In het voetbal bestaan allerlei regels waar iedere liefhebber z’n bedenkin- gen over heeft en op z’n tijd schande van spreekt. Ik heb het niet over de mislukte vernieuwing van de buiten- spelregel, die alleen een verslechte- ring heeft opgeleverd, niet over de zogeheten ‘schwalbe’ die doorgaans alleen door de scheids niet herkend wordt, niet over het verbod op het gebruik van elektronische middelen om snel de juistheid van beslissingen te controleren en niet over het feit dat na afloop van de wedstrijd niets meer mag worden veranderd aan de scheidsrechterlijke besluiten, behalve als hