn voordeel getuigen.
Het stoorde Knap als burger dat justitie er zoals gewoonlijk bekaaid vanaf kwam. Dat was een groeiend populistisch verschijnsel, dat altijd succes opleverde voor de journalist. In de media leek het alsof een instituut als het Openbaar Ministerie nog slechts bij hoge uitzondering een doortrapte boef achter de tralies kreeg. Als dat niet geheel ten onrechte gebeurde, dan werd de verdachte wel per justitiële blunder vrijgelaten, zodat hij nog dezelfde dag zijn schatten van kinderen die hem zo gemist hadden van school kon halen, of hij bezocht tussendoor gauw een juwelier. Als de advocaten geloofd mochten worden, werden er bij elk heterdaadje onderweg naar de politiepost al zoveel knullige vormfouten gemaakt, dat die niet eens aangedikt hoefden te worden om opzet te suggereren en
vrijlating te vorderen. Opzet? Ja, want anders kreeg de politie het te druk. Ging het om drugsbaronnen, vrouwenhandelaren of fraudeurs, dan werd in de media gegniffeld om zoveel onkunde. Betrof het een armetierige pedofiel, dan was het misdaad van de buiten categorie waar elke vormfout rijp was voor de doodstraf.
In hun commentaren beweerden veel kranten dat het helaas een journalistieke opdracht was om ook zulk nieuws en van die opinies en pleidooien indringend verwoord door te geven. Het kon drie keer gelul worden genoemd, zoals in Knaps bovenkamer ook gebeurde, maar gelul was tegenwoordig ook een belangwekkende mening.
Het Openbaar Ministerie kon er per kwestie wel iets tegen in brengen, maar vaak niet alles omdat ze daar gebonden waren aan de wettelijk voorgeschreven en lastig op te rekken terughoudendheid. Elke reactie op hun publiciteit maakte hun zaak er alleen maar verdachter op. Het was schieten op het OM als op de trainer van een voetbalclub met vijf nederlagen op een rij, altijd raak. En volop instemming van de toeschouwers.
De advocatuur had die trend in de media met genoegen aangewakkerd, want aan zo een houding was volop geld te verdienen. Een officier van justitie kon niet kieskeurig zijn en werd niet per uur betaald uit een twijfelachtige beurs. De maîtres deden op de televisie ruimhartig alsof ze zodanig betrokken waren bij het zich alom manifesterende onrecht ten detrimente van hun klantjes dat ze hun werk desnoods voor niets of voor hun lol zouden doen. Desnoods. Liefst goed betaald natuurlijk, maar het hoefde heus niet elke keer moord en doodslag te zijn als zij kwamen opdraven.
Ze waren gek op het gezelschap van bekende Nederlanders. Vandaar dat bijna per advocaat elk zijn hobby al landelijk bekend was: jonge, blonde vrouwen of strakke homo's, vette auto's, potje poker of iets met de duurste klassieke schilderkunst en dan voor je lol naar het voetbal om bij een doelpunt van voorgewend elan naar de dichtstbijzijnde vrouw te grijpen en die plat op de bek te kussen, helemaal als de maître wist dat hij gefilmd werd. En zij? Als het haar op straat of in het café gebeurd was, en helemaal door een of andere kutmarokkaan, dan diende zij een aanklacht in wegens eerroof, aanranding en verkrachting in die volgorde. Maar op de voetbaltribunes heersten nu eenmaal andere mores. Hoe dacht u dat zij de eerste keer in verwachting was geraakt? Tegen Ajax: 4-0, dat was pas de ruststand.
De ene advocaat verkleedde zich voor de publiciteit als een malle landjonker, de ander als een heks, de derde als een fatje en de vierde speelde een niet te stoppen breedsprakige sul, daar hoefde hij zich niet speciaal voor om te kleden. Ze werden er op de televisie bij gesleept alsof ze van het cabaret waren. Hun optreden maakte niets uit wat de waarheidsvinding betreft en aan rectificaties deden ze bij de tv toch al niet, maar een kijkcijfers dat ze ermee scoorden!
Knap had natuurlijk ook de verhalen gehoord over advocaten die een relatie hadden met mooie, jonge, uiteraard blonde redactrices van zo een programma. Het kon ook een redacteur zijn. Langs die weg werden ze met regelmaat als welingelichte kring opgebeld. Er waren er die desnoods op eigen kosten hun helikopter namen om op tijd in de studio te zijn.
Het was sub rosa een bikkelharde strijd. Jan. J. Janssen jr. speelde daarin een aparte, curieuze, dikwijls toch cruciale bijrol. Hij was dan wel geen advocaat maar hij had zijn eigen programma en zijn eigen prikkelende waarheden. Daarnaast werd hij met grote regelmaat door de concurrentie gevraagd om zijn commentaar te geven op iets dat met het recht of de advocatuur te maken had. Alsof ze er het weervrouwtje van Luxemburg ook bij haalden voor commenataar als het buiten regende. Voor Janssen betekende het naamsbekendheid; hij was al meer autoriteit dan journalist. Ook zijn seksuele leven had hij op straat gegooid opdat men maar niet dacht dat hij een homo was, zoals een oud gerucht luidde.
Knap nam een slok lauwe koffie. Afgezien van de strekking paste Blokzijls artikel in de jonge traditie van de Hollandsche Nieuwe. ,,Van onze correspondent” moesten ze hier ook maar boven zetten. Een eerste deeltje op de voorpagina, de rest naar pagina 3. Knap zocht tegelijk naar een foto van Dresselhuijs. Hij ging het rijtje af maar vrijwel overal keek zij als de ondeugende juf van groep vier. Iets anders hadden ze niet in haar elektronische map zitten. Deuck zelf kwam daar uiteraard helemaal niet in voor. Het leek Knap beter om de foto van de Patserparty met Lücker en Gracia niet nog eens te plaatsen. Deze dan maar, besloot hij: Dresselhuijs nauwelijks herkenbaar onder een brede roze hoed met fluorescerende groene veren. Vanwege de Troonrede, begreep Knap. Toen hij 'm al had doorgegeven zag hij dat zij zich aldus uitgedost op de Gay Parade had gemanifesteerd. Moest kunnen.
Knap drukte met een overdreven elegant gebaar de verzendknop in: een mooie primeur. Daarna keek hij een
tel voor zich uit: zo eenvoudig ging dat dus, de journalistieke doodzonde. Hij was als chef nacht van de Hollandsche Nieuwe een radertje geworden in het netwerk van de harde politieke ambities van Dresselhuijs en de daarmee samenvallende zakelijke inzichten van Lücker, onderdelen van het vertekende wereldbeeld dat de media hun klanten opdrongen.
Voor hij het goed en wel wist, had hij voor zichzelf de laffe schuilplaats verzonnen van de moderne journalist: hem viel vooralsnog niets te verwijten. Blokzijl was een betrouwbare bron. Weliswaar een tevens betrokken bron, maar daarom was hij niet meteen een leugenaar. Voorlichters als Blokzijl beantwoordden na persconferenties doorgaans geroutineerder en uitgebreider de aanvullende vragen dan welke nieuwswaardige politicus ook. Die antwoorden werden zo letterlijk mogelijk afgedrukt. Dan was zo'n spreekbuis voor iedereen de integere informant, de solide anonieme zegsman, de bron der bronnen. En hij werd net als nu in de Hollandsche Nieuwe volgens stilzwijgende afspraak volstrekt anoniem opgevoerd. Wij zullen zeker niet de eerste krant zijn waar ze een volledig aangeklede tip van hem hebben ontvangen, poogde Knap zijn knagende geweten te sussen.
En als het allemaal niet waar zou blijken te zijn wat Blokzijl beweerde over het nog slechts enkele uren ongeschonden, eerbiedwaardige en geloofwaardige imago van notaris Deuck, dan zou de Hollandsche Nieuwe niet aarzelen om de feiten grootmoedig te rectificeren en daarbij desnoods de hele vuile was van mevrouw Dresselhuijs buiten te hangen. Knap lachte zichzelf geluidloos uit.
Bij zijn vorige krant had hij jarenlang berichten doorgegeven die gekleurd waren. De lezers wisten dat en verwachtten niet anders. Er was al een dwingende keuze gemaakt uit de onderwerpen waarin alles voor waar gebeurd werd versleten, hoewel de bewijzen soms zicht- en hoorbaar rammelden. Aanvankelijk hadden die berichten naadloos gepast in het profiel van de krant en de maatschappij die ze er op het oog hadden. Alles voor de goede zaak. De nieuwe tijd van de quasi objectieve verslaggeving en de beweerde volledige onpartijdigheid was er in geslopen. Hij had er pas last van gekregen toen ook berichten van hemzelf over zekere malversaties de volgende morgen in de krant in het tegendeel verkeerden omdat een adjunct-hoofdredacteur een relatie had met een spraakmakend onderdeel van het onderwerp. Hij wist het beter, officieel op basis van een bron die hij geheim moest houden. Nadat Knap daar om moest lachen, volgde een scheldkannonade.
Toen hij zich er over beklaagde bij een collega, had die zijn schouders opgehaald: ,,Jij vraagt er om. Dat weet je toch. Hoe dacht jij dan dat je tegenwoordig in de hoofdredactie komt? Een ouderwetse kruiwagen is niet meer genoeg. De moderne kruiwagen staat met dat ene wiel buiten de krant.”
Het feit dat het wereldbeeld van de Hollandsche Nieuwe Courant desondanks totaal afweek van dat van zijn oude krant, als er al zoiets bij de HNC bestond, wilde niet zeggen dat dezelfde methoden ineens niet meer deugden. Alsof het vroeger zoveel beter was. The New York Times was toen ook al de Bijbel van de buitenlandspecialisten en Bildzeitung natuurlijk. De ene keer lieten ze merken dat
ze die kranten spelden, een andere keer was het gewoon een niet nader genoemde bron die hun analyse bevestigde, of dan hadden ze weer een regel uit een telexbericht in quarantaine gezet. Knap knikte hartelijk aanmoedigend, in de hoop dat niemand hem zag, hij had de verdediging van zijn overgang naar de Hollandsche Nieuwe rond.
Toen hij zich andermaal afvroeg waar die verrekte Hiltermann bleef, verscheen pling-plong diens e-mail met als boodschap: ,,Eindelijk tijd voor het meisje!” De chef nacht keek naar het digitale klokje in de hoek van zijn beeldscherm, hij voelde dat er zweet op zijn wangen verscheen, net zo een onbeheersbare lichamelijke reactie als een niesbui. Dit werd ouderwets doorjassen. Dit was pas leven voor een echte courantier.
,,'Sta of ik schiet', maar dat is niet wat u ziet.” Het rijmde zoals Sinterklaas dichtte, stelde Knap vast, het bleef een cryptische kop, maar Hiltermann had tenminste iets van de boodschap opgepikt.
Knap keek eerst naar de lengte van het verhaal: Lückers journalistieke werkformule werd op alle fronten geweld aan gedaan. Maar met een beetje handig schrappen moest Knap het hele zaakje er in krijgen, inclusief een stevige illustratie.
Jan J. Janssen jr. had de kijkers, volgens Hiltermann, in zijn laatste uitzending het zicht ontnomen op de criminele invloeden in het moderne bancaire systeem. Daar wist Rodgers alles van, maar die kreeg nauwelijks de gelegenheid om zijn visie te geven.
Ik heb blijkbaar een andere uitzending gezien, meesmuilde Knap. Dat was het dan wel zo'n beetje wat de analyse van Janssens optreden betreft. Wat volgde was
een bijeen gescharreld portret zoals men dat vaker in de moderne media aantrof. Alles wat eenmaal in het archief terecht was gekomen werd voortdurend herhaald. Correcties, aanvullingen en rectificaties haalden zelden de dossiers. Vandaar dat zulke verhalen dikwijls luid rammelend voorbij kwamen.
Hiltermann zwaaide ook weer volop met termen als 'bronnen' en 'stukken die in bezit zijn van de redactie', terwijl er ook allerlei nieuwe mededelingen verschenen die 'algemeen bekend' werden verondersteld. Allemaal eerder een kwestie van oncontroleerbare branie, dan van ondersteunende argumentatie. Zoals andere mensen tijdens een discussie bij gebrek aan feiten steeds harder begonnen te roepen. Geen lezer van de Hollandsche Nieuwe zou echter redenen vinden om te twijfelen aan Hiltermanns woorden. Hij was de journalist.
Hiltermann leunde op smakelijke tweedehands verhalen die zonder veel feitelijke onderbouwing al lang de ronde deden en die bij de lezers het idee bevestigden van een vermakelijke familie waar een luchtje aan zat, maar de opgewekte toon van de anecdotes en de onbekommerde presentatie van de pater familias op de tv, zorgden ervoor dat het nooit erg ging stinken.
Met invoelbaar plezier schilderde Hiltermann het karikaturale beeld van een modern advocatenkantoor waar de klanten net zo ruimhartig gefaciliteerd werden als in een legaal huis van plezier, ,,alleen aanzienlijk duurder, zoals deskundigen mij verzekeren.” Het was er eenmaal voorbij de receptioniste niet steeds duidelijk waar de scheidslijnen werden getrokken tussen juridisch advies, public relations, plat vermaak en diverse vormen van wederzijdse chantage
en bekoring. Een kantoor als dat van Rodgers zorgde voor alle kennis op het gebied van het recht en van bancaire constructies, en daarnaast voor administratieve ondersteuning en persoonlijke secretariële bijstand. Waar gewone bedrijven bovendien een koffieautomaat hebben staan, daar stellen deze kantoren een kantine ter beschikking die oogt als een restaurant met minimaal één Michelin-ster. En waar de een spreekt van een solide bedrijfsvoering, daar bestaat bij het OM het vermoeden dat het Rodgers-imperium de contouren heeft gekregen van een organisatie die in steeds meer facetten nauw tegen de schimmige onderwereld aan schurkt. Aldus bronnen.”
Mijn god, weer die zogenaamde bronnen, Knap greep met twee handen naar zijn hoofd. Als het niet zo laat was geweest, zou hij rücksichtslos aan het schrappen zijn gegaan. Er was niets nieuws onder de zon. Waar Rodgers tegenwoordig van achter zijn dure antieke bureau om het vertier schelde en desgewenst zelf mee deed, daar werden de vaste klanten vroeger net zo goed half lam van de whisky beneden op de gracht in een taxi gehesen, op weg naar een sekshuis een eind verderop voor volop plat vertier en met in de kelder de roulettetafels om na gedane pret iets om handen te hebben.
En dan nog hield Hiltermann overal slagen om de arm. Rodgers werd nergens rechtstreeks van beschuldigd. Hiltermanns collega Jan J. Janssen jr. bleef in weerwil van zijn ronkende aankondiging slechts een bijzaak voor de starreporter van de Hollandsche Nieuwe. Alle aandacht gold de fundamenten van de bekende advocatenfabriek. Namens wie dat gebeurde was Knap niet duidelijk, maar Hiltermann was ingefluisterd en geadviseerd.
Bijna net zo uitvoerig als Jan J. Janssen jr., bij wie dat al jarenlang ingecalculeerd werd door de rest van de journalistiek. In de kantine tussen de middag hadden zijn collega's daar graag een grote mond over. Net alsof ze wielerjournalisten waren etaleerden ze al hun grote geheimen waar ze nooit over schreven, net zoals die van de parlementsredacties.
Maar als ze weer achter hun beeldscherm zaten, sloeg het journaille zichzelf als eerste over bij de controle van de macht en de gevreesde misdaadjournalist als tweede. Jan J. Janssen jr. profiteerde er volop van met zijn extreme gevoeligheid voor kritiek en zijn abonnement bij de voorzieningenrechter.
Knap versleet het verhaal van Hiltermann vooralsnog voor een fase in een spookachtig gevecht, waarbij onbekende betrokkenen uit de tent moesten worden gelokt. Voor zulke doelen werden reportages in de krant en op radio en tv vaker gebruikt. Van de regering die een parlementaire meerderheid zocht tot een voetbalmakelaar met een spits in de aanbieding. Dan wisten ze de pers wel te vinden. Rodgers paste daar wonderwel bij. Hij bestuurde eigenlijk gewoon een grote Albert Heijn in juridische adviezen, met voor goede klanten toegevoegde 18+ pret in plaats van de Flozzy's of wat gaven ze nu weg?
Waar de eindredacteur bij echte kranten een laatste, kritische sluis was, daar zat Henri Knap inmiddels gewoon aan het doorgeefluik. Hij zocht er een foto van Rodgers bij in het elektronische mapje dat ook staatsiefoto's bevatte die door Rodgers' pr-afdeling werden verspreid en die gratis geplaatst mochten worden. Dat droeg allemaal bij aan zijn imago. Liever zoiets dan een oud prentje van
een paparazzo waar hij nog met zijn haren door de war op stond. Dat kon er nog wel bij, meende Knap, en zo'n uitzonderlijk geval was Hiltermann nou ook weer niet op het journalistieke veld van eer met z'n gemankeerde aanval op Jan J. Janssen jr..
De media deden liever niet aan kritiek in eigen zaak; ze waren al de hele dag met kritiek op van alles en nog wat bezig. Ze schreven theaterproducties de grond in, ze wisten precies welke boeken er leesbaar waren en welke meteen de papierversnipperaar in konden, welke museale uitstallingen een bezoek waard waren en welke films er bekeken moesten worden. Op het terrein van de kritiek hielden de media alleen zichzelf als cultuurproduct bekwaam buiten schot.
Terwijl de echte kranten juist waren ontstaan uit de nijpende behoefte om commentaar te leveren op andere kranten, vijandige organisaties en onwelgevallige maatschappelijke bewegingen, om zodoende een politieke factor te worden en onder de eigen lezers een geacht instituut te zijn. Maar de echte kranten waren onder druk van gedeelde economische en redactionele belangen allang maatjes van elkaar geworden. Vrienden hielden van elkaar, maatjes waren tot elkaar veroordeeld als de gevangen haringen in een ton.
Langs de holding, de directies, de hoofdredacteuren, de bezorgers, de collega's die in de commissie zaten die voor na de jaarvergadering van de vakbond het vertier moesten bespreken, de jury's die de prijzen uitdeelden, de bestuurders die de fondsen beheerden. Op welk niveau waren ze niet gelieerd? Het gebeurde niet steeds officieel en op afspraak, vaak uit onbenul. Meestal, knorde Knap.
De kranten en omroepen raakten steeds verder verwijderd van zoals ze elkaar ooit naar het leven stonden toen ze er hier nog een betere wereld van wilden maken, de hoofdredacteur nog een idee had hoe die er uit kon zien en het karig loon, ach, dat was in alle opzichten een beloning. In historische beschouwingen lieten journalisten zich graag voorstaan op voorgangers die in diepe armoede leefden, het cachot in gingen voor de waarheid, of die meer recent hun leven hadden gewaagd en gegeven, en hun vrouw ook nog. Maar daar was helemaal niets van overgebleven.
Als het nu mei 1940 was geweest, Knap keek om zich heen en hield de lippen stijf op elkaar in de zekerheid dat niemand wist wat hij dacht, dan zouden alle kranten gewoon blijven verschijnen, gingen ze Hitler of Mussert uitgebreid interviewen, Hitler een beetje pesten met z'n rare kapsel en die snor, vonden ze het tegen mei '45 ook nogal schandelijk zoals de vrouwen, kinderen en bejaarden het slachtoffer werden van de geallieerde bommen. En dan die arme meisjes, die kaal werden geschoren en met pek besmeurd door de straten werden gejaagd. Zulke reportages, dat was nu eenmaal hun journalistieke opdracht. Uiteraard hadden zij gedurende die vijf jaren rekening moeten houden met de wensen van de vijand, zeiden ze achteraf. Zo gaat dat nu eenmaal bij hoor en wederhoor. En men moest niet denken dat het voor al die moffen zo een pretje was geweest. Trouwens, die van het verzet, als je achteraf hoorde wat die allemaal uitgevreten hadden. Nee, die Tweede Wereldoorlog, daar moesten we het maar niet meer over hebben. Dat scheelde in de moderne journalistiek een hoop gelazer. Mocht het ooit nog zover komen, dan was de illegaliteit voor de amateurs.
Langs dezelfde lijnen van liefst maar vergeten was er inmiddels ook weinig loos als de abonnees onderling van krant wisselden. Broekzak, vestzak. De krant als economisch product. Elk kwartaal werd in het oplageoverzicht juichend gesproken over het gezamenlijk landelijk verspreide papier. Daar ging het altijd goed mee, als ze maar het juiste vergelijkingsmateriaal erbij haalden. Want lezers, vroeg het aan elke journalist, ze vormden het meest onhandige aspect van alle kranten. Ze waren lastig en brutaal, en dat mocht niet eens hardop gezegd worden. Niemand kon van ze op aan.
Dat weglopers de consequentie konden zijn van de wijze waarop de journalisten met hun vak en hun product omgingen, dat wilde niet doordringen. Over die kant van het vak was ze op hun mulo niets wijs gemaakt. Als zoiets zich in de branche van de champignontelers voordeed, dan werden ze getipt en wisten ze precies wat daarvan te denken, daar spraken ze graag schande van in een extra lang artikel in het zaterdagse magazine met een hele mooie en grote illustratie erbij van een giftige paddenstoel.
Het was alleen maar erger geworden sinds het management had bepaald dat de belangrijkste groep lezers voortaan de jongeren en boodschappers waren, de rest deden ze er voor niets bij. ,,We moeten voor de ongeletterden gaan schrijven?” had Knap meewarig aan zijn hoofdredacteur gevraagd. Ook dat had die nooit meer willen horen. De doelgroep van boodschappers en jongeren had de commerciële televisiezenders geen windeieren gelegd, dus dan konden de kranten daar hun voordeel mee doen. Ouderen die eisen aan een krant stelden, die 'waren niet meer van deze tijd'. Alles wat niet
van pas kwam, werd niet meer van deze tijd genoemd. Zoals elke derderangs artiest bij een woord van kritiek plechtig verklaarde dat men in dit land niet met zijn hoofd boven het maaiveld uit mocht steken. En dan keek 'ie er bij van: zo, die zat, dat moest maar eens hardop gezegd worden. Dan knikte de journalist instemmend.
Ooit, nog niet eens erg lang geleden, werd iemand voor achterlijk versleten als 'ie geen krant las. Wie er een 's middags bij de buren leende, zat al in de asociale hoek. Inmiddels was er een generatie aangetreden die niet beter wist dan dat het hele leven gratis was, zeker als je het een beetje handig aanpakte. Internet had diefstal, inbraak, overspel en andere gluiperigheden uit de tien geboden verwijderd en tot eenvoudige burgerpret gemaakt waar iedereen recht op had. Als iets te pikken was, dan was je een dwaas als je het niet deed. Uitgezonderd de handtas van een oude opoe, natuurlijk, na elf uur 's avonds. De meeste muziek was gepikt al voor de cd op de tv was aangeprezen. Rippen was een woord dat vooral onder jonge muziekliefhebbers bekend was en onder drugshandelaren die elkaar op gewelddadige wijze de negotie afhandig probeerden te maken. De nieuwste speelfilms werden nog voor de portier de rode loper had uitgerold al wereldwijd gratis bekeken. Alleen als de jongelui er een beetje comfortabel bij wilden zitten, gingen ze naar de bioscoop. Zo gek was het niet dat een deel van de jeugd op dezelfde manier een geparkeerde scooter, de bank of een juwelier benaderde. Mijn en dijn was meer een filosofische kwestie geworden die niet besteed was aan generaties die niet eens wisten wat een filosoof was.
Maar als die jongeren dus nou eens allemaal naar hun
gratis websites konden worden gelokt, droomden de bladenmanagers verlekkerd. Die gasten zaten toch al de hele dag aan de computer of aan hun mobieltje, in plaats van dat ze op school wiskunde leerden of biologie. Daar zouden de adverteerders dan weer in drommen op af komen met hun reclamespotjes voor producten waar ook het woord gratis de hoofdrol in vervulde.
Het was nog niet allemaal ingevuld, maar op die manier zou alsnog het nieuwe krantenparadijs kunnen uitbreken. Met liefst alle echte kranten samen op een en dezelfde website, want ze schreven onder elkaar toch al ongeveer hetzelfde, wéér volop advertenties erbij. Dan werd het alsnog een florerende miljoenenonderneming die naar de beurs wilde. Alleen, hoe trok je alle aandacht van die jongelui?
Sinds de flarden van die glorieuze toekomst waren doorgedrongen tot de redactie, keek elke hoofdredacteur 's morgens nog voor hij zijn jas had uitgedaan schielijk in de computer bij het abonnementenbestand en dan haalde hij opgelucht adem: niet allemaal meer, maar er zijn er nog steeds, abonnees! Desgevraagd hadden ze het tegen buitenstaanders over de nieuwe media zoals de portier van de EO over God. Te blijmoedig, te zelfverzekerd en stiekem te ongelovig. Tegelijk was aan hun ogen te zien hoe ze wanhopig smeekten: in godsnaam, laat ik het bij het rechte eind hebben. Want ook heidenen kennen hun momenten van grote innerlijke twijfel over hun toekomst. Als het zijn tijd dan maar duurde. Want hij hoorde makkelijk driemaal daags uit zijn nieuwe doelgroep dat ze met hun hele zogenaamde dode bomen journalistiek op een doodlopende weg waren gestuurd. Zwetend en
trillend maakte elke hoofdredacteur dan gauw de post open om te zien of er al een nieuwe uitdaging bij zat.
Wat er ook allemaal tegelijk door zijn hoofd spookte, Knap maakte tempo met Hiltermanns stuk. Terwijl de scepsis toenam. Een tijdje terug had mr. Jansen van Galen, een steeds opgewekte maar licht aangeschoten advocaat die met Knaps mooiste nicht was meegekomen op een familiefeestje, na een paar glazen witte wijn onthuld dat ze bij hem op kantoor, indien nodig, ,,en dat is doorgaans het geval,” aanklachten, rechtbankverslagen en andere reportages over hun criminele klanten door stagiaires lieten herschrijven. ,,Jij denkt dat ik alleen bij de televisie zo naar binnen kan lopen?” De tv, dáár kende Knap dat gezicht van. ,,Eén telefoontje en ik heb mijn publiciteit in de krant net zo makkelijk.”
Knap had om namen gevraagd, in de zekerheid dat daar in die kringen prudent mee omgesprongen werd, maar hij had ze meteen gekregen, tot die van een van zijn eigen collega's aan toe en die van kranten wier namen de advocaat vol ontzag had uitgesproken.
,,Bij de tv,” had de maître uitgelegd, ,,zitten ze vaak omhoog om een kritische vraag bij een moeilijk onderwerp. Bellen ze mij. Willen ze weten of ik eventueel tijd heb en dan etaleren ze zo uitvoerig mogelijk hun onkunde. Een uur later bellen ze terug dat ik toch niet hoef te komen. Sans rancune. Dat is mijn relatiegeschenkje. Als zo een blond sukkeltje, dat aan de slager nog moet vragen hoe lang ze een biefstukje moet bakken, mijn inbreng een beetje geloofwaardig voorleest, kunnen ze de volgende keer moeilijk weigeren als ik met een itempje van mezelf opbel. Leer mij de moderne journalistiek kennen.”
Henri Knap had het hoofd gebogen. De idealistische armoedzaaiers van een halve eeuw terug waren in meerderheid zelfingenomen informatiehandelaren geworden die een hoogdravende redenen hadden gevonden voor hun wangedrag: de absolute persvrijheid als de belangrijkste pijler onder de democratie.
,,Vriend Knap, was het toch, Knap? Het is een vreemde markt, die van de journalistiek. Of vertel ik iets nieuws?” De advocaat was zo dicht bij hem komen staan dat hij alles rook: zweet, knoflook, sigaren en de Chanel nummer 7 van Knaps mooiste nicht. ,,De verkopers staan aan beide zijden van de kraam. Soms heb je van die kwesties, daar maken die gasten dan later een boek van. Komen ze bij mij langs: of ik hun verhaal wil autoriseren, kijken of ik juist geciteerd ben. Herschrijven bedoelen ze. Heb ik nog nooit één cent voor gezien. Geen bloemetje, geen flesje wijn, geen handje. Soms zelfs geen uitnodiging voor de vernissage. Zulk ondankbaar volk is dat. Maar jou mag ik. Als jij omhoog zit met voor tien jaar aan niet te beantwoorden vragen, bel mij gerust.”
,,Interessant. Jij nog een keer van hetzelfde?”
Knap had Jansen van Galen voor de rest van de avond zoveel mogelijk gemeden, maar zijn woorden raakte hij niet meer kwijt.
Henri Knap, de misdaad en waar dat niet allemaal toe kon leiden. Als hij eenmaal met pensioen was, dan zou hij daar nog eens werk van maken. Een boek. Als je kleine berichten in de krant kon schrijven, dan moest een heus boek warempel ook wel lukken.
Hij was er nog een uit de tijd van de misdaad van de eeuw. Daar had je er in elk land een stuk of wat van. En
een rits boeken met zo'n titel. Hoewel er tegenwoordig niet noemenswaardig ruiger werd gemoord, werd er elke week minstens een misdrijf opgepijpt tot een drama dat vijftig jaar geleden het hele land gedurende een eeuw op zijn grondvesten had doen schudden. Alle ingrediënten werden tegenwoordig gretig aangereikt, aangekleed, aangedikt en geromantiseerd. De belabberde beeldkwaliteit van de bewakingscamera's deed vermoeden dat de beveiligingsbranche in handen gevallen was van de onderwereld. Dat maakte het er extra spannend op: altijd onherkenbare echte boeven. Met die ingrediënten werd de kijker actief bij de misdaad betrokken. Terwijl hun gemoed tot rust zou komen bij een verslag van de veroordeling van de dader, kwam het zelden zo ver. Tijdens de straatinterviews gingen zij ervan uit dat al die allochtonen na een week in een hotel van een cachot, weer op straat stonden en moordend en verkrachtend hun weg vervolgden.
Voor hij het wist zat die keurige heer Henri Knap van de Hollandsche Nieuwe langs zulke gedachtekronkels voor in het nachtrapport te bedenken hoe zijn krant morgen het voortouw zou kunnen nemen met follow ups over Dresselhuijs, Rodgers en eventueel nog iets over die laatste liquidatie. Hij had de telefoon al in handen gehad om Faas er over te bellen toen hij bedacht dat het morgen vrijdag was en op zaterdag en zondag verscheen de Hollandsche Nieuwe niet. Dat was nog zo een voordeel van werken bij een gratis krant: een lekker lang vrij weekend. Hij moest er nog aan wennen.
Echte kranten verschenen niet op zondag. Nederland was het enige beschaafde land zonder krant op de dag des
Heren. Misschien zag je daar juist de beschaving aan af, overwoog Knap. Eén dag geen sensatie. Toen een krant het eens had aangedurfd om op zondag te verschijnen, werd er zo hoog van de toren geblazen over de diep gevoelde wens van hun lezers om ook op zondag voor vol aan gezien te worden, dat iedereen de mislukking al van verre zag aankomen. Volgens eigen onderzoek betaalden de abonnees graag iets extra's om op zondagmorgen een verse krant na de wekelijkse vrijpartij te hebben.
Na een paar jaar gepruts stopten ze weer met hun zondagsblad want de verliezen liepen te hoog op. Niemand die 'm miste. Werden ze weer voor leeg aan gezien.
Kranten en hun onderzoeken in eigen zaak. Toen Knaps laatste hoofdredacteur voor een vermogen een onderzoeksbureau had afgehuurd om onder de redacteuren het grote gelijk van zichzelf, zijn beleid en zijn visie te peilen, en zoveel was er niet eens van hem, waren ze met hun vragenlijst niet bij Knap langs gekomen. De hoofdredacteur had zijn naam van de lijst geschrapt, want hij kon geen kritiek gebruiken. Toen Knap daar wat van zei, kreeg hij te horen dat hij zulke onderzoeken toch wantrouwde? Dus dan loonde het bij hem de moeite niet. ,,Bovendien: de uitslag is al binnen.”
Knap was de onderzoeker later eens op een borrel tegengekomen en had hem daar van verteld. De onderzoeker had slechts vriendelijk geglimlacht: ,,Dat had voor de uitkomst van mijn onderzoek niets uitgemaakt. Ik calculeer altijd in dat zestig procent van de redacteuren zonder te weten waar het over gaat aan de jaspanden van de hoofdredacteur hangt. De antwoorden van de kansloze minderheid vul ik dan net zo makkelijk zelf in.”
Knap knikte bereidwillig: ,,Eigenlijk heeft hij helemaal niks aan jouw onderzoek.”
,,Niks? Voor een mooi bedrag kan zo'n type weer een tijdje uit de voeten.”
Toen de laatste paginaproeven van de printer rolden, had Knap tevreden tegen niemand in het bijzonder gefluisterd: een mooi krantje en dat is 't. Hij stuurde ze door naar de drukker en beloonde zichzelf met een espresso op de gang bij de automaat naast de lift, die van de ontwikkelingsmaatschappij was die het gebouw in beheer had. Het verloop onder de bedrijven was dermate groot dat zo'n automaat tweedehands nog maar een schijntje kostte. Er moest een euro in de gleuf gestoken worden. Het resultaat van het aanstellerige lawaai mocht geen espresso genoemd, maar Knap was al blij dat er geen latte macchiato of iets anders aanstellerigs uit kwam. Hij liet zich dit moment van tevredenheid door niets ontnemen. Hij rook aan het bekertje alsof het witte wijn was. Toen hij voorzichtig laverend weer op de redactie arriveerde, want heet bleef zo een kuipje wel, hoorde hij zijn telefoon al over gaan.
,,Rodgers.” Hij sprak gedecideerd en liet een stilte vallen die de andere kant in verwarring moest brengen. ,,Richard Rodgers, hier. Heer Knap, fijn u eens te spreken. U krijgt van mij een geheel nieuwe versie van het verhaal van uw heer Hiltermann. Ik heb dat zojuist doorgenomen. Er zitten een paar belangrijke onnauwkeurigheden en essentiële omissies in die ik er uit en er in heb gehaald. Voor die arme man er maar last mee zou krijgen, Hiltermann bedoel ik. U kent de wereld een beetje waar hij over schrijft? U weet van de liquidaties? Het is geen klein bier
waar ik het over heb. Ik waarschuw maar.” Hij klonk verdraaid scherp ineens.
Knap dook in het journalistieke schuttersputje: waar bemoeit u zich mee? Maar dan elegant verwoord: ,,Goed dat u dat kritisch gelezen hebt, maar veel verder gaat de reis helaas niet, mijnheer Rodgers. De persen draaien en ik zou minstens eerst met Hiltermann en onze hoofdredacteur Lücker overlegd moeten hebben voor ik ze stop kan laten zetten, in afwachting van uw versie.” De persen moesten nog gaan draaien, maar dat hoefde de beroemde maître niet te weten.
,,Dat overleg zal voor wat betreft uw Hiltermann niet lukken, beste Knap. Hij heeft ons zojuist in haast verlaten in gezelschap van mijn beste secretaresse. Hapje eten of zoiets, denk ik. Maak er verder geen drama van, man, het gaat over de feiten. Voor uw gemoedrust kan ik u melden dat ik uw heer Hiltermann in het recente verleden vaker en steeds tot zijn volle tevredenheid terzijde heb gestaan. Ga mij nou niet net doen alsof jullie dat niet wisten. Dit is niet de eerste keer dat ik bel met wijzigingen. Heeft die Goedzak, of hoe heette die vent, soms een vrije avond?” Rodgers liet gaandeweg zijn stem zakken tot Knap hem nauwelijks meer verstond. Een truc om hem te dwingen om een herhaling te vragen, zodat de werkelijkheid goed tot hem doordrong.
Knap schudde zijn hoofd, wat ten opzichte van Rodgers niet hielp, keek op de klok en beloofde nog eens goed naar de tekst te zullen kijken.
,,Dat is het? Uw naam was Knap, zei u, nietwaar? Vreemde achternaam voor een man in uw positie. Mag ik u waarschuwen dat de aansprakelijkheid thans geheel bij u
ligt. En wat misschien nog belangrijker is, bij uw heer hoofdredacteur, tevens mijn plaatsgenoot en goede vrind Joop Lücker. Het zal u bekend zijn dat onjuistheden in de pers behoorlijk in de papieren kunnen lopen?”
De toon was onaangenaam dreigend geworden. Knap wachtte tot mr. Rodgers zou ophangen, maar dat duurde, een, twee, drie tellen. Blijkbaar vertrouwde hij erop voldoende schrik aangejaagd te hebben om Knap tot een voorzichtige terugtrekkende beweging te verleiden. Tenslotte hoorde hij toch de piepjes.
Knap wist dat Rodgers' kantoor deze keer de verkiezing van 'De maître van het jaar' zou organiseren en dat Lücker er oren naar had om de borrel na afloop te sponsoren, waar hij dan zelf ook nog wat kon netwerken. De uitslag van de onderlinge populariteitspoll was het hoogtepunt van de avond. Op een verantwoord, onafhankelijk, extern, eerlijk effectiviteitsonderzoek zat niemand te wachten. Mr. Rodgers had vorig jaar op het ereschavot gestaan en daar deze keer de organisatie aan overgehouden. En hij was ook al een keer de Grootste Beffer geweest, een ereprijs die gesponsord werd door een bierbrouwer, voor de maître die de meeste tv-minuten van het jaar had gemaakt.
Er bestonden de vreemdste consumentenorganisaties en nog vreemdere tv-programma's die voor gedupeerde klanten opkwamen. Maar er was gek genoeg nog geen organisatie die de grootste boeven tot de kleinste criminele rechtzoekers vertelde op welke juristen zij maar beter geen beroep konden doen voor hun evidente gelijk in hun vaak kansloze zaakjes.
Knap rende hijgend met zijn muis in de klamme hand door de tweede versie van Hiltermanns verhaal die van
de computer van mr. Rodgers was verzonden. Hij had binnen een paar regels gezien dat het niet om zo maar wat tikfouten of enkele vergissingen ging, maar om een complete bewerking die uiteindelijk nauwelijks meer leek op het oorspronkelijke stuk van Hiltermann. Diens verhaal was door de ingrepen ook een halve kolom langer geworden en daarmee definitief onplaatsbaar.
Knap dacht er onder deze omstandigheden niet over om ook nog eens te gaan schrappen in het werk van mr. Rodgers. Al te kruidige passages waren vervangen door onnozele terzijdes, ingewikkelde juridische terminologie en nonchalante verwijzingen naar wetsartikelen die geen mens paraat had. Waar Hiltermann met twee woorden klaar was voor een typering, daar had mr. Rodgers een genuanceerde alinea nodig die er bij lag als een verjaardagsballon de volgende morgen.
Knap, aangesproken op zijn journalistieke vaardigheden, legde de advocatenversie weloverwogen terzijde. Het had weinig zin om op dit uur Lücker te bellen en alsnog om raad te vragen voor wat betreft zijn ongetwijfeld sympathieke buurman mr. Rodgers. En dan nog, de krant was naar de drukker.
Maar het kon geen kwaad om Hannelore Faas onder deze omstandigheden even te spreken. Zij had per slot van rekening gevraagd om gebeld te worden en Knap was zo opgewonden geraakt van deze première-avond, dat hij door haar geprezen wilde worden. Die gedachte monterde hem zo op dat hij haar nummer twee keer verkeerd intoetste. Daar lag zij reeds in haar negligé te wachten.
,,Zeg het eens, Knap?” Hij had niet eens gehoord dat ze opnam. Ze klonk streng en zakelijk. ,,Problemen?”
Hij had willen vragen of hij gelegen belde, of zij mogelijk al te bed was met een mok warme chocola, maar hij hoorde gezellige volksmuziek op de achtergrond, mogelijk van de tv. Hij stak van wal alsof ze samen op de redactie overlegden.
,,Het heeft geen haast meer, want alles ligt al bij de drukker, maar dat stuk van Hiltermann dat blijkt geschreven te zijn in overleg met advocaat Rodgers. Die ken je? Dat geeft mij een ongemakkelijk gevoel. Die vent belde te laat op met een hele hoop veranderingen. Ik heb gezegd: dat lukt natuurlijk niet meer. Hij liet geen enkele zin van Hiltermann heel. Dat zul je dan altijd zien, die was al de hort op. Zo werkt dat niet, heb ik tegen Rodgers gezegd. Bij een krant…” Knap struikelde over zijn woorden.
,,Kort en goed, die wijzigingen heb je niet ingevoerd? Dat lijkt me een verdedigbare keuze, Knap. Nietwaar?”
Daar belde hij niet voor. ,,Het gaat mij erom dat die Rodgers morgenvroeg natuurlijk als eerste aan de lijn hangt bij zijn buurman, onze zogenaamde hoofdredacteur, beter bekend van zijn wastafels.” Hij grinnikte maar zij reageerde niet. ,,Dan moet hij ook van de hoed en de rand weten, voor hij met zijn opportunisme en andere persoonlijke voorkeuren dwars door onze analyse heen fietst. Het is ons natuurlijk in de eerste plaats te doen om de journalistieke kwaliteit, maar wij zullen ook wat te stellen krijgen met het figuur Hiltermann. Misschien kun jij morgenvroeg als eerste…”
,,Dat zal ik tijdig met hem doornemen. Wees gerust. Verder had jij geen bijzonderheden?”
,,Dat is te zeggen. Dat verhaal van Blokzijl is ongeschonden door, maar dat is eerlijk gezegd van
hetzelfde laken een pak, zeg maar gerust een hele garderobe. Dat is niet alleen ingestoken maar al in eerste instantie helemaal door hem zelf uitgeschreven. Juffrouw Faas,” hij merkte dat hij al te formeel tegen haar sprak alsof zij een autoriteit was, ,,het is zonde dat ik het zeg, maar zo'n avond als deze geeft mij niet het gevoel dat ik als eindverantwoordelijke nog veel met de journalistiek van doen heb.”
,,Hoe komt Dresselhuijs er bij Blokzijl van af?”
Hij moest zich even herstellen. Waar kwam deze gedetailleerde belangstelling vandaan? ,,Zij? Eh, goed. Zij heeft nergens wat mee te maken, beweren wij morgenvroeg. Het gaat over een fraudegevalletje. En als je het goed leest, die notaris van haar eigenlijk ook niet. Ik zou zeggen: geheel in dienst van de Dresselhuijsjes.”
,,Nergens iets over Gracia? Mooi. Dank, dat je overleg hebt willen plegen, Knap. Een goede nachtrust gewenst.”
Knap zat verbaasd naar zijn telefoon te kijken. Het ging er onverwacht praktisch professioneel aan toe op de Hollandsche Nieuwe, al ging het inhoudelijk allerminst volgens de regels van de journalistiek en eigenlijk ook niet over de regels van Lücker. Faas had zich in een razend tempo ontwikkeld tot een, hij waagde het bijna te zeggen, tot een manager die hem kort aangelijnd hield en precies wist wat zij wel en wat zij niet wilde horen. Hoe die krant er uit zag, ach, dat was van later zorg.
Hij stond op, toen zijn telefoon opnieuw tekeer ging, want zo klonk het hem in de oren.
,,Goddomme, Knap, wat hoor ik, jij hebt Rodgers geschoffeerd? Hoe dacht jij anders dat Hiltermann aan zijn informatie komt? Moet ik jou na vijfendertig jaar het vak
nog leren? Weet je dat die man mijn buurman is? Wij strijden samen tegen dat milieugajes dat elk zwembad in de achtertuin wil verbieden, onder meer. Jij kunt de drukker niet meer bellen natuurlijk. Nee, 't is kwart voor elf geweest. Ik kan moeilijk de hele oplage laten verbranden, er moet al genoeg geld bij. En laat dat nou toevallig allemaal mijn geld zijn! Hier krijgen wij, wat zeg ik, hier krijg jij groot gelazer mee, Knap, dat kan ik je verzekeren.”
Het werd ineens stil, alsof Lückers hart het begeven had. Maar aan de geluiden te horen had hij zijn hand op het microfoontje gelegd en overlegde hij met iemand.
,,Knap? Ik ga Rodgers zelf bellen. Als 'ie nog op is, zal ik hem ons probleem uitleggen. Dat jij tot het laatste moment de krant open hebt gehouden, maar dat hij met zijn versie helaas door de deadline heen is gegaan. Technisch onuitvoerbaar, qua herstellingen. Gaan we in de maandagkrant een mouw aan passen. Zoiets. En dat het jouw eerste avond was.” Hij pauzeerde even. ,,En waarschijnlijk ook je laatste.”
,,Hallo, hoofdredacteur? Wij gaan toch niet op onze knieën voor mr. Rodgers? Dat is geen geloofwaardige bron, helemaal niet nu ik van die connectie bij jullie op het dorp weet. Journalistiek begint met de a van achterdocht niet die van achterlijk.” Achter hem vertrokken de laatste leden van de a van avondploeg.
,,Jij bent hedenavond erg principieel, Knap. Misschien iets te principieel voor een topfunctie bij de Hollandsche Nieuwe. Jij hebt er toch per ongeluk niets over dat wijf met die stomme kont doorheen laten glippen? Met de a van afvalverwerking, zal ik maar zeggen.”
,,Gracia? Ik heb niets gezien. Met de z van zeker.”
,,Dan is er tenminste nog iets goed gegaan. Ik ga bellen. Wacht, Knap.” Er werd gesmoesd. ,,Jij bent hier vast beter bekend. Weet jij in de buurt van het Hilton een benzinestation waar ze onze bakken hebben staan? Voor morgenvroeg?”
,,Een benzinestation? Ik heb niet eens een rijbewijs.”
Knap legde de telefoon neer, terwijl hem een gevoel overviel dat hem al tientallen jaren zelfs niet had benaderd. Hij liet een vloedgolf jaloezie over zich heen komen: Faas zat bij Lücker in het Hilton. Hij zag haar dadelijk niet in de laatste tram naar huis zitten. Zij had blijkbaar ook een sussend woordje in Knaps voordeel gesproken. Daar had hij het maar mee doen.
Hij doofde de lichten ter redactie en liep ontevreden naar de lift.
In een kermistent vol botsende belangen, dubbele agenda's, kruisende prioriteiten, gevaarlijke voorkeuren, falend journalistiek inzicht en een scheutje liefde was weer een vers nummer van de Hollandsche Nieuwe geboren.
Een andere mooie bijkomstigheid van een gratis krant en de moderne techniek was dat een nachtdienst er al op zat ruim voor middernacht en bij de Hollandsche Nieuwe ook nog eens zonder een steeds te actualiseren website voor de gratis profiteurs. Bij gebrek aan sport hoefden ze bij de Hollandsche Nieuwe nooit te wachten op de uitslagen van Europa Cup-wedstrijden. Als er een nieuwe Amerikaanse president werd gekozen, stonden ze niet voor gek naast de andere ochtendkranten, want die hadden de uitslag ook niet. Slechts sommige, ruim tevoren geagendeerde evenementen die voor de noen plaatsvonden, waren het exclusieve terrein van de avondkranten. Met als voordeel voor de Hollandsche Nieuwe dat er geen gratis avondkranten bestonden. Mensen die in ploegendienst zaten, hadden al pech en zaten er qua informatievoorziening ook naast. Die moesten betalen voor een krant, anders zaten ze met een permanente kennisachterstand.
Henri Knap ging amper een uur later dan normaal naar bed, nadat hij zichzelf eerst op twee jonge borrels had getrakteerd, vooruit, nog een dan, omdat ze zo goed smaakten en zijn sentimenten bestreden. Vrouw Knap sliep al. Ze had een briefje op de televisie geplakt met 'Er staat nog bami in de ijskast'. De verse chef nacht had zitten tobben met het gevoel eindelijk weer eens serieus redactioneel werk te hebben verricht, terwijl ergens in zijn
hoofd er volop ruimte was om alles wat hem op deze avond was overkomen als een journalistieke aanfluiting te bestempelen. Het ene na het andere bericht botste met alles waar hij van overtuigd was en waar hij altijd in geloofd had.
Als hij heel eerlijk was, vooruit, nog eentje dan, was hij allerlei vreemde verstrengelingen ook al tegengekomen toen hij nog bij zijn echte krant werkte. Daar liep ook volk rond met verdachte connecties, iets te innige relaties met hun onderwerpen, vreemde voorkeuren, foute vrienden, commerciële ambities, om maar te zwijgen over aanstootgevende inzichten, regelmatig onverklaarbare absenties en particuliere belangen, zelfs de hoofdredacteur hield desnoods eigenhandig artikelen uit de krant en niet uit journalistieke overwegingen want die had hij in zijn tijd op de mulo nauwelijks geleerd. Hij ondertekende de volgende dag zonder talmen een petitie tegen het gebrek aan persvrijheid in Rusland. ,,Feiten zijn heilig, meningen zijn vrij,” herhaalde hij zichzelf plechtig als hij om een of andere reden als hoofdredacteur het woord moest voeren voor de televisie. Alsof hij het ter plekke verzon. Terwijl het gewoon een slechts vertaling was van een oud adagium uit de Britse pers. Bij hem waren de feiten nooit heilig geweest en zijn meningen waren gepikt.
Onder diezelfde wapenspreuk werden in de echte kranten de rectificaties, helemaal als die langs juridische weg waren afgedwongen, een monument van zelfoverschatting en tegelijk minachting voor zowel het onderwerp en de uitspraak, als voor de lezers en de feiten. Tenzij het natuurlijk een bagatel betrof, want futiliteiten werden tegenwoordig met een ongekende ruimhartigheid, diepe
buigingen en dank voor de correctie hersteld: Willem de Zwijger was inderdaad niet, zoals gemeld, in 8154 maar in 1584 vermoord. En in het recept voor chili con carne à la minute was helaas de eerste zin weggevallen, daar had moeten staan: ,,Men neme twee potten bruine bonen.”
Zag er fair en volwassen uit. Maar bij een kwestie van iets meer gewicht werd het een gevecht op leven en dood. Als dat werkelijk niet te winnen bleek en als een veroordeling door de rechter niet wenselijk werd geacht, dan resulteerde dat in een zo onbegrijpelijk mogelijke rectificatie, van het soort: indien wij in onze eerste editie van woensdag 23 juli van ongeveer vorig jaar, in een artikel op de voorpagina onder de kop 'Dominee Jansen kan niet van kleine meisjes afblijven', geheel ten onrechte de indruk hebben gewekt dat dominee Willem Jansen van de Keizer Karelweg te Dinteloord, gehuwd en twee zoons van 7 en 8 jaar, seksuele toenadering heeft gezocht tot enkele kleine kinderen in zijn gemeente, van het vrouwelijk geslacht zijnde en niet behorende tot zijn eigen gezin, dan spijt ons dat ten zeerste.
De stank van bederf hing om het hele onderwerp rectificaties heen. Niet in de laatste plaats veroorzaakt door die van de televisie. De kranten koesterden de bonus, dat het op die manier leek alsof alle andere verslaglegging in de krant tot in de kleinste details op waarheidsgetrouwe, onafhankelijke en eigen, strikt objectieve waarnemingen, berekeningen en registraties berustte. En toch bleven de mensen het meeste vertrouwen houden in alle heisa van de televisie.
Verdomme, gromde Knap, die de slaap niet kon vatten.
De dolste verstrengelingen waren alom te vinden. Een
echte autoredacteur hadden ze bij zijn oude krant lang niet gehad, bedacht hij. Daar was te weinig belangstelling voor. Schrijven over nieuwe auto's, dat was geen journalistiek, dat was reclame maken.
Omdat andere kranten het wel deden, had de toenmalige redactiechef een kennis aangetrokken die een auto had en die journalist wilde worden. Vanaf de eerste dag probeerde hij van zijn wekelijkse autohoekje van niks een hele pagina te maken. Paar regels extra, grote foto, uitgebreid verslag van de autotentoonstelling te Milaan. Om steun voor zijn streven te verwerven, mocht af en toe iemand van de redactie een nieuwe wagen uitproberen. Het aantal modellen nam in hoog tempo toe en hij kon dat spul niet allemaal zelf afraggen op Zandvoort.
Als tegenprestatie moesten ze in de gaten houden dat bepaalde automerken er niet te slecht van afkwamen in de krant. Liever geen foto's met zo een ding in de kreukels na een ernstig ongeluk, bijvoorbeeld. Liever ook geen vermelding van het merk auto waarmee de rovers er vandoor waren gegaan of gepoogd hadden de bus van de majesteit te rammen. Daar kon zo een fabriek ook allemaal niets aan doen en de schade voor de importeurs was nauwelijks te overzien.
Op een dag werden er twee gloednieuwe bromfietsen ter redactie afgeleverd. Een jonge redacteur had op eigen houtje een nieuwe rubriek verzonnen. Maar dat vond de hoofdredacteur te ver gaan: nozems, die hadden een bromfiets, lezers van zijn krant niet.
Er werd natuurlijk in wankel evenwicht niet schandalig gemanipuleerd met al dat soort zaken, er werd niet krachtig gemarchandeerd, niet keihard gelogen of zo
maar wat verzonnen, ze verkochten zich niet voor een bordje linzen. Het bleef toen ook al in grote trekken lijken op journalistiek, weliswaar journalistiek in een buurtje dat aan een opknapbeurt toe was, maar dat was ook journalistiek. Als Knap dat toen al niet had geweten, dan wist hij het sinds hij bij de Hollandsche Nieuwe werkte. Journalistiek werd óók entertainment.
Het hardst werd er over zulke praktijken geschamperd door redacteuren die thuis, buiten het zicht van de hoofdredactie en verraderlijke collega's, de nieuwste geluidsinstallaties lieten bezorgen, om te testen voor eventueel een artikeltje, maar vooral om er een mooie relatie met de perschef van de multinational aan over te houden: ,,Zeg, ik heb dat persbericht van je ontvangen, maar geef me nog effe 'n quootje, dan kan ik mijn naam er boven zetten. Voor wat, hoort wat, Kees.”
,,Ik heb een nieuwe tv voor je.”
Anderen hadden later de ene internetprimeur na de andere. Hun zolder leek op Cape Canaveral. Allemaal computers in bruikleen gekregen, steeds het nieuwste spul voor handen. Moeder kon niet eens een baan nemen want er moest iemand thuis zijn als de post aanbelde. Vader hield op de krant scherp in de gaten dat er geen collega met zijn hobby vandoor ging. Elke dag wel werd de hoofdredacteur benaderd door weer een ander redactielid die hem waarschuwde voor de onbekwaamheid en het volstrekte gebrek aan kennis van een collega die blijkbaar een gat had geschoten in zijn particuliere liefhebberij.
Knap grinnikte bij zoveel herinneringen aan de praktijken waar iedereen over zweeg maar waar andere bedrijfstakken juist op werden aangevallen. De chef
economie had de gewoonte om als hij zelf geen zin had zijn jongste verslaggevers naar persconferenties te zenden waar multinationals en andere grote bedrijven hun jaarcijfers bekend maakten. Hij gaf ze zijn visitekaartje mee om aan de perschef af te geven zodat die wist waar de relatiegeschenken afgeleverd konden worden. Een plastic tuinameublement of een kroonluchter die verdraaid echt leek. In economisch zwakke tijden kreeg hij soms alleen een stropdas bezorgd die hij meenam naar de krant en op zijn redactie verlootte alsof hij hem uit eigen zak betaald had. Nog nooit waren de journalisten zo onafhankelijk geweest. De meesten herkenden omkoperij niet eens als ze hun nieuwe tv aanzetten.
En dan moest die vreselijke, quasi journalistieke ziekte nog bedacht worden van het wekelijks op kosten van de hoofdredacteur en met het vriendinnetje uitgebreid uit eten gaan in de meest luxe, hippe of trendy restaurants van het land. Nieuwe merken potatochips lieten kilo's van die knisperzakken bezorgen, gestoomde groenten in een nieuwe pot werden per gros aangereikt, schoonmaakmiddelen die volgens de kleurige folder vooral bewezen dat dezelfde fabriek tot nu toe alleen pure rotzooi had geproduceerd, bleven voor alle redacteuren tot de dood hun zou scheiden gratis beschikbaar: geef ons een belletje en dat is geregeld.
Maar buiten de deur eten voor de krant, dat was van een aanzienlijk hoger niveau. Daar moest je wat voor kunnen en weten. Dan zat er weer zo een quasi lekkerbek aan zijn tafeltje te verzinnen wat de kok waarschijnlijk had gedacht tijdens de bereiding van zijn tortelduifjes in envelopjes van rode kool met een draadje ondefinieerbaar zuursel. Want
dat was hun fort: eerst zelf verzinnen waar iets op moest lijken en naar moest smaken. Daarna schreven ze op of hij, voor de 135 euro per persoon die uiteindelijk in rekening werd gebracht, daarin geslaagd was of niet.
En geen slaafse stukjes maar snoeiharde kritiek wanneer de kippenvleugeltjes net niet avontuurlijk genoeg gepeperd waren of juist weer zodanig dat het leek alsof het hele kruidenrek in de soep gevallen was. Altijd raak. Of ze merkten als enige kritisch noot op dat een echte sommelier heus niet nodig was in 'Het Putje' in de Hedwigepolder, maar konden ze dan niet tenminste een dienstertje aannemen dat Gewürtztraminer kon uitspreken zonder te spugen over het krokante honingjasje van het voorgerecht, het eendenborstje, dat overigens helaas niet geheel roze was in de kern of net te roze, het was maar net welke kenner er zat te eten. Als ze niets kritisch konden verzinnen omdat de wijn zijn tol eiste, zeiden ze alleen met een omineuze blik in de ogen: ik proef geen evenwicht. Hadden ze altijd gelijk mee. En anders vonden ze de gordijnen niet mooi.
Uit eten was al een diepe belediging voor de historie van de journalistiek. Maar toen een hoofdredacteur ooit in een duur hotel de hele nacht wakker was gebleven met zo een verse stagiaire, had hij er thuis een uitleg aan moeten geven waardoor vanzelf de rubriek 'Uit logeren' was ontstaan. ,,Alles wat gewone mensen ervaren, moeten ze in de krant terug kunnen vinden,” smeekte hij op de vergadering waar alle collega's allang wisten van zijn zijstappen. Zo kreeg elke krant van die rubriekjes.
,,Ik moest mijn vrouw maar eens vragen onze dagelijkse receptenrubriek na te koken,” had Knap opgemerkt tijdens
een dagvergadering bij zijn oude krant. ,,Dan zal ik steeds verslag uitbrengen over wat ik ervan vond. Ook een fijne persoonlijke ervaring die alle lezers zullen herkennen, althans alle drie die dat recept nakoken. Want veel meer zullen er niet door die halve kolom geouwehoer heen ploegen alvorens uit de laatste alinea blijkt dat ze vandaag op eigen risico maar een eitje moesten koken.”
Knap had een speciale hersenkwab voor dit soort opmerkingen. De hoofdredacteur had al niet eens meer geluisterd. Henri Knap wist natuurlijk ook dondersgoed dat het dagelijkse recept driemaal per week werd verzorgd door de vrouw van de chef binnenland. Zij gebruikte haar meisjesnaam zodat geen lezer een verband kon vermoeden. Een fijne bijverdienste waar het gezin een mooie stacaravan van had gekocht, op afbetaling. In werkelijkheid was zij een streng vegetarische vrouw. Haar man klaagde vaak als hij zijn pakje boterhammen diep zuchtend en zorgvuldig open vouwde, zodat zij het zakje morgen opnieuw kon gebruiken. Maar daar merkte niemand iets van in haar recepten. In haar kolom spetterden de spekjes net zo smakelijk op het vuur, als de half om half gehaktballen.
,,Hoezo ongeloofwaardig? Die van sport zijn allemaal voor Ajax, terwijl ze over Feyenoord berichten en PSV,” merkte haar man ter zake op toen Knap aan zijn bureau stond. ,,Alleen, aan hun stukken kun je die voorkeur wekelijks herkennen. Aan de recepten niet.”
Daar had hij wel een punt, vond Knap.
Was dat de laatste gedachte geweest van gisteren of iets uit een recente droom?
Knap was overeind geschoten. Hij luisterde. Het was de telefoon beneden. Dus toch. Dat was hem lang niet meer overkomen, maar de reflex zat er nog in. Zijn eigen nieuwsalarm had hem nog niet in de steek gelaten. Ook niet nu hij net zijn vaste vrije vrijdag had. Hij daverde op een drafje naar beneden. Geen spiertje sputterde tegen, zijn hoofd was compleet in balans en hij hijgde er niet eens bij. Schitterende conditie, voor een kantoorbaan.
Hij dook naar het tafeltje en nam net op tijd op. Nog geen half acht en Lücker al briesend aan gene zijde. Oude tijden herleefden, hij was bij zijn echte krant ook een paar keer uit bed gebeld omdat zijn hoofdredacteur zijn frustratie ergens kwijt moest, alleen dan nooit zo vroeg op de dag.
,,Dit had, goddomme, zo nooit in de krant gemogen.” Lücker sprak elk woord apart uit, donderend als de hoofdredacteur die niet met ontslag hoeft te dreigen om zijn gelijk te krijgen. ,,Ik heb Richard gehad. Goddomme, die goeie man is door jou in grote juridische en zakelijke problemen gebracht. Niet alleen met zijn cliënten, maar ook met zijn collega's. Dat luistert nauw, Knap! Als Rodgers een correctie wil, dan is er wat aan de hand, dan heb jij in te grijpen, hoe lastig ook. Meneer de journalist! Wij hoeven ons niet te laten sturen door jan en alleman, wij zoeken zelf de weg en de waarheid in dat oerwoud dat
wereldnieuws heet. Maar wij weten óók in welke gevallen wij onszelf moeten wegcijferen ten behoeve van een complete en correcte informatie als wij het bij het verkeerde eind hebben. Ik had beter zelf op de krant kunnen blijven. Was goedkoper geweest. Trouwens, ik heb Hiltermann ook al aan de lijn gehad want die vreest dat hij door jouw toedoen nu waarschijnlijk permanent bewaking nodig heeft. Ik ga dat niet betalen. Ik weet niet of jij daarvoor verzekerd bent? Ook niet via die zogenaamde vakbond van je?”
,,Was collega Hiltermann dan nog niet naar bed?”
,,Grap, zeker? Bedenk, hij had de zaak vrijwel rond. Hij weet wie er in coma ligt en hij had er met wat morrelen op zijn manier achter kunnen komen wie de dader was of waar die gezocht moet worden. Hij had mr. Rodgers weggekaapt bij de illustere Jan J. Janssen jr.. Onze Hiltermann ging de Hollandsche Nieuwe in de markt zetten met misdaad als speerpunt. Tot jij in actie kwam met je zogenaamde journalistieke geweten van drie minuten voor twaalf.”
,,Voor die wereld geldt ook dat de vijanden van vandaag de vrienden van morgen zijn. Hiltermann moet voortaan maar zorgen dat zijn verhalen, voor zover het zijn verhalen zijn, op tijd en kant-en-klaar worden aangeleverd. Dan kunnen zulke problemen niet ontstaan.”
,,Dit zijn bij uitstek de zaken die de chef nacht voor elkaar had moeten boksen. Ieder zijn taak. Als ik daar, goddomme, als hoofdredacteur ook nog achteraan moet. Watte?..... Je krijgt Kaas…”
,,Henri? Hannelore Faas hier. Zeg, ik zie net op teletekst verschijnen dat onze Dresselhuijsjes in scheiding liggen.
Hebben wij enig resultaat van ons werk. Het slechte nieuws is: het zijn amper vijf regels en onze krant wordt niet genoemd. Ze pikken in het wilde weg, maar ja, dat wisten we.”
,,Juffrouw Faas, en dat weet u ook, Blokzijl heeft ons beetgenomen.” Juffrouw Faas, hoe kwam hij daar nou bij? ,,Wij hebben de dubieuze voorzet gegeven en de rest mag vandaag scoren. Ik was al bang dat er zo een opzetje achter zat. Blokzijl weet precies hoe hij ze allemaal zijn verzoeknummers kan laten spelen. Ze denken daar net zo over gratis kranten als over commerciële televisie. De media, dat is één grote vlooienmarkt: loven en bieden voor ouwe troep. Als jij ons een exclusieve reactie geeft, dan zetten wij jou met je onnozele Kamervragen bij ons in het journaal, nog voor we aan die 183 doden bij die bom in Pakistan beginnen.”
,,Is het niet erg vroeg op de dag voor een zo uitgebreide evaluatie?”
,,Lücker heeft toch wel genoeg leergeld betaald voor dat ene avondje paraderen met, met…. eh.”
Hannelore Faas wachtte rustig af. ,,Ja? Wat nog?”
Knap hoestte een keer en haalde zijn hele bovenkamer overhoop. ,,Mevrouw Dresselhuijs is geen verdachte en haar man ook eigenlijk nauwelijks. Alleen, hij brengt haar carrière in gevaar nu hij in zo een gerechtelijk onderzoek wordt genoemd. Ook al ben je er aan de haren bij gesleept, dan nog hang je tegenwoordig, dan ben je publiek bezit, dan is elk verzinsel, iedere roddel of leugen vanzelf een onweerlegbaar feit. Gedrukt is gedrukt, gezegd blijft gezegd. Partijleider Dresselhuijs weet dat onze geliefde vrije pers meedogenloos op die notaris van haar
zal inhakken. Na dat stuk van Blokzijl valt er met zo een echtgenoot geen campagne meer te voeren. Dresselhuijs heeft op korte termijn behoefte aan een nieuwe impuls, een beetje getapte verloofde. Iemand moet eens de barrière van de 27 zetels voor de populisten slechten. Zij heeft er sinds een week of drie al geen zetel meer bij gekregen in de peilingen, dat is een veeg teken. Dus liefst een zogenaamde acteur van een soapserie. Liever geen zanger, dat is hier nooit veel soeps. Het kan ook geen kwaad als haar nieuwe relatie behoorlijk in de slappe was zit. Heel aantrekkelijk hoeft hij niet te zijn, wel in zekere kringen bekend en sympathiek ogend bij mensen die toch nooit naar het journaal kijken en politiek ongeïnteresseerd zijn. Hij mag meubilair ontwerpen, een ex-tv baas zijn of een grammofoonplatenboer, desnoods is het een viriele corpsbal van een jaar of 23 die wel in is voor een ruig geintje, als hij maar niet links is. Heb ik het nog niet eens over de liefdesbaby gehad. Dat zijn een paar zetels extra. Hoeft die arme Blokzijl voorlopig niet voor zijn baantje te vrezen.”
,,Had jij bijgehouden wie dat verhaal had doorgegeven?” Faas klonk alsof zij een doodvonnis uitsprak.
Henri Knap aarzelde en bedacht dat hij een scenario had geschetst waar Lücker precies in paste en waar diens laatste verovering, Hannelore Faas, net zo hard het slachtoffer van kon worden als eerder zij die zijn aardappelen elke dag had gekookt. Golfjes van hoop en medelijden klotsten door zijn hoofd. Iemand moest Faas tijdig redden van deze smeerlapperij en daarna troosten.
,,Henri, ik heb er wel eens over gelezen, ik denk niet dat mevrouw Dresselhuijs in een levensfase verkeert om nog
te kunnen filosoferen over een versnelde liefdesbaby als speerpunt van een verkiezingscampagne.”
,,Wij hadden van de week anders nog een zeventigjarige oma uit Columbia op de voorpagina die was bevallen van een kerngezonde drieling. Ik durf te wedden dat Blokzijl op zijn persconferentie straks zijn eigen verhaal in onze krant, een bittere, op Amerikaanse leest geschoeide smeercampagne zal noemen. Nee, de pers kan verder niets verweten worden, die heeft gewoon zijn werk gedaan. Ik hoor het 'm zeggen. En Lücker kan niet hardop beweren dat Blokzijl dat artikel nota bene zelf heeft geschreven. Wat ben jij anders voor een hoofdredacteur, die zulke dingen toestaat? Iedereen weet nu wat er volgens Blokzijl algemeen bekend moet zijn. Daar heeft hij ons voor gebruikt. Je moet het slechtste van de mensen denken om het beste nieuws boven water te krijgen en een beetje vlot in de buurt van de waarheid te komen. Dat is de kern van alle journalistiek. Nog meer nieuws?”
Faas sprak zacht. ,,Joop staat onder de douche. Hij had 100.000 cd's van Gracia besteld om volgende week bij de krant cadeau te geven. Zo doen al die zangers dat tegenwoordig. Ze kopen de hitparade op zodat ze een week op 1 staan. Gaat dus niet door. De uitdeling is afgelast. Onder de bestelling kwam hij niet meer uit. Verkocht is verkocht. Je kent die platenbazen. Die eerste plaats heeft zij binnen. Alleen heeft niemand van onze lezers kunnen horen waarmee, want die cd's gaan linea recta naar de vuilstort.”
Knap probeerde uit te rekenen hoeveel vuilniszakken er nodig waren voor 100.000 cd's als losgeld bij een ontvoering.
Faas was hem voor. ,,Het zijn vijf pallets. Jij hebt tekenbevoegdheid als ze met de leveringsbon langs komen.” Het was een fractie van een seconde stil. ,,Henri, schat, kan ik op jouw discretie rekenen voor wat betreft mijn relatie met Joop?” Faas sprak bijna onverstaanbaar snel en de toon was ineens die van twee oude bekenden die alles wisten van elkaars strapatsen, misschien ooit heel intiem waren geweest en nog steeds op goede voet. ,,Ik bedoel het niet als wisselgeld voor een rampzalige avonddienst. Dat reken ik jou niet aan. Maar ik zou het zo gênant vinden om elders in de media in van die ordinaire berichten terecht te komen. Je kent de pers: jij hebt mij aangenomen, maar dat wordt Joop dan in de schoenen geschoven. Alsof het hem van het begin af aan daar om te doen was. Of mij. Gelukkig kan mijn oude moeder dat niet meer lezen. Heeft hele slechte ogen.”
Zo een oude moeder, die Dresselhuijs na elf uur 's avonds over straat wilde jagen en dan ook nog met het openbaar vervoer zodat zij een exemplaar van de Hollandsche Nieuwe kon meenemen. Nooit eerder had een vrouwelijke collega het tegen hem zo openlijk over een bedrijfsgebonden one night stand gehad, want dat was het tot nu toe. Misschien moest hij zijn tijd afwachten en volstaan met de stilzwijgende trots, dat hij op zijn leeftijd en zij op de hare, allebei volwassen waren geworden.
Lastig, want drijvend op golven van toch weer opspelende jaloezie hoopte hij dat het bij deze ene nacht in het Hilton zou blijven. Eerlijk gezegd had hij al het vermoeden dat Faas toch meer een vrouw van de wereld was dan hij een vent van dezelfde planeet. Met haar kennis van relationele zaken kon zij ongetwijfeld ook een persoonlijke en
effectieve campagne uit haar handtas toveren die haar op korte termijn zou voeren naar Lückers goudpotten aan de Vecht, in de buurt van die van maître Rodgers. Daar kon Knap alleen tegen op als hij aan die loterijen ging meedoen. Zoveel doe je ook niet met een eigengeldje, grinnikte hij, want meer had hij nooit gewonnen. En toen had hij zichzelf weer waar hij wilde zijn. Hij had haar lichamelijkheden in momenten van onnadenkendheid welwillend aanschouwd, maar van dieper liggend verlangen was buiten de redactionele omheining weinig gebleken, hooguit van snel voorbijtrekkende lage lust en dat niet eens zo heel erg, vond hij.
Knap legde de telefoon weg. Faas was zo zelfbewust bezig als tijdelijk redactiechef van de Hollandsche Nieuwe, dat binnenkort een gesprek met haar over een kleinigheid in een scherpe, onaangename competentiestrijd zou kunnen ontaarden. Het waren gevoelens zoals die overal altijd op de redacties hadden gesluimerd. Ook al had hij zelf buiten het circuit gezeten waar elke waargenomen heimelijke knipoog per interne e-mail werd doorgegeven als een volledige geslaagde, wederzijds naar meer smakende copulatie. De anderen wisten alles van elkaar en naar het scheen ook van hem. Zo vaak al had hij collega's zonder herkenbare aanleiding horen monkelen, tersluiks lachen of alleen één harde kreet van 'ha!' horen slaken en dan vielen ze meteen aan op het toetsenbord om deze primeur in hun eigen netwerk verder te geleiden. De krant, die deden ze er maar bij.
De buitenstaander Knap was een paar keer overvallen door de ontknopingen, die zelden een schoonheidsprijs verdienden, maar hem fluisterend werden aangereikt.
Weer twee die je maar beter niet samen in de nachtdienst kon zetten. Openlijke ruzies, collega's die nooit meer met elkaar spraken, zelfs een keer een in de kiem gesmoord handgemeen. Dan maar weer een eenkolommertje in elkaar flansen.
,,Wie was dat?” Vrouw Knap was in haar gele badjas in de kamer verschenen, de groene gieter in haar handen voor haar dagelijkse tournee langs de plantjes, haar brede, buitensporig oranje crocks aan haar moeilijke voeten, maar eerst eens de hemelsblauwe gordijnen opentrekken. Alsof hij Karel Appel aan huis had. ,,Op dit uur?”
,,Dat was de krant,” zei hij op een toon alsof het een echte was. Toen merkte hij pas hoe hij er zelf bij stond voor het aangezicht van de overburen en passanten. Hij spurtte binnen zijn snel afnemende mogelijkheden terug naar boven.
Henri Knap had die ochtend geen enkele reden om de krant te halen bij zijn vaste benzinepomp. Hij had elke pagina van boven tot onder bekeken, de belangrijkste stukken zelf doorgegeven, hij wist precies wat waar stond en vooral waarom. Maar toch en ondanks alles: la joie de se voir imprimé. De woorden dansten door zijn hoofd en ook de gebaren die daarbij hoorden. Zo onweerstaanbaar lokte de verraderlijke geur van de verse inkt dat hij opgewekt naar het benzinestation was vertrokken.
Het was aangenaam fris alsof het een dezer dagen licht zou kunnen vriezen. Hij moest maandag voor alle zekerheid eens vragen of er al wat klaar lag over de Elfstedentocht. Bij de echte krant zetten ze bij de eerste tekenen van Koning Winter, onverwacht natte sneeuw of ijzel tijdens de spits, een paar omgewerkte en opgeleukte
oude stukken nog een keer in de krant. Op de televisie haalden ze zo vast alle nog levende winnaars van stal. Er werd gepreludeerd op drie weken vorst dat het ouderwets kraakte. Sinterklaas kwam er aan, Kerstmis lag op de loer en dan mogelijk ook nog sneeuw en ijspret. Dat lazen de mensen zo graag, daar kregen ze het warm bij, daar verlangden ze naar, dat hele jaargetijde leefden ze liefst in een decor van Anton Pieck.
Verging Kerstmis zonder sneeuw en extra kou, bleef het herfst in januari en bleek februari klimatologisch niet standvastig te duiden, dan werd de focus gericht op het pijnlijke gebrek aan uitzicht op ooit nog één keer een Elfstedentocht. Alsof het tot zo ongeveer tegen de watersnoodramp van '53 elk jaar raak was geweest met de tocht der tochten. Dan bezorgden ze een pagina vol weemoed en verlangen naar afgevroren vingers, tenen, oren of ballen, en naar boerenzonen die niet konden wachten op de prijsuitreiking omdat er thuis gemolken moest worden. Foto's erbij van ijzige vlakten met verderop een eenzame schaatser. Was dat een eland of toch de koningin die haar kind kwam begroeten?
Het was de laatste jaren voor de kranten vechten tegen de bierkaai, helemaal sinds de journaals elkaar beconcurreerden met romantische reportages over twee elkaar bekampende gehuchten die de eerste marathon op natuurijs van 4 millimeter wilden organiseren. Zodra de weerman nog slechts een vage hint had gegeven van een zwak nachtvorstje, werd de strontkar schoon gespoten waarmee ze hun piste onder water konden zetten. Bonken van kerels, alsof de hele wereld meekeek en dikke tranen als die van dat andere gat er net iets eerder bij waren.
Daarna was het weer even wachten qua klimatologische standaardnatuurrampen in de media tot de bouwvak in zicht kwam en de te verwachten hectiek op het steunpunt Lyon van de ANWB een nadere uitgebreide beschouwing verdiende van dezelfde verslaggevers.
Knap nam een paar diepe teugen lucht die zijn hier en daar pijnlijk opspelende borst vulden. Hij betreurde al gauw dat hij in zijn branie zijn shawl aan de kapstok had laten hangen. Kou aan de grond moest, gezien de gevolgen van de CO2 uitstoot, eigenlijk een traktatie van moeder aarde heten.
Hij ontweek, net als Lücker, dat onderwerp als het even kon. Het milieu. Daar had je nooit gelijk in en anders kreeg je het niet. Veel mensen die precies wisten wat ons de komende twintig jaar te wachten stond qua gesmolten Noordpool en de onverwachte bebossing van de Sahara, waren ook geheel overtuigd van het complot van de farmaceutische industrie om ons allerlei ziekten en epidemieën aan te praten waar alleen voor kapitale bedragen tegen in te enten viel, ze waren van de anti-vivisectiebond, ze wisten van de eeuwig brandende lamp, ze bezochten naturistencampings en ze hadden gegarandeerd bekommernis met de eend en zijn lever, het varken zijn geheel en idem de tonijn, de paling, het geitje of het kistkalf, hoewel ze zelf een Borderline Hazewind hadden die op de flat precies de halve vierkante meter van zijn mand en het rondje om de salontafel tot zijn beschikking had. Als je zag waar dat beest elke dag mee werd volgestopt, dan kon je maar beter een gans zijn en een leven lang oefenen voor een nuttig plakje foie gras. Had het kreng nog een beetje eer van z’n bestaan. Maar
doorgaans had zulk volk alle pregnante statistieken paraat waar geen argument tegen stand hield.
Hij realiseerde zich driemaal daags dat het allemaal, nou ja, veel in elk geval de verkeerde kant op ging, maar waarom werd het hem door zijn medestanders zo moeilijk gemaakt om het er in het openbaar mee eens te zijn? Alle tv-stations illustreerden hun alarmerende reportages over het smelten van de poolkap met precies dezelfde beelden van die in zee stortende bejaarde ijsberg. Daarna werd er liefst gediscussieerd met een professor die zei dat het allemaal zo'n vaart niet liep. Dan was iedereen gerustgesteld alsof god zelf had gesproken. Zo werkte propaganda op z'n best. Als de kijkers eerst de snel naderende ondergang van de wereld als een onontkoombaar feit gepresenteerd kregen, werden ze bevattelijk voor elk spatje optimisme. Dan sliepen ze er geen seconde minder om.
Met een gezicht alsof hij tweemaal daags passeerde, sloeg Knap bij de stoplichten maar eens linksaf en vroeg honderd meter verderop, bij die benzineboer die de Zuid-Afrikaanse zwarten had laten stikken, aan de licht gekleurde monteur die hier ongevraagd de olie ververste, waar ze ergens de bak met de Hollandsche Nieuwe hadden verstopt? ,,Meneer, wij verkopen geen haring .” De man keek hem aan alsof hij zulke informatie elke dag gaf.
Knap vond Lückers bak binnen, nabij de toiletten, tussen de condoomautomaat en de alweer in onbruik geraakte swaffelpaal. De laatste krant hadden ze voor hem bewaard. Hij had er meteen een bos rode rozen voor vrouw Knap bij gekocht, alsof hij een echte automobilist was. Zo een bui had hij.
Op naar de bakker waar hij naar de glimmende koopwaar wees. ,,Dat zijn toch de roombotercroissants?” Vrouw Knap vond dat hij, op zijn leeftijd en met in achtneming van het advies van zo een zelfgebakken vermageringsdeskundige die zij op de tv had gevonden, brood moest eten dat het meeste weg had van een ondervloer voor parket. Het was niet lekker, het kraakte alsof er zand in verwerkt was, maar het scheen belegd met alleen een tomaatje al gauw een paar kilo lichaamsgewicht per week te schelen, na verloop van maanden. Je hield helaas die ouwe kop er bij.
Bloemen in de ene hand, plastic tasje met brood in de andere, de Hollandsche Nieuwe onder een oksel geklemd, maakte Knap zich het idee eigen dat iedereen aan hem kon zien dat hij rechtmatig op dit uur van de dag vrij was en zondag pas weer belangrijk werk te doen had. Een nuttig onderdeel van mens en maatschappij. Dit in tegenstelling tot de donkere tijden van toen hij nog werk gezocht had. Toen hij zichtbaar onder een depressie leed. En soms urenlang bewegingloos op een bank in het park had gezeten.
,,Die krant van je heeft maar weer eens gebeld.”
Vrouw Knap zat het echte ochtendblad te lezen alsof het een studieboek was, beide ellebogen op tafel. Zij wees met haar hoofd in de richting van de telefoon.
,,Was de krant van mij een man of een vrouw?”
Het was Lücker. En toen Knap hem te pakken kreeg stond hij net de taxi af te rekenen. Niet in een bui om te soebatten over de prijs en het genoten comfort. ,,Knap? Bevlieging, ouwe makker! Wij zijn een weekeindje naar Milaan. Schoenen kopen. En naar de opera, zegt Kaas. Maandag ben ik terug. Maandag zijn wij terug, zegt Kaas.
Wat Rodgers betreft, je hebt die tekst van hem opgeslagen? Als je die nou naar dat vrouwtje Vlissingen stuurt, dan moet zij er maar wat afstand en tegelijk op bepaalde onderdelen, dat begrijpt zij wel, emotie in brengen zonder de essentie aan te tasten. En wie weet heeft zij er nog een aardige foto bij. Kan mee in de maandagkrant. En laat het Rodgers tevoren lezen!”
,,Nog meer goede ideeën?”
,,Kaas hier gaat een verhaal maken over een weekeindje shoppen in Milaan. Ik bedien het mobieltje voor de foto's. Het is voor in de bijlage die wij binnenkort gaan maken. Dan weet jij dat nu. Werktitel: lifestyle op vrijdag. Wat? Het gaat gewoon Vrij-dag heten, met een streepje, zegt Kaas. We gaan die echte kranten van jou van ons erf af jagen. Wij gaan ze pakken op het enige terrein waar zij nog in investeren. Beetje glossy, volop foto's en te lange interviews met bekende Nederlanders die geen bal te melden hebben en vorige week al in vier tv-programma's over precies hetzelfde zijn ondervraagd. Alsof we de Playboy zijn.” Lücker pakte hoorbaar de bagage op.
,,De details hoor je nog, maar je moet maar zo denken: er zijn tot nu toe een paar honderd Nederlanders op Paaseiland geweest van wie meer dan de helft werd ingevlogen om er een stuk over te schrijven voor de reisbijlage. Dan lichten wij onze lezers liever uitgebreid voor over Torremolinos, Kreta en Cadzand. Watte?... En Milano. Daar komt ten minste nog eens iemand uit ons publiek. Wij laten Paaseiland, Christmas Island en de Pinksterbaai graag over aan onze goedgelovige concurrenten. Ik geloof dat ze ons omroepen.”
Knap had vrouwtje Vlissingen een paar keer gesproken.
Zij begon altijd opgewekt en was doorgaans meegaand. Even afgezien van het gedoe met de foto's van Gracia's zijsprong, maar dat hoofdstuk was zonder discussie gesloten verklaard. Er waren elders niet meer foto's van dat samenzijn opgedoken. Knap had aan haar geen speciaal talent kunnen ontdekken voor een remake van het verhaal van mr. Rodgers. Maar hij riep liever niet nog eens de toorn van Lücker over zich af. Wiens brood men eet, diens woord men spreekt – nog zo een perswet.
Knap nam een slok koffie en hapte in zijn croissant. Als hij nog eens 65 werd en dan elke dag zo te mogen beginnen.
Lückers laatste directieven hadden hem weer op zijn plaats gezet bij de Hollandsche Nieuwe. Als de kern van de journalistiek er van af werd gehaald, de feiten, het schiften van het nieuws, het vinden van dwarsverbindingen, het herkennen van historische verbanden, het zoeken naar perspectieven, het becommentariëren in algemene zin en het aanwijzen van verdachten in het bijzonder, alles met liefde voor kennis, kunde en cultuur, dan bleef van de chef nacht van de Hollandsche Nieuwe een soort SRV-man over, pen en bloknoot gereed om de bestellingen te noteren. Eerder dan als het journalistieke geweten van de avonduren. Knap zocht het nummer van zijn starcorrespondente op.
,,De Hollandsche Nieuwe?” klaterde vrouwtje Vlissingen.
Knap legde de kwestie uit en beloofde zo snel mogelijk de oorspronkelijke tekst van mr. Rodgers te e-mailen.
,,Mijnheer Knap? Stuurt u dan ook een kopie van dat stuk van die Hiltermann? Ik heb de krant niet gezien. Die kun je hier niet krijgen.”
Knap voelde zich als een topkok in een kwijnende snackbar. ,,Stuur ik je. Kan ik van je op aan? Jouw werk staat gepland als de opening van de maandagkrant, tenzij er een behoorlijke ramp gebeurt hier ergens in de buurt.” Hij aarzelde een moment voor alle zekerheid: ,,Of iets anders. De maandagkrant blijft altijd lastig.”
,,Doei!” deed vrouwtje Vlissingen alsof ze elkaar al jaren kenden.
Bij Ajax was het einde in zicht, en 0-1 op het scorebord zag Knap op teletekst waar hij de wedstrijd gratis volgde, een beetje zoals mensen die vlak bij een voetbalstadion wonen de ramen op zondagmiddag openzetten om aan het tribunegeluid de stemming onder de supporters te kunnen peilen, zodat ze niet te zeer verrast zouden worden als straks de stenen door de ruiten vlogen. Vroeger las hij de weekbladen erbij, keek hij af en toe over de rand om de stand te zien. Van de opinieweekbladen was er nog een over, de andere waren onder invloed van de nieuwe journalistieke leiding en wetten armetierige kruisingen geworden tussen de Panorama en de Libelle.
Hij had een boek op z'n schoot maar lezen kwam er niet van. Knap had voor zijn complete informatie beter de radio aan kunnen zetten, maar daar schakelden ze tussendoor steeds over naar wedstrijden waar hij niet in geïnteresseerd was, of waar ze een regionale fan als zogenaamde verslaggever op af hadden gestuurd. Het bleef sportjournalistiek.
Bij hoge uitzondering was Knap deze zondagmiddag ongeruster over de afloop van zijn eigen avonddienst, dan over Ajax. Het was zelfs erger dan in de tijd dat hij bij de echte krant werkte die gelezen werd door zijn complete kennissenkring. Die hadden hem telkens de wind van voren gegeven als het ochtenddrukwerk ze niet was bevallen, desnoods riepen ze het hardop van de overkant van de
straat. Hij trok het zich elke keer een beetje aan. Achteraf vond hij dat toch beter dan de oorverdovende stilte in zijn nieuwe baan.
Bij zijn echte krant had hij een paar keer meegemaakt dat ze op zondagavond soms bijna in paniek naar de onnozelste berichtjes zonder enige nieuwswaarde, stoppers en vullers hadden moeten grijpen toen alle toonbare foto's al waren geplaatst. De afloop van de avonddienst kon soms lang ongewis zijn, maar er verscheen nooit een krant met een half lege pagina: excuseer, abonnees, het nieuws was op.
Zondagavond, het kon altijd nog lastiger worden. Een paar keer hadden ze een belangwekkend ANP-bericht gemist omdat de gespecialiseerde collega vanuit de McDonald's, waar hij tussen de andere gescheiden vaders zijn kinderen zat vol te proppen alvorens ze de rest van de week weer onder het vegetarische regime van dat kreng vielen, de redactie telefonisch had verzekerd: ,,Dat hebben we allang gehad. Dat wist ik drie weken geleden al.” Anders gezegd: bemoei je niet met mijn zaken.
Als hij daar de volgende dag op werd aangesproken omdat alle concurrenten groot werk van het nieuwtje hadden gemaakt en omdat de chef nacht na het sluiten van de krant tot een half jaar terug nergens iets over dit onderwerp in de krantenleggers had kunnen vinden, dan luidde de verdediging altijd: ,,Die van de avondredactie hadden ook duidelijker moeten zeggen waar het precies om ging. Dan was ik meteen naar de krant gekomen. Je kent me.”
Knap had het hele proces van het kranten maken in de praktijk beheerst. Hij had bij zijn vorige krant ook graag
beweerd dat hij, in geval van een grote staking onder het grafisch personeel, of alle zetters ziek en de opmakers met pech onderweg, zelf de persen kon bedienen. Dat bleef afwachten bij de Hollandsche Nieuwe, bij de persen kon hij niet eens komen.
Een keer in zijn hele carrière had hij de afgang beleefd waar hij jaren later nog het schaamrood van op de kaken kreeg. Nadat het op zaterdag totaal onverwacht voor zelfs de meest zelfgebreide weersvoorspellers was gaan sneeuwen, waaien en vriezen, was alle sport afgelast, binnen en buiten. Ook de overige weekeindmanifestaties gingen niet door. Twee collega's van de redactie binnenland hadden om half zes hun chef thuis gebeld dat ze ingesneeuwd waren en niet konden komen. Een paar tellen nadat hij had gevraagd of ze daar een mooie reportage over konden maken, want zo vaak raakten Nederlanders op eigen grondgebied niet ingesneeuwd, en er was ruimte te over in de krant, bleken ook hun telefoonverbindingen bezweken onder de sneeuw.
Henri Knap was ondanks het winterweer naar de redactie vertrokken. Het KNMI had inmiddels de bevolking gewaarschuwd tegen het acute gevaar van het likken aan ijzeren brugleuningen en het doodvriezen voor zwervers. Alleen in geval van nood, zoals het maken van een krant, mochten de burgers zich nog op straat wagen. Er was bijna niemand buiten te vinden, want soms worden zulke adviezen massaal opgevolgd.
Er waren nauwelijks verkeersongelukken om over te berichten, Den Haag was nog op kerstreces, alleen een paar backbenchers verbleven thuis, maar zelfs die hadden geen onderwerp om Kamervragen aan op te hangen en
over de Elfstedentocht konden ze in de krant niet nog eens beginnen sinds ze een week eerder al de laatste winnaar uitgebreid hadden geïnterviewd. Halverwege de avond had Knap mee terug moeten krabbelen naar een oorlogskrant van acht pagina's, inclusief twee met grote eigen advertenties erop, zodat het qua afgesproken papieroverdracht bij de abonnees nog ergens op leek. Doodzonde van die Finse bomen.
Hij had het weerkaartje ten slotte laten opblazen alsof dit het lang verwachte routeschema van de volgende Tour de France was met de proloog en de eerste bergetappe op Bali. En nog kregen ze het laatste gat alleen gevuld door een enorm portret af te drukken van een jarig prinsesje, niet eens bij de eerste tien voor wat betreft de troonopvolging. Hij wist toen al dat hem slechts hoon restte. In reserve hadden ze alleen nog een paar grote artikelen liggen voor het geval de koningin kwam te overlijden. Als de president van de VS die avond van de trap zou vallen, moesten de lezers maar een dagje wachten op hun beschouwingen. Voor de koningin zaten ze gereed.
Allemaal plastic kopij, klaagde Knap alsof het gepruts was van een stagiaire. Maar hij gaf toe, het was goed voor de zielenrust van elke chef nacht om zulke stukken gereed te hebben liggen; het was alleen onverstandig om er gebruik van te maken. Zonder elan geschreven lappen tekst met brutale intermezzo's en arrogante terzijdes van leerling-verslaggevers die bij het afleggen van de majesteit de lezers in de eerste plaats wilden inpeperen dat schrijver dezes persoonlijk niet alleen republikein was maar ook een gezonde hekel had aan alle leden van het huidige
koningshuis. Slordig geformuleerd strafwerk, gemaakt op slappe momenten, als de chef niets beters voor ze te doen wist. Iedereen kon weten dat als het eenmaal zo ver was, zelfs de grootste koninklijke schuinsmarcheerder onder het regime van de dan heersende treurige tijdgeest desnoods zou worden bijgezet als een sympathieke Pietje Bell.
Het was algemeen bekend dat er geheime lijnen liepen tussen sommige hoofdredacteuren en het koninklijk huis. Op de redacties gingen geruchten over sensationele verhalen die de hele nationale historie een onverwachte wending zouden geven, waarin alles onthuld werd wat zij en haar moeder nooit in haar kerstboodschappen hadden kwijt gekund. Daar zou elke op voorhand geschreven necrologie het van verliezen. Maar hoofdredacteuren kwamen en gingen, en het bleef erg lang wachten op die verhalen.
Knap had die befaamde winteravond op de redactie van zijn echte krant met de witte vlag gezwaaid: nog eens twee extra foto's van dampende Schotse hooglanders onder de sneeuw, romantische molen op de achtergrond, links een oude dame die op haar gat was gevallen en overeind probeerde te komen, en nauwelijks een millimeter ijs in het slootje. Tientallen van zulke foto's waren er afgeleverd. Jaren later, als hij zwaar getafeld had, kreeg hij er weer nachtmerries van. Zoiets zou hem niet nog eens overkomen.
Ten behoeve van zijn eerste weekeinddienst bij de Hollandsche Nieuwe had Knap uiteraard al het nieuws nauwlettend gevolgd, zoals elke journalist onder alle omstandigheden diende te doen, het kwam er alleen niet vaak meer van wegens Twitter, Facebook, Linked en
andere warme ware vriendschappen. Bovendien wist niemand helemaal zeker of wat er op radio en tv aan incidenten werd opgevoerd alleen maar werd opgeblazen omdat er ook voor hun in Hilversum niets beters was. Als op zaterdagmiddag een verkeersongeluk met één dode in het radionieuws zat of de uitslag van de zoveelste onnozele enquête over allerlei flauwekul, dan waren dat redelijk betrouwbare signalen dat ze er met hun nagels over de bodem van het potje met nieuws hadden zitten schrapen. Dat voorspelde weinig goeds voor de maandagkrant.
De nieuwsleveranciers van de televisie en de radio konden in het weekeinde tussendoor nog wel eens een extra plaatje draaien of ze rekten de reclameblokken net zo lang met promo's van programma's, tot het toch nog half negen exact was geworden: tijd voor een liedjeswedstrijd. Door de week overkwam ze zoiets zelden. Als 's morgens bij alle omroepen de vracht aan dagbladen, landelijk, regionaal, lokaal en gratis was verknipt, gingen de stagiaires aan de slag.
Met een beetje handige woordkeus leek het voor de luisteraars en kijkers, die meestal toch niet veel verder kwamen dan hun ene krant, alsof het in de ether primeurs regende. 's Avonds vierden de tv-makers met een zelfverzekerde blik de triomfale intocht van het belangwekkende nieuws dat zij uit de derde hand hadden. En anders belden ze Jan J. Janssen jr. om te vragen wat hij vond van een of ander vonnis. De deskundige vond altijd wel wat.
Het zou een fraai en in tweede instantie mogelijk zelfs levensreddend experiment voor alle kranten kunnen zijn om een onverwachte algemene dagbladstaking op een
doordeweekse dag te organiseren en dan te zien of ze in Hilversum en Luxemburg nog steeds een journaal van twintig minuten bij elkaar konden krijgen. Of hoe ze dan zo'n rubriek over het wel en wee van bekende Nederlanders bij elkaar zouden jatten. Kranten veranderden per dag van omvang, maar een journaal duurde elke dag, wat er ook gebeurd was, even lang.
Bij de Hollandsche Nieuwe waren de correspondenten in het land dagelijks goed voor een stortvloed aan bij elkaar geharkt, vaak onbeduidend, meestal krampachtig uit het Engels vertaald spul. Maar dat was het meeste buitenlandse nieuws in de echte kranten ook. Op doordeweekse dagen verdween een groot deel daarvan bij de Hollandsche Nieuwe zonder kruis erover of betaling in de elektronische prullenmand. Alleen in het weekeinde waren ze een stuk voorzichtiger met de deleteknop.
Bij de echte kranten scharrelden de handigsten onder de freelancers tussen vrijdagavond laat en zondagavond het einde van Studio Sport hun kostje bij elkaar. Weinig concurrentie, ruime beloning en alles telde mee. Op de krant waren ze al blij met de details van een ongeval waarbij het slachtoffer gereanimeerd was door de broeders en zusters van de dierenambulance. Foto erbij, waren de lezers gek op. Toch niet meer te redden. Arm egeltje. Of anders een overstekend gezinnetje eenden.
Een ander voordeel van de gratis krant was dat ze daar op zondagavond in geval van opperste nood altijd een actuele fotopagina over buitenlandse filmsterren voor elkaar kregen. Twee pagina's als het moest. Echte Amerikaanse filmsterren konden haar konten nauwelijks keren of zij werden gekiekt. In Europa moesten haar
collega's vaak nog om aandacht bedelen. Men kon veel beweren over de acteerprestaties in de Nederlandse dramaproducties, maar het was hier in vergelijking met de gewaande multitalenten uit de VS in diverse opzichten toch een iets minder groteske artistieke afvalbak dan daar. Dat moest zelfs Knap toegeven. Amerikaanse filmsterren werden vaak door de war gehaald met de karakters die ze gespeeld hadden. Het werd ze behoorlijk kwalijk genomen als ze daarvan afweken in hun eigen tijd.
Het bleef er een quasi onuitputtelijke bron van kleine bijrolletjes en affaires met junks, gevolgd door zwangerschappen, huwelijken, scheidingen, homoseksuele uitstapjes, gevechten, openbare dronkenschappen, ruzies met paparazzi, gefilmde heimelijke ontmoetingen, arrestaties wegens een stickie gerookt, een lijntje gesnoven of een paddo geslikt, kop-staart botsingen voor een groen verkeerslicht, een ander huis betrokken, een nieuw zwembad laten metselen, een ernstig conflict met de ongezeglijke Mexicaanse nanny, you name it, they did it, and every day again.
De Hollandsche Nieuwe deed er zijn voordeel maar mee. Zelfs in de wetenschap van de eindredacteur, die ook wel kon vermoeden dat elke sympathieke Hollandse volkszanger, meewarig en neerbuigend werd bekeken door dezelfde mensen die bij nacht en ontij uren in de rij lagen om een kaartje te bemachtigen voor een concert van een beroemde Amerikaanse zangeres die precies dezelfde larmoyante teksten zong op nog populistischer muziekjes dan de meest platte Hollandse volkszangers, en wier hele leven gegrondvest was op de overtuiging dat homo's vies zijn en abortus moord is: God bless America! Van dat
volk dat als de carrière weer eens op gang geholpen moest worden, z’n intrek nam in een afkickkliniek voor verslaafden aan alcohol, drugs, seks, gokken, enfin, alles waar een mens lol aan kon beleven. Als ze maar medelijden oogsten en bewondering voor hun moed om openlijk een of andere karakterzwakte toe te geven. Alsof ze in een film speelden. Zo lang ze maar geen venerische ziekte onder de leden hadden, want als je daarmee publiekelijk tevoorschijn kwam, was een veelbelovende carrière voortijdig naar de vaantjes geholpen.
De showbizz had eigen regels en wetten die ernstig afweken van wat op de overige bureaus op de redactie nog onder fatsoen en beschaafde journalistiek werd verstaan, zelfs bij de Hollandsche Nieuwe. Maar ja, volop belangstelling onder de lezers, scheen het, dus als het even kon drukten ze elke dag een paar van zulke foto's af.
Behalve op maandag. Dan ruimden ze er desnoods een hele pagina voor uit.
Het was Knap tijdig te binnen geschoten dat zijn reddingsboot dik weekeinde de première van 'I., de musical' heette. De inmiddels sleetse rode loper was op vrijdagavond in de hoofdstad uitgerold. Lücker had hem een fotograaf laten bestellen. Indachtig de reactie van de hoofdredacteur na het patsergedoe had Knap meteen actie ondernomen en afspraken gemaakt. ,,Hindert niet wie er staan te stralen. Zulke platen wil ik prominent hebben, desnoods voorop. Dat jij die lui niet kent, Knap, dat zegt helemaal niets. Ik ken ze meestal ook niet, maar ik weet wat ik graag in mijn krant aantref. Dan willen de lezers dat ook zien. Als ik werkelijk benieuwd ben, lees ik het onderschrift, ja?”
Knap zou allicht een extra grote collage van die première kunnen maken als de nood aan de man kwam. Hopelijk had de fotograaf er de juiste namen bij gezet, dan hoefde hij alleen op internet op te zoeken waar ze bekend van waren geworden.
'I., de musical' was geschreven naar het leven van een journalistieke entertainer wiens carrière aanvankelijk gebaseerd was op luidruchtige, vaak onbetamelijke, bikkelharde kritiek aan het adres van net zulk volk dat nu zijn leven na zong en na speelde en anders de première daarvan moest bezoeken. In zijn eigen, onverwacht laatste jaren, eenmaal als tv-presentator opgenomen in het showcircus van een grote producent, die ook al hoopte dat hij enige extra herseninhoud voor zichzelf genereerde door iemand als I. onder contract te nemen, was hij niet te beroerd geweest om samen met zijn geliefde van die dag deel te nemen aan zo een ordinaire parade tussen allemaal van die eendagssterren die contractueel verplicht waren om te komen opdraven in geleende, niet al te aanstootgevende ensembles van de modekoningen uit de polder die voor allerlei andere programma's ook bij de grote baas onder contract stonden. Ze hadden maar te komen, te leveren en te lachen. In het café op de hoek waar ze zaten te wachten tot zij aan de beurt waren voor de honderd meter met de verlengde limousine, trokken de meiden strootjes, wie haar deze keer was, qua nippleslip.
Knap beschouwde het aangekondigde artikel van vrouwtje Vlissingen als het hoofdnummer van de maandagkrant. Hij moest er zich maar geen journalistieke sores meer over maken. De visie van mr. Rodgers herschreven, aangekleed en met wat extra vlees op de botten, dat klonk naar de
voorpagina. De Zeeuwse correspondente had alleen niets meer van zich laten horen, hoewel hij haar ook zijn privénummer had gegeven om te waarschuwen bij elke belangrijke vooruitgang die zij dacht te boeken. Het gedoe met Hiltermann had hem eraan herinnerd dat hij beter kon wachten met te vragen hoe het ermee stond tot het uiterste moment waarop hij eventueel nog een andere vulling zou kunnen regelen. Daar werden sommige medewerkers anders maar nerveus van. Kijkend naar de klok kon ze dan zo maar een writer's block overkomen.
Desnoods, had Knap zich voorgenomen, herschrijf ik dat stuk zelf. Een echte journalist is een alleskunner. Hij had de tekst van mr. Rodgers bij de hand. Zo lastig kon het niet zijn om daar een ruimhartig lijkende rectificatie van te maken die het decorum van de maître in stand hield en de Hollandsche Nieuwe geen verschutting bezorgde, zonder dat het op een geforceerde wending leek. Het was een kwestie van handige woordkeus om de impressie van een sterk staaltje journalistiek te handhaven. Terwijl mr. Rodgers toch behoorlijk aan zijn gerief werd geholpen. Als de inleiding maar deugde, want de eerste indruk was alles, zowel bij een vrouw als bij het nieuws. Knap zuchtte eens diep en vermoedde zich bijna op het dieptepunt van zijn bestaan.
,,Het werk is weer met je mee naar huis geslopen,” vermoedde vrouw Knap bestraffend, toen zij de rimpels op zijn voorhoofd zag staan. ,,Maar zet dan de televisie ten minste af, als je toch niet kijkt.”
Hij stond iets te energiek op voor zijn rug. Ouderdom, je moest het ergens aan voelen. En nog steeds 0-1. Hij zette de tv af. ,,Ik ga er een klassieke zondagse wandeling van
maken. Koop ik onderweg iets te eten. Jij loopt niet mee, een stukje?” Dat dacht hij al.
Even voor half vijf ontstak Henri Knap de lichten ter redactie en zette de centrale computer aan. Toch 2-1 geworden, zag hij op teletekst. Opgelucht, dat was iets. Hij had jarenlang een gratis abonnement gehad op overwinningen van zijn club, maar sinds een paar seizoenen gingen steeds meer wedstrijden gepaard met spanning over de afloop. Dat had veel van de lol er af gehaald. Als de Knaps spanning wilden, dan keken ze wel naar een herhaling van 'Tatort'.
Vrouwtje Vlissingen, had gebeld noch geleverd, zag hij in de redactiepot. Knap betrapte zichzelf op een Lücker-gedachte: hij wilde onderhand wel eens weten hoe zij eruit zag en wat haar tot dit baantje had gebracht. Maar voor hij echt aan het verzinnen kon slaan over de contouren van een vrouw die hem Hannelore Faas kon doen vergeten, zag hij dat Hiltermann Bzn. onaangekondigd een godsgeschenk had gezonden. Knap zat amper op zijn troon of hij kon opgewekt constateren dat het geen enkel probleem was om de maandagkrant vol te krijgen. Inhoud was onbelangrijk, lengte telde. En dan had hij nog niet eens werk gemaakt van de verkeersongelukken en de vaste weekend-moord.
,,Een paardenmiddel voor de onderwereld.” Hiltermann Bzn. had wegens succes zijn poging tot een woordspeling geprolongeerd: ,,Draven en rennen op de wedkantoren.” ,,Exclusief!” had hij er even groot onder gezet. En dan: ,,door G. Hiltermann Bzn.” Dat Knap en morgen de lezers door hadden dat dit geen opgeblazen analyse was maar een keiharde onthulling. Alles bij elkaar schatte Knap het op een halve pagina. Kop er boven, foto erbij, stuk op de
voorpagina, rest van binnen, vol! Hij wreef in zijn handen. Dit was zoals een zondagse dienst, zelfs bij de Hollandsche Nieuwe, behoorde te verlopen: volop eigen nieuws dat de lezers naar Lückers bakken zou drijven. Nou alleen nog even zien waar Hiltermann het precies over had.
,,Terwijl politie en justitie in het duister tasten,” leidde Hiltermann zijn onthulling in, ,,presenteert de Hollandsche Nieuwe exclusief het decor, de verdachten, het motief en de ontsnappingsroute van een van de meest opzienbarende liquidaties in het criminele circuit.”
De starreporter liep hard van stapel. ,,Een betrouwbare tip en een goed voorbereide val hebben geleid tot een onthulling waar in het hele land nog dagen over gesproken zal worden.” Het angstzweet brak Knap uit. In zijn inhaaljacht op misdaadconcurrent Jan J. Janssen jr. had Hiltermann Bzn. zich ook van diens belangrijkste stijlmiddel bediend, de zogenaamd stiekeme beroepsuitoefening. Daar waren de lezers gek op, alsof ze zelf meespeelden als inspecteur Morse of als boef. ,,Een gerenommeerd en gespecialiseerd bedrijf in de Amsterdamse binnenstad,” had hem behangen met verborgen microfoons en zendertjes. ,,De modernste apparatuur, waar volgens de leverancier alleen de CIA mee werkt. Een noodzakelijke uitrusting voor een riskante actie. Plus een kogelvest. De aanleiding heeft geleerd wat een mensenleven in kwesties als deze nog waard is.”
Henri Knap durfde even niet verder te lezen. Hij vreesde dat Hiltermann verkleed als verpleegster het ziekenhuis was binnengedrongen om de criminele comapatiënt met geweld tot een bekentenis te dwingen inclusief het verraad van zijn duopassagier en de rest van de bende. Volgens de
ouderwetse journalistencode, die Knap respecteerde zoals een Urker visser de Bijbel, moest er ook in de meest serieuze kwesties iets van het allergrootste belang loos zijn, dat op geen enkele andere manier te onthullen was, alvorens een journalist zich van een valse identiteit, een gelogen opdracht, verborgen camera's en verstopte microfoons mocht bedienen. Maar de chef nacht van de Hollandsche Nieuwe moest ook meteen zijn ongelijk bekennen. Niet omdat hij anders de krant niet vol kreeg maar omdat hij wist dat Hiltermann, zoals elke moderne journalist, zou volhouden dat er van beide sprake was.
De misdaadverslaggever zou gesteund worden door de meeste van zijn collega's, die ook steeds vaker niet zozeer primeurjagers waren als wel professionele stennisschoppers. En dan ook nog de arrogantie en de ijdelheid van de gewaande verleiders, die het niet konden laten om zelf nadrukkelijk in beeld te komen. Als de boodschap werkelijk een groot geheim van eminent belang betrof en op geen enkele andere manier te achterhalen was, dan moest er bij criminele kwesties juist uiterst terughoudend worden omgegaan met de identiteit van de verslaggever, om in de zeer nabije toekomst niet geconfronteerd te worden met een extra liquidatie en een onverwachte vacature op de redactie. Maar voor sommigen in de polderjournalistiek was faam belangrijker dan de toekomst.
Het viel Henri Knap uiteindelijk nog mee: Hiltermann had zijn informant ontmoet op een drafbaan. ,,Hier verwisselt van oudsher het geld van eigenaar zonder dat de herkomst bekend is. Hier ontmoeten de mannen van de wereld elkaar zoals vroeger laat op de avond in een louche
nachtclub. Paarden in plaats van de thans buiten Parijs vrijwel geheel vergeten stripteaseuses. En een beetje handjeklap onder de tafel.”
Daar had Knap nog nooit bij stilgestaan, dat het een uitgestorven beroep was, dat van de zich traag uitkledende dames, naarmate de nacht vorderde steeds wanhopiger zoekend naar enige elegantie. In disco's scheen men tegenwoordig altijd wel een paar meiden te hebben voor het paaldansen, maar dat was meer bloterige gymnastiek dan verleiding. Het woord nachtclub was ook uit de vocabulaire verdwenen. De dames van toen konden makkelijk vijf minuten over een lange handschoen doen. Maar iedereen kon zich tegenwoordig op internet in dit genre gratis een passend type uitkiezen dat zich binnen twee tellen onbekommerd tot diep in haar intiemste spelonken liet kijken alsof het een onderdeel was van een speurtocht op een verjaarspartijtje.
De draf- en rensport in Nederland was ergens een jaar of twintig terug een kalme, door weinigen betreurde dood gestorven. Knap had al jaren geen tv-reportages meer gezien over de Gouden Zweep of de Derby, voor volle tribunes en iemand van koninklijke bloede in de ereloge voor het uitreiken van de hoofdprijs. Geen krant publiceerde nog de uitslagen en Knap zou sinds Hairos II en de hele familie Buitenzorg ook geen paard van betekenis meer kunnen noemen, even afgezien van Amerigo.
De draf- en rensport, die bestond bij de gratie van het gokken - niet van het fokken, had de aansluiting gemist toen het grote loterijparadijs hier was uitgebroken. Er restten jaarlijks nog slechts een schamel aantal
wedstrijddagen op een paar banen met vervallen accommodaties voor een publiek van sjofele oude mannen die hun AOW probeerden aan te vullen. De paardenkoersen met hun prijsjes, bleken niet opgewassen tegen de krasloten op elke straathoek, het pokeren op internet, de officiële casino's, de illegale goktenten en de lawine aan alle soorten van loterijen met hun tientallen miljoenen euro's aan prijzengeld.
Om geen scheve gezichten te krijgen hield de politie de illegale bingomiddagen voor bejaarden scherp in de gaten. De recreatiezaaltjes van de hun centra zaten elke week een keer vol. Ze speelden om een ham, een friteuse of tegen Kerstmis om een gourmetstel. Wel even iets anders dan dertig miljoen met de Staatsloterij.
Het grote ontluisterende geheim, dat de pret er in één keer van af zou halen, namelijk dat veruit de meeste mensen hun hele leven lang nooit iets van waarde zouden winnen – tenzij ze naar een bingoavond voor bejaarden gingen, werd toegedekt door het regelmatig op de tv vertonen van de juichende nieuwe miljonairs, liefst een hele wijk vol. In werkelijkheid waren de meesten afgescheept met een fooi. Maar samen brachten zij de kijkers in de waan dat iedereen binnenkort aan de beurt was voor ook zo een enorm bedrag, belastingvrij plus een nieuwe auto. Want bij een miljoen of tien konden veel mensen zich weinig concreets voorstellen, vandaar dat er altijd ook een auto werd weggegeven. Bij een nieuwe auto had je ze op de banken. Dan wisten ze weer waar het in het leven werkelijk om draaide.
Een goedwillende minister, die op elk loterijbriefje de vreselijke waarheid in grote letters zou laten afdrukken:
'Gokken is doodzonde van uw portemonnee', zou bij de volgende verkiezingen nog alleen de stemmen trekken van zijn naaste familie, en zelfs die niet allemaal.
Henri Knap knikte tervreden over zijn eigen kennis.
Hiltermann had in de grote gokhal, die vorige eeuw nog net op tijd op kosten van de belastingbetaler uitgebreid was tot een accommodatie voor twintigduizend gokjes in een kwartier, meteen de muur van afwijkende, jonge kaalkoppen en andere sportschooltypes ontdekt, die het zicht op het nieuwe paardenpubliek vrijwel belemmerden. Ze bewaakten meer dan de helft van de hal waar in een luxueuze setting zichtbaar zeer welvarend volk zat. ,,Alom het soort vaste bezoekers van manifestaties als de Patserparty,” verduidelijkte Hiltermann. ,,Weinig echt bekende Nederlanders.” Logisch, een ambassadeur van de drafsport bestond niet. Nog een boot die ze gemist hadden. Soms liep er iemand naar een loket voor een gokje, maar dat werk lieten ze meestal over aan de laatste haveloze bejaarde mannen, die van het oude paardenpubliek nog over waren. Die dronken lauwe pils uit een blikje in plaats van de champagne met een vuistje kaviaar van de meegereisde cateraar.
Achter die menselijke barricade van kaalkoppen met beide armen onder de tatoeages en verder alles goud wat er blonk, had het nieuwe paardenvolk z'n eigen opstellingen met laptops, IPads en volop mobiele telefoons, die verbonden waren met vrachtwagens buiten waar schotelantennes aan bevestigd waren. Alsof CNN was uitgerukt voor breaking news en dan de rest vanzelf er achteraan. ,,Het is een voortreffelijk geoutilleerd mobiel wereldwijd wedkantoor dat wordt opgezet onder
dekking van de laatste officiële koersen, waar niet eens om politiebijstand wordt gevraagd, want zoveel toeschouwers zijn er niet en de eerste paardenhooligan moet nog geboren worden. Vrijwel aan het zicht onttrokken zaten volop Aziatische mannen in een hoek bijeen die ook permanent met ver weg waren verbonden. Er werd nauwelijks door de grote glazen wand gekeken naar de wedstrijden buiten. Alleen wanneer een uitslag werd geprojecteerd op de schermen die aan het plafond hingen, was er kortstondig iets merkbaar van gerelateerde actie.”
Bij de herkenbare kaalkoppige bewakers hoorde Johan X., zoals Hiltermann hem opvoerde, een verongelijkte onderknuppel met een klaagzang van het kaliber: ,,Ik sta hier de hele middag. Druk, en niet zo'n klein beetje ook. Je wilt niet weten wat er voor mij overblijft. Terwijl, ik heb ook mijn onkosten. Het vrouwtje wil ook wel eens een nieuw jurkje. Ik heb twee jongens, die moeten ook op Ajax. Wij willen in zomer naar de camping in Spanje, zoals elke fatsoenlijke Nederlander. En wie vangt de kat als het mis gaat?”
Zulke gefrustreerde knechtjes wezen de journalisten steeds vaker de weg op lastig toegankelijke gebieden. In ruil werden ze al gauw klokkenluider genoemd. Voor de lezers van de Hollandsche Nieuwe was Johan X. volstrekt onherkenbaar, vermoedde Knap, maar tussen zijn opdrachtgevers moesten er allicht een paar zitten die de klagerige kleerkast er meteen tussenuit konden pikken.
De paardenrenbanen waren van oudsher de gelegenheden geweest waar het grootkapitaal en het kleingeld elkaar ontmoetten. Overgewaaid vanuit Engeland waar de elite nog steeds uit verveling gokte op alles wat
bewoog terwijl het lagere volk de risico's liep, de fazanten moest opdrijven, de honden fokken, de knollen moest africhten en ze over de hindernissen jagen. ,,Er zit nooit een lord op een paard dat een steeplechase wint.”
Het gokken op de Nederlandse paardenkoersen was net zo een slordige dood gestorven als de voetbaltoto, die ooit was ingevoerd na zware politieke strijd tegen volk met de bijbel bij de hand. Bijgevolg was de toto gelegaliseerd met strenge restricties opdat er niet te veel gewonnen werd en er gegarandeerd niemand verslaafd aan kon raken. Uiteindelijk was met de toto ook nauwelijks meer dan de inzet terug te verdienen, en dat heette de hoofdprijs. De tent stortte ineen toen de laatste echte voetbalkenners er tabak van kregen omdat ze elke week weer alle dertien goed hadden.
Johan X. had Hiltermann mee naar buiten gewenkt met het nerveuze internationale handgebaar van even een sigaretje roken. Geen betere dekmantel om samen te spannen zonder argwaan te wekken, wist Knap, dan onder het genot van een rokertje op de stoep. Hij had uitgelegd gekregen dat het hier een reizende dekmantel betrof van de grote gokkers op de paardenkoersen elders ter wereld. ,,Je kunt op internet een eind komen, maar hier heb je ook het sociale element. Het officiële gokken op de Hollandse koersen, dat doen die ouwetjes in de hal. De rest gokt ook op onze koersen maar dan via de wedkantoren van Korea tot Singapore. In het weekeinde zitten die Aziaten bij het voetbal op de tribune, want dat is daar ook grote business. Daar zijn wij Nederlanders dan weer te sportief voor en te vaak fan van een club. Dat werkt in het serieuze gokken tegen je.”
Hiltermann had gevraagd of Bertus B. hier een vaste bezoeker was. Maar Bertus B. bleek oude onderwereld. ,,Die was van de discretie, van de garantie en van alles zoveel mogelijk zonder geweld. Hij heeft de zaak alleen op weg geholpen. Het was lastig om de winsten om te zetten in tastbare handelswaar zoals onroerend goed. Hij heeft, die eer komt hem toe, de internationale pakketjes geïntroduceerd. Hij zei altijd: voor een mooie meid 's avonds laat en voor elke euro in z'n eentje geldt de kwetsbaarheid. In de pakketjes zit van alles wat toevallig ook die kant op gaat. Je moet er lol in hebben, want soms reist de volle mep eerst naar Tsjetsjenië, dan kun je maar beter een ervaren kerkbezoeker zijn: bidden dat je er ooit nog iets van terugziet. De helft is voor de gok en de andere helft op de gok, zeg ik altijd maar. Het is een kwestie van vertrouwen. Ik weet niet eens zeker of ik zelf geen afleidingsmanoeuvre ben, zeg ik wel eens. Wat dat betreft heb ik mijn lesje van Chrisje geleerd. Chrisje, ken je? Die liep hier ook rond. Je moet bij deze lui nooit te hard om je geld vragen, want iedereen is iedereen wel iets schuldig. Dat kan oplopen. En er zit er altijd een tussen die dan iets te opgewonden raakt.”
Op dat moment had Johan X. de verslaggever onverwacht staande gehouden en in dekking gedrukt achter een reclamezuil. Hij had gewezen op twee mannen die op hun gemak naar de hal liepen. Een gedistingeerde, kale oudere heer in een modieuze lange lederen jas en een opgewonden gebarende kleine man in zijn zondagse pak met krijtstrepen. ,,Laten wij nog maar even buiten blijven staan. Als de oude Rodgers hier rondloopt dan is Jan. J. Janssen jr. nooit ver weg. Die gozer, dat is niet mijn type.”
,,Wie is die kleine?” had Hiltermann gevraagd.
,,Dat is de nieuwe Bertus B.. En meer ga ik jou niet wijs maken. Je moet ook zelf wat doen voor je geld.”
Het volgende ogenblik had Hiltermann zijn concurrent Jan J. Janssen jr. zien arriveren met een blonde vrouw aan de arm, alsof ze een avondwandeling maakten. ,,Nu weten we in elk geval dat we hier veilig zijn,” had X. gegrinnikt. ,,Als Janssen in de buurt is, gebeurt er nooit wat. Dat jullie dat niet in de gaten hebben. Die man beweerde jarenlang dat er bij al die afrekeningen en hoe jullie dat verder noemen steeds een koppeltje oorlogsmisdadigers uit het voormalige Joegoslavië werd ingevlogen, dat al weer op het vliegtuig naar huis zat als de politie op de plaats delict arriveerde. Jij denkt toch niet dat iemand die over een paar miljoen euro aan handel gaat zo gek is om twee vage Joego's af te huren, die 's morgens op Schiphol arriveren en zonder verder de weg te kennen op de afgesproken plek pief, paf, poef doen, gas geven op een motorfiets uit de lease, nog effe gauw dat ding in de hens zetten op een achteraf gelegen parkeerplaats, zoals aangewezen op de TomTom, hijgend in het vliegtuig springen en foetsie zijn ze, zonder ooit een spoor na te laten? Nooit een vette bougie op het verkeerde moment, nooit een verkeerde straat in gereden, nooit iemand die terug begon te schieten, zelden een omstander geraakt, nooit behoorlijk in beeld bij zo een camera en nooit per ongeluk met de integraalhelm op het hoofd weer aan de incheckbalie gestaan waardoor de stewardess alsnog argwaan zou hebben gekregen. Dat dan niet één keer, maar gewoon dertig keer op een rij. Nooit een schietpartij met achtervolgende agenten, zoals in de tv-series, geen helikopter er boven die de daders volgde
zoals op de tv in Amerika. Die Joego's, dat werd allemaal geslikt omdat die Janssen dat beweerde. Die kon het weten en dat schreven alle kranten van hem over en zo kwam het op de tv. Janssen was een perfect alibi. Neem van mij aan, zo een gevaarlijke klus, dat kan alleen met profs die precies de weg kennen. Ik kan je verzekeren, het is voor een koele Hollandse professionele afwerker tamelijk frustrerend om steeds maar weer te worden versleten voor zo een dolgedraaide Joego met onder zijn arm een Kalashnikov uit het familiebezit.” En toen had X. geen tijd meer: ,,De pakketjes moeten door.”
De windhandel van de afgelopen jaren met al die durfkapitalisten en hun bonussen had een nieuwe hausse in pakketjes veroorzaakt, beweerde Hiltermann. Er moest ruimte worden gemaakt voor oude tanks en tweedehands straaljagers. Maar als er voor honderd miljoen verhandeld wordt, hangt er al gauw voor drie miljoen commissies aan voor allerlei tussenpersonen die liefst niet gekend willen zijn. Dat moet ergens blijven. En er moet meestal ook weer een belangrijke portie heelhuids en ongezien in het vaderland terugkeren. ,,Mooie handel, noemen ze dat.”
In zijn resumé pochte Hiltermann niet alleen dat hij op deze manier de dader van de afrekening nabij het Olympisch Stadion zocht en binnenkort zou vinden. ,,Als de informatie die Johan X. mij heeft gegeven klopt, en vooralsnog valt daar niet aan te twijfelen, dan zal deze krant komende week het systeem van de pakketjes en de mannen daar achter in twee afleveringen blootleggen. En dan zullen wij niet volstaan met nieuwe anonieme passanten. Dan zal het Binnenhof op zijn grondvesten schudden!”
Henri Knap duwde zijn toetsenbord naar achteren en tikte opnieuw Hiltermanns nummer in. Geen gehoor. De zelfgebreide starreporter hield zich onbereikbaar. Knap kon hem niet helemaal ongelijk geven. Hiltermann wist donders goed dat hij ruim over de rand had geopereerd en wederom eigenlijk niets hard maakte. Hij eiste, exclusief!, meer eer en glorie voor zichzelf op dan dat hij de suggestieve kop boven zijn verhaal met feiten kon onderbouwen. Hij had een zielige branieschopper bij de arm genomen, die wilde verhalen vertelde waar net zo goed helemaal niets van kon kloppen. En dat in de wetenschap dat de lezers zijn woorden zouden slikken als de hoogste waarheid: hun eigen starreporter. Ze vonden het prachtig als politie en justitie bij de neus waren gevat, zeker als er zulke vrolijke, vrije, ongevaarlijke jongens van het type Johan X. in het geding waren.
Hiltermann kon voor zijn nieuwe imago alleen hopen op voldoende luie collega's die zijn verhaal zouden overschrijven.
Knap trommelde maar weer eens op zijn bureaublad want het ging nu om grote beslissingen. Bij zijn oude krant zou hij zo een verhaal minstens een dagje hebben laten staan om er wat meer handen en voeten aan te laten geven. Een sterke primeur kon gerust even op de plank blijven liggen. Maar vooralsnog zat de chef nacht van de Hollandsche Nieuwe niet alleen zonder contact met Hiltermann, maar ook met de terreur van de onbereikbaarheid van zijn hoofdredacteur en diens concubine. In de moderne communicatiemaatschappij was de postduif soms een uitkomst.
Knaps onrust gold de ijzeren wet dat behalve Hiltermann
toch minstens Lücker en liefst ook de verantwoordelijke eindredacteur, casu quo Henri Knap, onder volstrekte geheimhouding – voor wat dat in de moderne, alom lekkende maatschappij nog waard was, moest weten wie en hoe betrouwbaar die Johan X. precies was, alvorens tot publicatie kon worden overgegaan. Dat was niet alleen een oud journalistiek dogma, maar ook een manier om straks de grootste schadeclaims op afstand te kunnen zetten, of desnoods een liquidatie ter redactie. Anders kon elke correspondent van de Hollandsche Nieuwe iedere dag wel ergens iemand of iets verzinnen voor een lucratief primeurtje.
Knap aarzelde. Misschien deden ze dat al.
Hij zou in juridische zin zelf de dans ontspringen, Lücker was de hoofdredacteur en uitgever, die moest opdraaien voor de financiële gevolgen van elke canard. Maar de dienstdoende chef nacht kon altijd nog door het eigen rechtscollege van de journalisten op de vingers getikt worden wegens onzorgvuldigheid, evident gebrek aan argwaan en geen of vrijwel geen enkel journalistiek inzicht. Knap gruwde bij de gedachte aan zulke lelijke krassen op zijn nog onbevlekte blazoen.
Er maakte zich pas enige opluchting van hem meester toen hij tijdens het wachten met het schaamrood op de kaken moest toegeven dat hij bij zijn echte krant soms ook noodgedwongen had meegedaan aan het negeren van alle oude wetten. Alles voor het nieuws!
Harde journalistieke regels waren tegenwoordig net goedkope toverballen: zo waren ze rood en zo waren ze weer groen of geel. Zoals ook nauwelijks meer iemand wist dat een echte krant de woorden van elke geïnterviewde
voor eigen rekening moest nemen. Inclusief eventuele verwensingen of bedreigingen, leugens en beschuldigingen, wartaal en zelfbeklag. De uitspraken van derden moesten niet alleen kloppen maar bij gerede twijfel gecontroleerd zijn op inhoudelijke juistheid. Leugens konden officieel en langs de meest strikte journalistieke weg alleen nog een plaats in de krant vinden als advertentie of als een vorm van opiniëring. Maar aan zulke scherpslijperij begon niemand meer. Gezegd was gezegd: opschrijven, feest en morgen weer een ander schandaal.
Naarmate de persvrijheid als het hoogst bereikbare maatschappelijke goed in een democratie werd aangemerkt, aanvaardden steeds minder journalisten de consequenties daarvan. Knap had in een talkshow al een uitbater van een drukbezochte schandaalwebsite gezien die zich erover beklaagde dat hij geen uitnodiging kreeg voor Haagse persconferenties. Een echte journalist klaagt niet, maar vindt alles wat hij van belang acht en publiceert onder voorwaarden, luidde Knaps adagium. Maar zelfs die wet bleek in klagers geval niet op te gaan: hij wenste zijn eigen website namelijk ook geen journalistiek medium te noemen. Hij bepaalde zelf wat daar op kwam zonder last of ruggespraak en niet onder de knoet van wat voor regels dan ook.
Dan was de zaak toch opgelost, dacht Knap. Dan hoor je ook niet thuis op een persconferentie.
,,Noot voor H. Knap,” had Hiltermann Bzn. aan het einde van zijn verhaal in vette letters opgetekend, ,,misschien is het aardig om er een foto van mij bij te zetten. Zit in het archief!” Blijkbaar wilde Hiltermann op straat herkend worden door de gevaarlijkste boeven zelf.
Wat moet, dat moet, dwong Henri Knap zichzelf met tegenzin en stuurde het verhaal door naar de dames van de opmaak. Hij vond twee foto's van de schrijver in het elektronisch archief waar de Hollandsche Nieuwe gebruik van maakte, een recente en een van vlak voor hij in de Jellinek werd opgenomen. Dat was geen lastige keuze.
Hij keek op zijn horloge. De rest van de avondploeg was binnengedruppeld, op zondag altijd een half uurtje later, hoewel daar nooit iets over was afgesproken.
Het verhaal van Hiltermann was een reden om vrouwtje Vlissingen af te bestellen. Hij zij ook maar iets van zich moeten laten horen. En later kon altijd nog. Trouwens, Rodgers figureerde al in Hiltermanns verhaal. Knap kon moeilijk als een halve detective achter zijn collega's aan gaan. Dat deden ze trouwens nergens in de journalistiek.
Hij aarzelde: vol is wel vol, maar Vrouwtje Vlissingen definitief afbellen, dat was een beslissing die hij niet in zijn eentje wilde nemen na alle commotie over de ingreep van maître Rodgers. Knap zocht nog eens en weer tevergeefs contact met de rest van de wereld. Want behalve dat Vrouwtje Vlissingen het liet afweten, nam Hiltermann niet op en zowel Lücker als Faas had het mobieltje uit staan. Die zaten te genieten in de Scala. Daar stapte voor aanvang der voorstelling ongetwijfeld een toneelknecht het podium op om iedereen te verzoeken zijn mobiele telefoon uit te zetten. Fatsoenlijke mensen die van opera hielden, wisten zich tot op zekere hoogte te gedragen. Die lieten geen scheten of boeren tijdens breekbare aria's. Alleen, het verbod op het gebruik van het mobieltje, dat moest ook hier nadrukkelijk geannonceerd worden. En dan nog begon er onder een fluisterlied ergens iemand nerveus in zijn
zakken te zoeken terwijl volgens een luide ringtone AC Milan juist een doelpunt scoorde.
Knap sprak nooit een boodschap in. Hij had een fobie ontwikkeld voor het praten in het luchtledige. Bovendien bleef het met of zonder boodschap nog steeds de vraag of de andere kant terug zou bellen. De een automatisch wel, de ander weloverwogen niet. In het moderne belverkeer was fatsoen een kwestie van toeval. Hij probeerde Vrouwtje Vlissingen nog één keer.
,,De Hollandsche Nieuwe. Mijnheer Knap? U treft het. Ik ben bijna klaar.”
,,Doe maar rustig aan.” Hij had zijn besluit genomen.
,,Hoe dat zo?” reageerde zij vinniger dan verbaasd. Misschien had zij iemand publiciteit beloofd of zat zij te wachten op ieen aanvullend informatief telefoontje zodat zij haar verhaal kon afronden.
,,Ik zeg dat, omdat het iets wordt voor later in de week.” Hij verzon het ter plekke. ,,Morgen.” Dan moest Hannelore Faas deze netelige kwestie maar oplossen. Knap tutoyeerde zijn correspondente met zachte stem om een band van vertrouwen en sympathie te scheppen in een delicate kwestie. ,,Wij hebben onverwacht al het een en ander in het verlengde van dit gebied binnengekregen, namelijk.” Hij zat hoorbaar onthand. ,,Een van onze medewerkers heeft een goede bekende van de dader van de laatste afrekening te pakken gekregen. Wordt groot nieuws. Zijn verhaal gaat deels over alles waar mr. Rodgers het in ontkennende zin vorige week over had. Dan wordt het erg driedubbel met jouw stuk ook nog eens er bij.”
,,Ik heb anders vanmiddag met een aantal mensen
gesproken over mr. Rodgers. Ik ben nog één telefoontje verwijderd van een heel interessante wending. Ik ga laten zien hoe die geldstromen waar hij het over heeft, werkelijk lopen. Heet dat niet een primeur? De namen mr. Rodgers en Jan J. Janssen jr. staan garant voor opmerkelijke zaken die niet steeds alle daglicht kunnen verdragen. En er is meer. Ik kan je verzekeren, die executie bij jullie, dat was een bijzaak. Jullie zogenaamde starreporter Hiltermann, die kent men in deze kringen als een loopjongen. De vakkenvuller, noemen ze hem.”
,,Dat was hier al bekend." Knap moest haar een beetje op afstand zien te houden. Hij kreeg het er warm van en niet alleen omdat ze hem ook behandelde alsof ze elkaar door en door kenden. ,,Wij vermoedden al zoiets. Dat is een precaire zaak met hoor en wederhoor. Dat was in feite ook aanleiding om jou te vragen nog eens naar dat verhaal van 'm te kijken. Ik ben erg benieuwd wat je geschreven hebt. Alleen, nogmaals, ik kan niets te beloven, qua plaatsing. Wij hebben volop andere katten te geselen. Over de honorering hoef jij je geen zorgen te maken. Ik zorg dat onze hoofdredacteur jou een leuke bonus toekent.”
,,Wil je mijn stuk hebben, of niet?” Vrouwtje Vlissingen klonk aanzienlijk scherper en gedecideerder dan die keer dat ze geschermd had met nog meer foto's van Gracia en Walker. ,,Zeg het maar, Knap.”
,,Luister, je begrijpt, ik kan zoiets pas definitief beoordelen en een besluit nemen als ik jouw verhaal gelezen heb. Uiteraard.”
,,Of ik ben een betrouwbare, reguliere leverancier die jullie de mooiste primeur tot nu toe heeft bezorgd, of je vertrouwt me niet. Simpel, meneer Knap.”
Bij zijn echte krant had hij een dergelijke brutale freelancer er meteen uit geschopt. Hij aarzelde.
,,Dan weet ik genoeg.”
Vrouwtje Vlissingen haakte af terwijl Knap ineens een stuk minder zeker was van de urgentie van Hiltermanns verhaal.
Het liep tegen tienen. Hij concentreerde zich op de rest van de krant terwijl hij probeerde zijn dilemma te vergeten. Het werd onverbiddelijk tijd om de laatste pagina's door te geven. De twee chagrijnen in de Achterhoek hadden al een e-mail gestuurd met dringende vragen over de definitieve invulling van de voorpagina en of er weer geen advertentieaanbod was? De drukker wilde weten of het niet ,,net als vorige week” een half uur vroeger kon, ,,delen we de premie weer samen.” Zo had Gortzak zijn salaris blijkbaar aangevuld.
Knap realiseerde zich dat de Hollandsche Nieuwe door zoveel verschillende partijen werd gebruikt, dat hij er nauwelijks meer wijs uit kon. Zij adem stokte. Dat overkwam hem langzamerhand bij elk bezwaar dat hij tegen de gang van zaken op de Hollandsche Nieuwe had, hij wist meteen dat het bij zijn echte krant anders, maar ook weer nooit heel erg anders was gegaan. Hij hield steeds minder verleden over om trots op te zijn. Daar werd het even hard geprobeerd en met regelmaat lukte het ook nog om belanghebbende buitenstaanders met hun visie prominent in de krant te krijgen, of anders juist niet en zeker niet als onderwerp van het commentaar.
Zulke dingen bleken vaak pas achteraf in volle omvang. Zoals een conflict bij de krant vaker een kwestie was van voldongen feiten, van stilzwijgende afspraken en van
vergeten overleg te plegen, gevolgd door een ruimhartig mea culpa van het plechtigste soort: dit had zo nooit mogen gebeuren. Ondertussen had het dan al in de krant gestaan. En dat was de bedoeling. In die tijd had Knap meestal het idee het nieuws aardig te beheersen. Daar was nu geen sprake van. In feite begreep hij van het verhaal over de pakketjes even veel als elke argeloze lezer die nooit behoorlijk had opgelet tijdens de lessen economie en boekhouden, als hij al de middelbare school had gehaald. Knap hoefde niet steeds alles tot in detail te begrijpen maar wel in grote lijnen, opdat hij zeker wist dat hij geen complete onzin doorgaf. In dit geval had hij gerede vermoedens dat er volop geld quasi illegaal van hand tot hand en van land tot land verhuisde. Hiltermann manifesteerde zich als kenner en duwde Rodgers en Jan J. Janssen jr. in het kamp waar hij ze wilde hebben.
Hij had het verhaal voor alle zekerheid toch even tussen haakjes gezet op zijn lijstje, voor het idee dat hij zo lang mogelijk een gat open had gehouden. Mogelijk dat Vrouwtje Vlissingen, als zij afgekoeld was, bijdraaide en hem belde met een aanbod waar hij mee tevoorschijn kon komen bij Faas en Lücker. Moest ze onderhand opschieten. En hij had nog niet eens goed gekeken naar de foto's van de première van 'I., de musical'.
Henri Knap stond op en liep een rondje om het bureaublok. Even afstand nemen van het werk. Goed voor het hart en tegen de spataderen. Een krant maken was in diverse opzichten zo iets als vliegen. Hij trok een gezicht alsof hij zijn redacteuren telde. Hij drukte eens op zijn borst. Niets. Geen enkel verdacht pijntje, geen scheutje, geen opspelend spiertje. Hij kon zich onmogelijk
voorstellen dat hij een van die mensen was die onaangekondigd ineens het leven liet wegens een falend hart. Hij kreeg op zijn tijd vast het langdurige ziekbed, enfin, dat zag hij dan wel. Alvorens hij weer ging zitten poetste hij zijn bril en legde met twee handen zijn laatste haren op hun plaats. ,,Gaan we weer.” Niets meer over van de twijfelaar.
Hij opende het mapje 'Topshot' dat de fotograaf hem had gemaild. Kiekhuis had precies één foto geleverd van de première van 'I., de musical'. Ook dat nog. En Knap verschoot. Hij herkende meteen die neusgaten, yin en yang, maar dan zonder onderlinge samenhang. Een beetje journalist werd vanzelf op de gekste gebieden een expert. Gracia stond op de rode loper, wederom zeer uitbundig lachend, beter herkenbaar deze keer en met aan haar zijde die vreselijke Hakkie Holdert in zijn vaste krijtstreepje. Knap dacht vol mededogen aan Lückers hart. De financieel adviseur van de hoofdredacteur keek in een onaangename pose langs de camera, diepe minachting voor elke fotograaf die daar z'n boterham stond te verdienen en die geen kans maakte om ooit met zoiets als Gracia op een musicalpremière te worden uitgenodigd. Echte maffia.
Toen zag hij pas wat hij moest zien: Gracia vertoonde glorieus van opzij een uitermate beginnende nippleslip, millimeterwerk. Maar toch. Haar buste was net op tijd op Lückers kosten van een nieuwe fundering voorzien. Nog wel in de steigers maar zo dat zij er al mee kon pronken, pleisters en verband weggewerkt achter haar glitterfront. Gracia hield haar handen een beetje spastisch, alsof ze vers fruit in de aanbieding had. Kon Lücker zien wat hij miste. Kon iedereen zien of er goed werk was afgeleverd,
want er zaten beunhazen tussen. Knap prees zichzelf gelukkig dat hij niet bevoegd was om het werk van de plastisch chirurg voor in het onderschrift naar waarde te schatten; hij had de oorspronkelijke toestand der landerijen onvoldoende gekend.
Wie niet beter wist zou denken dat die gluiperd van een Holdert met een geniepige kneepje verantwoordelijk was voor Gracia’s weinig elegante houding die tot haar gedeeltelijke ontboezeming had geleid. Hopende dat geen der lezers haar zou herkennen en anders geen verband meer zou weten te leggen met zijn hoofdredacteur, tikte Knap een onderschrift over de drukte bij de première. Hij las het na op tipfouten, tikfouten. Rommel, dacht hij over zijn eigen werk en troostte zich met de gedachte dat er in het verslag van een voetbalwedstrijd meestal ook geen gewag werd gemaakte van de wijze waarop de doelpunten gevallen waren, vaak moest je elders op de pagina naar de uitslag zoeken. Wel volop aandacht voor alles wat volgende week weer niet waar zou zijn.
Ontevreden belde hij toch maar naar Kiekhuis.
,,Ik zit in een lastig parket. Ik weet niet of we je foto kunnen meenemen, Joran.”
,,Bestellen is betalen, je kent de regels.”
,,Daar gaat het niet om. Heb je niets anders?”
,,Hoezo? Je hebt haar gezien? Schitterend. Die tieten. Deed ze speciaal voor mij. Puik wijf. Volgende keer dat ik haar zie, is het raak. Alleen die kont van d’r, die is zo, eh, markant, die heb ik even door de fotoshop gehaald.”
,,Het gaat er om dat Lücker haar liever niet in de krant heeft.” Knap begon maar niet aan de discussie over het bewerken van foto’s.
,,Is die kolos van jullie soms keukenhomo geworden? Eerlijk gezegd, ik heb niets anders. Als ik zoiets voor mijn camera heb gehad, dan weet ik dat mijn avond erop zit. Dat is de kunstenaar in mij. Ik ben nog binnen wezen kijken. Ik weet niet wat jullie recensent zegt, als jullie er een hebben. Ik heb in elk geval nog nooit zo een slechte musical gezien. En de casting. De hoofdrolspeler, die was dik, klein, lelijk, scheel en hij zong vals. Alsof ze 'm zo onder een tractor vandaan hadden gehaald. Dit wordt helemaal niets, zelfs niet als musical. Dan is 't heel erg.”
,,Niet zeker of we 'm plaatsen. Maar de Hollandsche Nieuwe betaalt de volle mep.”
,,Maakt niet uit, ouwe reus. Onder zulke condities kun je mij bij nacht en ontij bellen voor een nieuwe opdracht.”
Opgelost! Voor alle zekerheid toetste Knap nog eens Faas in. Maar de Scala bleef onbereikbaar.
Hij zocht een archieffoto van een draverij bij het stuk van Hiltermann, jaren vijftig, volle tribunes, sulky's als aanhangwagens, paarden als Zeeuwse knollen, de pikeur nog met een scooterhelm op. Hij aarzelde. Toen sloeg hij twee keer met de vlakke hand op zijn werkblad als om zichzelf te vermannen. Aan de slag! Op hem rustte, zo zwaar als ooit bij zijn echte krant, de verantwoordelijkheid voor een vers exemplaar van de Hollandsche Nieuwe. Zweet op zijn voorhoofd. Heel erg behoefte aan sterke koffie maar even geen tijd. Of sterke drank.
Lücker had 'm zelf besteld, dus die plaat van Kiekhuis kwam op de 3. Hij had geen tijd om te zoeken of er op internet wat beters te vinden was bij een ander fotobureau, een gek die met zijn mobiele telefoon wat plaatjes had geschoten. Bij zo een botsing van belangen
kon hij op dit uur van de dag alleen de enig juiste journalistieke afweging maken: plaatsen! Misschien dat Faas hem achteraf dankbaar zou zijn. Dat zij nu dan toch zou inzien dat elke vrouw die aan Lücker begon, op dezelfde deerlijke wijze als van Gracia moest eindigen.
Hij haalde de doorgeeflijsten er nog eens bij. De schade was te overzien. De laatste problemen waren op de voorpagina en op de drie te vinden. Zo was het op dit uur bij zijn echte krant ook altijd gegaan. Knaps rug speelde op. Voor de rest liep alles als geolied vol.
Hij zag dat pagina zeven nog eens helemaal werd omgegooid. Het gebeurde twee hokjes verderop. Daar zouden de dames daar in Verweggistan blij mee zijn. Er was onontkoombaar groot nieuws in het laatste uur. Ergens in Amerika had een verse weduwnaar tijdens de begrafenis van zijn vrouw met zijn pistool zeven luid snikkende familieleden uit hun lijden verlost. De dader geloofde in een strenge god die overal begrip voor had en dan krijg je zulke misverstanden. Drie foto's waren er al, een nieuwsbericht plus een overzicht van de bekendste massamoorden van de afgelopen tien jaar, de persbureaus ratelden. Het liep gezwind. Mooi spul altijd, massamoorden. Vulde als een gek.
Zijn telefoon rinkelde. Vrouwtje Vlissingen haalde bakzeil.
,,Amigo!” Knap herkende Blokzijl meteen.
,,Ik heb he-le-maal geen tijd voor jou.”
,,En toch waag ik het je een werkelijk schitterende primeur aan te bieden. Eentje van ouderwets: stop de persen! Hebben jullie die nog, persen? Mooi, man, dat jij op jouw leeftijd nog werk hebt.”
Knap keek argwanend om zich heen. Even had hij het
vermoeden onderdeel te zijn van een poets met een verborgen camera. ,,Max, doe mij een lol. Zoek de concurrent. Probeer 'm elders te slijten, ik ken die primeurs van jou.” Hij klonk er extra geïrriteerd van. ,,Wij zitten vol. Alleen voor Dresselhuijs' overlijden zou ik eventueel op de vier nog een plekje kunnen vrijmaken. Dan gooi ik het puzzeltje naar achteren en dan mieter ik de boogschutter en de stier voor de helft uit de horoscoop. Dat merkt niemand. Past alles weer precies. Alleen, zij is niet dood, natuurlijk.”
,,Klopt. Hij wel, althans bijna.” Blokzijl aarzelde. ,,Knap, collega in de inkt, gelijk oversteken. Red mijn baan, voor de vuigste roddel losbarst, laat mij het initiatief, dan krijg jij de scoop van je leven. Eeuwig dankbaar. Je weet dat ze over Dresselhuijs dikwijls zeggen dat het er zo een lijkt die na elke aanval op haar partij of haar ideeën terugkeert met een eind hout om de tegenstander in elkaar te meppen?” Blokzijl zuchtte diep. ,,Zo is het in huiselijke kring gebeurd. Het verhaal over een harmonieuze oplossing der huwelijksproblemen kunnen we vergeten. Ik bemoei me er niet mee, heb ik gezegd. Maar ik moet het wel verkopen. Henri, grote vriend, je bent voor eeuwig verbonden aan Dresselhuijs en haar volgens de laatste peilingen 28 zetels, 28! Jawel! Moet jij eens uitrekenen hoeveel kranten jij aan die mensen kunt slijten. Ik heb het bericht al voor je gemaakt, vrijwel klaar. Ik heb je baas gebeld, die geeft niet thuis. Plaats mijn tweehonderd woorden op de voorkant van jouw krant. Morgenvroeg hebben we een persconferentie. Ik zorg dat jullie steeds genoemd worden als geloofwaardige en loyale nieuwsbrengers, wars van roddel en achterklap, recht door zee, primeurjager numero
uno: Het Hollandsche Nieuwe Dagblad. Hoger kun je niet stijgen in jullie branche. Hand op het hart.”
,,Is het slachtoffer naar het ziekenhuis?”
,,Allicht. Er kwam nogal wat bloed en volop breuken bij te pas.”
,,En de dader?”
,,Zij ook. Waarschijnlijk een gescheurde spier in de bovenarm. Of een zeer ernstige kneuzing. Zij heeft recht op haar deel van het nationale medelijden.”
,,Stuur maar op. Ik ga de zaak omgooien.”
Het was minder dan tien minuten voor ze op de drukkerij uiterlijk de groene knop moesten indrukken. Vrouwtje Vlissingen werd definitief afgeschreven. Knap aarzelde en besloot toch naar de dames in de Achterhoek te mailen dat ze een zwart balkje over het halve tepeltje van Gracia moesten plaatsen. Kwam hij nog enigszins tegemoet aan de wensen van zijn hoofdredacteur annex chef personeelszaken. De zooi van Hiltermann ging door zoals aangegeven. Knap wilde eigenlijk nog een keer kijken of de aanhef goed in elkaar zat, maar daar was geen tijd meer voor. Waar bleef Blokzijl? Hij greep zijn telefoon. ,,Max, het is nu of nooit. Als je tenminste op de één wilt staan en met een overloopje op de 8, want meer ruimte heb ik niet kunnen vrijmaken.”
,,Ik druk op zenden. Nu! Dankbaar tot in mijn graf.”
,,Jij wordt gecremeerd. Daar zorg ik voor.” Knap trommelde op zijn bureau want het duurde toch nog een paar seconden voor Blokzijls stuk arriveerde.
,,Dresselhuijs gewond bij aanslag!” Knap zag de klok tikken. Blokzijls kop deugde van geen kanten, maar helemaal onjuist was het ook weer niet.
De dames in de Achterhoek skypten: ,,Nog een minuut te gaan. En negenenvijftig seconden, achtenvijftig …”
Knap kegelde Blokzijls tekst door als was het een weerbericht van het KNMI, en brak gewoon drie zinnen voor het slot af omdat er geen plaats meer was. Een journalist die zijn belangrijkste mededeling in de laatste alinea gooide, had niet opgelet op de mulo.
,,Dames. Jullie hebben ´m!”
,,Vierentwintig seconden, drieëntwintig…”
Er werd tenminste nog geteld.
Knap liet zich achterover vallen op zijn stoel. Hij had zijn colbert uitgetrokken. Er zaten grote zweetplekken onder zijn oksels. In een flits schoot de voorpagina voorbij op weg naar de drukker. Hij had 'm moeten printen om 'm goed te bekijken, maar hij had de puf niet meer. Dit was zo een moment waar ze koud bier voor hadden uitgevonden. Dit was zo een moment waar hij te oud voor was geworden. Daarom mocht hij op zijn leeftijd natuurlijk alleen nog dagdienst doen van de CAO.
Hij had voor vijfennegentig procent de controle over de krant gehouden op het moment van de grootste spanning. Daar zag je zijn ervaring in terug. De laatste vijf procent, die had vader tijd meegenomen. Bij zijn echte krant was de eerste editie het vangnet geweest. Die werd vroeg gedrukt voor de abonnees die de krant per post ontvingen omdat er te weinig lezers waren voor een bezorger. Daarna hadden ze op de redactie een uur om alles te redresseren tot een toonbare krant voor de bewoonde wereld en die in de kiosk te koop was. Een plaatje werd dat. Een paar duizend abonnees wisten niet beter dan dat hun krant elke dag er als een rommeltje bij lag.
De telefoon ging. Hij knikte vastberaden: ongetwijfeld een primeur voor de krant van overmorgen.
,,Is het je allemaal gelukt, vent?” De Scala was uit. Faas belde in bovenste beste stemming. Maar haar woordkeus duidde op enige meewarigheid.
,,Alles op orde. Het is te ingewikkeld om in de gauwigheid uit te leggen maar we hebben twee knallers op de voorpagina. Een over de dader van die afrekening en, misschien moet je het voorzichtig brengen voor dinges, eh, Lücker, de andere over de Dresselhuijsjes. Er heeft zich hedenavond een onaangename, gewelddadige confrontatie voorgedaan tussen vader en moeder. Ik denk dat wij haar beter even op een zijspoor kunnen zetten.”
Hij wilde dat van die foto van Gracia nog vertellen, misschien luisterde dat bij zijn hoofdredacteur nog nauwer, maar zij was hem voor: ,,En Vrouwtje Vlissingen?”
,,Vlissingen? Vreemd. Die heeft niets meer van zich laten horen.”
,,Klinkt verder heel goed, allemaal! Wij gaan nu een vreselijk ordinaire pizza eten op een verwarmd terras. Soave erbij. Joop laat je tevens groeten. Ciao.”
Het was elf uur. Het werk was gedaan. Knap zat alleen op de redactie. Stilte alom. Hij sloot zijn computer af, controleerde of de anderen zich keurig afgemeld hadden voor er weer een of andere hacker probeerde in te breken. Hij tikte het schakelbord met alle verbindingen op off. Deed het licht uit en hoorde nog net de telefoon gaan toen hij afsloot. ,,Morgen bent u de eerste.”
Eerder dan als een aansporing klonk het als een vermoeide opmerking van vrouw Knap. ,,Henri, de telefoon.”
Haar man bewoog niet.
,,De telefoon, Henri! Op dit uur is het nooit voor mij.”
Knap kwam tamelijk gebroken van onder zijn hoofdkussen tevoorschijn. Zocht eerst eens zijn kamerjas en begaf zich toen demonstratief kreunend naar beneden. Dit was zo een dag waarbij zijn tegenstribbelende lichaam de baas was. Zo veel had hij toch niet gedronken? Zijn lichaam gaf op diverse onderdelen signalen af die hij moest negeren omdat hij er anders nog beroerder van werd. Op een dag niet erg ver weg, zou elke Nederlander wakker worden, verbonden met een apparaat dat hem vertelde hoe het er met zijn vitale onderdelen voor stond en wat hij in het eerste uur allemaal wel en beter niet kon doen zonder schade aan te richten voor de rest van de dag. Voorlopig moest Knap het van zijn humeur hebben. Dat ging vandaag ook niet lukken. Hij nam de hoorn op en luisterde.
,,Henri Knap, toch nog uit de veren! U bent rechtstreeks in de uitzending. En onze vraag aan de eindredacteur van de Hollandsche Nieuwe luidt natuurlijk: hoeveel heeft uw hoofdredacteur precies verscheept?”
Knap was een moment van slag. ,,Verscheept? Mijn hoofdredacteur? Die verscheept niets, voor zover ik weet.”
,,Dit is de Rarararadio! Laat ik het simpel houden voor we naar een muziekje gaan en wat reclame er overheen gooien, klopt het dat de Hollandsche Nieuwe Courant min of meer onderdeel is van zo een befaamd pakketje waar u vandaag in ander verband zelf over publiceert? Was het u bekend dat een belangrijk deel van de opbrengst van De Keukenkolos langs die weg en zonder eerst de belastingdienst aan te doen naar verre oorden is vertrokken? 'Una paloma blanca' gaan we gauw draaien, kunt u even nadenken. Luisteraars, wij spreken met Henri Knap chef redacteur van de Hollandsche Nieuwe, maar eerst die witte duif op dat tropische strand waar uw hoofdredacteur een bekende verschijning zal zijn.”
Knap aarzelde. ,,Als het niet in de Hollandsche Nieuwe staat, dan is dat niet zo.”
,,U moet even wachten, u krijgt dadelijk een signaal dat we verder gaan.” Een onbekende vrouw riep korzelig wat en reageerde niet op Knaps hernieuwde ,,Hallo?”
Hij overwoog de hoorn erop te gooien, maar begreep dat Lücker op dit moment in de eerste plaats damage control van hem verwachtte.
,,Wij spreken met Henri Knap vanuit een winderig en regenachtig Hilversum dat moeilijk bereikbaar is vanwege twee files, een nabij Blaricum en een nabij Leeuwarden, maar je zult van daar maar net naar Hilversum moeten, zeg ik altijd. Wij hebben het over de betrokkenheid van de Hollandsche Nieuwe bij het schandaal van de voormalige Keukenkolos. Die zaak is algemeen bekend, behalve bij de Hollandsche Nieuwe zelf. Zeg ik dat juist, heer Knap? Is dat uw echte naam, trouwens, Knap? Heeft Lücker u daarop uitgekozen?”
,,Er is tegenwoordig zoveel algemeen bekend waar ik niets van weet. Ik denk dat u voor uitgebreide informatie bij mijn hoofdredacteur moet zijn, die helaas op dit moment in het buitenland verblijft. Mag ik het daarbij laten?”
,,Nog gauw een vraagje en dan gaan we de flitspalen doorgeven, wij hebben het maar druk met onze maatschappelijke functie. Maar u hebt ook gehoord dat er nog maar eens per drie weken draverijen zijn en dat het afgelopen zaterdag alom rustig en bijna even stil als op een wedstrijddag was langs de drafbanen? U bent ook nog niet benaderd met de schadeclaims van diverse paardenorganisaties. Ze eisen miljoenen, aldus hun advocaat Rodgers, die wij elk moment aan de lijn kunnen krijgen. Het is niet zo fraai om afgeschilderd te worden als een armlastige organisatie die criminelen op alle mogelijke manieren faciliteert. Er lopen voor miljoenen euro's subsidieaanvragen bij rijk, provincie en gemeenten: voor nieuwe paarden, nieuwe banen en een nieuw publiek. Daar kunnen ze nu naar fluiten, denkt u ook niet? Mijnheer Knap?”
Henri Knap tuitte de mond en knikte vermoeid: ,,En u gaat mij zeker nu vertellen dat wij die nippleslip van die zangeres op de 3, zelf gefotoshopt hebben? Naar zij thans beweert.”
,,Nee hoor, die staat er prima en scherp in. Daar lijkt mij vooralsnog niets mis mee, hoewel een zwart balkje er overheen wat mij betreft wonderen had kunnen verrichten. Maar ik ben dan ook gekker op jongemannen.”
,,Het spijt mij dat ik u verder niet kan helpen.” Knap gooide de hoorn er op. Dit was het moment voor een hartverzakking. Maar vreemd genoeg speelde er zoveel
door zijn hoofd dat er geen plaats meer was voor meer sombere bespiegelingen over zijn gezondheid. Dat koud zweet, dat vertrok dadelijk vanzelf.
,,Wie had je?” Vrouw Knap stond in de deur, ook niet zo'n topdag zo te zien.
,,Dat was de radio. Ik heb het vermoeden dat de Donald Duck in Hilversum een betere reputatie heeft dan de Hollandsche Nieuwe.”
,,Wat naar voor je.”
,,Ik ben bang dat ik morgen bij een uitzendbureau zal moeten informeren of ze ergens nog een ongediplomeerde assistent nodig hebben voor lichte kantoorwerkzaamheden.”
,,Henri, weet dat ik je door dik en dun zal steunen.”
Hannelore Faas zat achter het bureau van Lücker alsof het al jaren haar werkplek was. Ze had in Milaan de kapper bezocht. Mogelijk ook een fysiotherapeut want haar schouders zaten eindelijk eens waar ze hoorden. Hij had haar nog niet eerder in zo een strak gesneden mantelpak gezien. Zij duwde opzichtig een grijslederen vuilniszakje terzijde. ,,Een echte Giovanni Doro. Gekregen. Mooi hè?” Zij bedelde om een complimentje bij de chef van de avondredactie. Zij streek over haar mouw alsof het een poes was. ,,Ricco Randolphi. Daar heb jij geen verstand van.”
De namen zeiden hem inderdaad niets. ,,Leuk weekend gehad?”
,,Even afgezien van de terugreis. Dat moest ineens erg vlot.”
De lelijkerd Lücker stond terzijde met zijn handen op zijn rug. Hij had ook al een nieuw pak aan. Zijn houding verraadde dat hij met geen mogelijkheid op korte termijn zijn paradepas zou kunnen demonstreren. Een gebroken man, was een understatement. De effecten van een prachtweekeinde Milaan waren volledig teniet gedaan door het jongste nummer van de Hollandsche Nieuwe en alle overige commotie. Hij stond te broeden, zoveel was duidelijk. Soms keek hij over zijn schouder, ongerust, om te zien of zij er tenminste nog zat. Faas was Lückers laatste aanlegplaats, dat zag je aan hem en aan haar.
,,Die kleine smerige smiecht van een Holdert,” had in zijn onmetelijke financiële wijsheid ook de alimentatie die Lückers ex toch niet wilde hebben voorlopig onbenaderbaar ondergebracht bij zo een vage verre bank, als onderdeel van een ander deel van de prijs die Lücker voor De Keukenkolos had bedongen en die buiten de boeken van alle betrokkenen moest blijven. Het geheel was verpakt in zo'n pakketje waar gedeeltelijk ook andere zwarte en witte miljoenen in waren verplaatst.
Het verhaal van Holderts malversaties met Lückers kapitaal was in de loop van de late zondagavond op internet op zo’n populistische pestsite als een pikant nieuwsbericht verschenen en daarna een druk eigen leven gaan leiden op tientallen websites tot het onbetwistbaar groot nieuws was geworden dat voorop moest lopen in de tv-journaals, gevolgd door de echte kranten, geïllustreerd met overal die oude foto van Lücker tussen Dresselhuijs en Gracia in. De eerste Kamervragen waren al een feit.
,,Met de belastingen gooi ik het wel op een akkoordje,” bromde Lücker terwijl hij zich weer wat probeerde op te richten. ,,Gaat als spijtoptant nog behoorlijk wat kosten maar de Hollandsche Nieuwe is een niet geheel onaantrekkelijke aftrekpost, dunkt mij. Wat mij vooral dwarszit, is dat ik zo met open ogen in Holdert ben gestonken. Het onderste uit de kan, dat was zijn motto.”
,,En jouw opdracht.”
Lücker keek Faas aan en gaf haar gelijk.
,,Je kunt voor jezelf doen alsof je dat geld niet meer hebt,” sloot Faas af. ,,Dan heb je nog genoeg over.”
Tot Knaps verbazing knikte zijn hoofdredacteur nog eens naar haar. ,,Genoeg? Als jij het zegt.”
,,In feite is mij hetzelfde overkomen,” brak Knap in, want hij stond er ook zo onthand en alleen maar nieuwsgierig bij hoe die twee tortelduifjes elkaar alles vergaven. ,,De combinatie van goedgelovigheid en dwingend gepresenteerd vakmanschap. Heb ik nu alle omstandigheden erbij? Ik had dat verhaal van Hiltermann meteen moeten doorprikken. Alle signalen dat hij terug aan de drank was en erger dan ooit, dat hij een geheel eigen wereld had bedacht waarin hij koning van de misdaadverslaggevers was, werden overstemd door die reportage die, ik kom daar niet onderuit, perfect paste in de journalistieke werkformule van onze hoofdredacteur. Dan verdwijnt alom het argwaan.”
Knap verdedigde zich schuldbewust maar noemde man en paard, overtuigd als hij ervan was dat hij op zoek moest naar nieuw werk en dat het deze keer definitief tevergeefs zou zijn.
,,Je had misschien moeten afwachten wat dat Vrouwtje Vlissingen had,” viel Faas in.
,,Eerst laat je dat verhaal van Rodgers schieten, nou dat van haar, je lijkt goddomme niet van de journalistiek maar van de censuur, man! Dat ligt tegenwoordig toch al vrij dicht bij elkaar.” Tegelijk zwaaide de hoofdredacteur met beide handen voor zijn hoofd: hij had dit zo niet gezegd, hij had zich laten gaan, luister niet naar mij, niet zo bedoeld.
,,Met Dresselhuijs hebben we heel aardig gescoord. En niet omdat jij toevallig zo een voortreffelijk relatie met haar had opgebouwd, Joop.” Faas verweet het haar amant demonstratief en vergaf het hem zichtbaar meteen. ,,Het was dat Henri die Blokzijl goed kende. Ja?”
Lücker gaf toe. ,,Over beetnemen gesproken.”
,,Zij heeft vanmorgen 21 zetels verloren, tenminste, volgens Cave Canem, zag ik in de gauwigheid op teletekst. Zo een mens, daar kun je geen krant op bouwen.” Knap had zijn oude hartslag hervonden. Hij stond er bij met een toenemende tevredenheid, hij trok de andere stoel naar zich toe. Wie had er Hannelore Faas ontdekt voor de Hollandsche Nieuwe? Wie had haar, zichzelf wegcijferend, vrijwel in de armen van de hoofdredacteur gelegd? Hij was zijn baan kwijt, hij had als journalist gefaald, maar als mens mocht hij aan deze episode in zijn leven met een zekere voldoening terugdenken. Als zij gelukkig werden, dan waren hij en vrouw Knap dat in hun alledaagse armoede ook.
Op Lückers computer kwam pling-plong een e-mail binnen. Faas opende het bericht alsof het voor haar was. Ze knikte. ,,Zo, da's mooi. De verspreidingscijfers zijn binnen. Onze bakken waren om 10.03 uur hedenmorgen overal leeg. Niet eerder zo vroeg. Ik geef toe, je kunt zeggen wat je wilt over dit exemplaar, maar het is een geslaagde manier van kranten maken.”
,,Weet jij wat ik mij afvraag?” Ook Lücker had zich weer wat hersteld. ,,Als je Gracia op de foto ziet, dan zal Holdert een mooie som betaald moeten hebben voor die afgezogen kont. Zulk vlot vakwerk, dat krijg je alleen in van die commerciële klinieken. Daar gaan wij in de Hollandsche Nieuwe nog over lezen. Dat is nog maar een beginnetje, dat kan ik heertje Holdert verzekeren.”
Knap hield de waarheid voor zich.
De telefoon rinkelde en Faas nam geroutineerd op. Na twee tellen zei ze op overmatig besliste toon: ,,Dat kunt u heel goed met mij bespreken, mevrouw.”
,,Ik dacht dat je mij er onmiddellijk uit zou schoppen.” Knap had het terzijde en vertrouwelijk tegen Lücker die hem gepijnigd aankeek.
,,Geweldige stommiteiten, man, ik kan er niet omheen.”
Knap knikte nog eens schuldbewust. ,,Het probleem is eerlijk gezegd niet alleen dat de journalistiek op hol is geslagen en dat de kranten allemaal de weg kwijt zijn omdat er geen courantiers meer bij betrokken zijn maar alleen van die managers, die toch ergens moeten beginnen met veel verdienen als ze ooit nog staatssecretaris willen worden.” Dat was zijn aanloop. ,,De hele bedrijfstak en het hele beroep zijn toe aan herijking. Begrippen als persvrijheid, hoor en wederhoor, vrijheid van meningsuiting, die hebben een nieuwe lading gekregen, nu iedereen op internet zijn eigen drukpers heeft en de quasi journalistiek van de tv het beeld voor heel het land bepaalt. Er is geen enkele belemmering meer en dus geen enkele plicht tot een zogenaamd objectief totaalbeeld in de kranten. Onafhankelijkheid en objectiviteit hebben toch al nooit bestaan. Die sufferds van dat postdoctorale opleidingenmoeras zouden ook niet moeten doen alsof die kenmerken vervangen zijn door de wetenschap.”
,,Dit is de tijd voor de pers om weer te opereren vanuit de zelf gekozen optiek, vanuit een politieke interesse, een maatschappelijke betrokkenheid, een zucht naar polemiek, hopend op een ideaal en in de overtuiging van het eigen gelijk. En dan kunnen de opiniepagina's van de kranten worden teruggebracht tot het hoekje met de belangwekkendste ingezonden brief van de dag. De echte krant moet het primaat over zijn eigen pagina's opnieuw bevechten. Weg met de treurige zulthoofden, die denken
dat ze met hun lezers moeten overleggen waar ze het deze week over zullen hebben.”
Faas trok Lücker gehaast en stevig aan zijn mouw: ,,Vrouwtje Vlissingen, hier. Zij wil absoluut niet met mij overleggen, zij moet jou dringend spreken. Laat je niet kisten, Joop. Zeg maar dat wij geen gebruik meer zullen maken van haar twijfelachtige diensten. Arbeiders genoeg bij een krimpende markt. Zeker in Zeeland.”
,,Lücker, spreekt u mee.”
Een, twee tellen. Het was dat Knap het zag gebeuren, snel naar voren stapte en zijn hoofdredacteur nog net beet pakte voor die lijkbleek en in onmacht gestrekt naar de grond zou gaan. Schedelbasisfractuur, einde de Hollandsche Nieuwe Courant. Faas niet eens officieel weduwe. Hij weer werkloos.
Knap stond er onthand bij met Lücker in zijn armen als een zak aardappelen waar hij niet zo snel een ander plekje voor zag. Faas moest bijspringen en samen duwden ze hem op zijn troon. Knap pakte de telefoon van de grond, luisterde maar Vrouwtje Vlissingen had blijkbaar opgehangen.
De Keukenkolos zat erbij alsof hij hoopte dat de broodnodige reanimatieploeg van de brandweer elk moment zou binnenstormen. Hij keek met grote ogen naar Faas, strekte zijn hand uit naar haar heupen, nee, hij was niet dood. Knap schonk een glas oude klare in want er stond geen water in het ijskastje van de hoofdredacteur. Faas hield haar liefste rechtop, want zo een prooi, zag Knap, die liet zij nooit meer gaan. Zijn bewondering voor haar won het van elke voze bijgedachte. En liefde, echte liefde was er bij hem nooit bij te pas gekomen.
Lücker nam een slokje en toen een teug. ,,Dat Vrouwtje Vlissingen…” Alsof hij opnieuw geen adem meer kreeg. ,,Zij... Dat Vrouwtje Vlissingen, zoals jullie haar noemen, dat is zij die jarenlang de aardappelen voor mij gekookt heeft. Madam is een nieuw leven begonnen. Ik moest de kerstkaarten nog schrijven, want dat kon zij niet, naar zij beweerde. Maar zij heeft een schriftelijke cursus journalistiek gedaan en jawel hoor, cum laude geslaagd! Zij is naar ver weg verhuisd en zij heeft haar leven sinds vanmorgen helemaal op de rails gekregen. Zij had door de jaren heen blijkbaar genoeg van Holdert gehoord om mij deze rekening te kunnen presenteren. Iedereen kan journalist worden. 't Is goddomme nog waar ook!”
Faas giechelde erbij. ,,Wat een aangename kennismaking met je ex.” Maar ze gebaarde naar Lücker dat het zo niet bedoeld was.
,,Zij heeft haar verhaal dat Henri niet wilde, gratis aan die pestjongens gegeven want daarna doet dat medium vanzelf het werk. Terwijl de meeste scheidingen bij ons in de krant over bebloede koppen gaan en jankende kinderen, gaat die van mij over miljoenen.” Hij zuchtte eens heel diep en goed hoorbaar. ,,Want ik ga haar uiteraard een mooi aanvullend honorarium sturen voor die prachtige foto's die zij ons heeft geleverd. Zes nullen. Goed? Kaas?” Hij keek haar breed lachend aan. ,,Ze heeft het maar aan te pakken! Haar verdiende loon. Dat zij het maar opneemt met de belastingen.”
,,En Holdert en Gracia?” Daar was Knap vooral nieuwsgierig naar. ,,Doen we daarmee?”
,,Ik hoop dat zij nog heel lang bij elkaar zullen blijven.” Lücker was weer tevreden met het leven zoals zich dat
aan hem ontrolde. ,,Ik gun het hem en haar, ik word vanzelf heel vergevingsgezind als ik die twee zie.”
,,Dat is dan geregeld. Wat gaan wij doen?” begon Faas, terwijl zij wat spullen op Lückers bureau verlegde. ,,Op huis aan? Ik wil eindelijk eens zien hoe je daar woont aan de Vecht.” Ze keek naar Knap. ,,Doe jij vanavond de krant van morgen weer?”
,,Ga ik gewoon door?” Knap was verbaasd over de snelheid die de loop der geschiedenis ineens nam.
Lücker stak zijn hand op. ,,Nee, Knap, jij gaat niet gewoon door. Wij hebben lang genoeg geoefend. Ik ga zo snel mogelijk een echte krant beginnen. Met mijn meisje als dagbladmanager - er moet iemand verstand van zaken hebben. Onze lezers zullen er aan moeten wennen dat ze binnenkort voor ons prachtproduct gewoon moeten betalen. Er is niks gratis, als ze willen weten hoe deze wereld werkelijk in elkaar steekt! Dat heb ik onderhand bewezen. Ik ga ze allemaal van de markt af jagen, onze concurrenten. Ze hebben er om gevraagd. Ik had het je toch gezegd, ik ben geen maatje pink.” Hij was opgestaan en wendde zich bijna plechtig tot Henri Knap. ,,Dan zal ik een echte hoofdredacteur nodig hebben. Over het loon worden wij het vast eens. Dat staat toch gewoon in jullie CAO?”
Elk moment verwachtte Knap een ouderwetse, donderende lachbui van Lücker, maar die was voor een keer serieus geweest. ,,Kaas! Kom op. Wij gaan plannen maken. Voor onszelf, voor de Hollandsche Nieuwe Courant en voor de journalistiek.”
Henri Knap keek de nieuwe bedrijfsleiding na met een gevoel van tevredenheid en geluk dat hij nog nooit eerder
in zijn lange journalistieke leven had ervaren. Het zou nog wel een tijdje roeren blijven in de afvoerput met populaire Nederlanders en hun vele vormen van aanstellerij, want Lückers adagium dat zijn abonnees alles wilden lezen wat hij wilde lezen, dat zou hij er niet meteen uitgemept krijgen. Ook niet bij een echte krant. Maar de toekomst van de vrije, onafhankelijke pers in Nederland was dankzij De Keukenkolos verzekerd. Een beetje verzekerd dan toch.
Knap liep terug naar de redactie. Hij ging in zijn hok zitten en belde naar vrouw Knap. Dat er taart moest zijn, vader was toch nog hoofdredacteur geworden.

Foto Angela Sterling
Ruud Verdonck (1946) was van 1969 tot 2002
werkzaam bij Trouw, de laatste jaren als
commentator, columnist, tv-recensent én chef
van de mediaredactie.
In de satire de Hollandsche Nieuwe Courant
beschrijft hij de toestand in de haperende
Nederlandse pers, de problemen met de
digitale toekomst en vooral de discutabele
positie daarin van de moderne journalist.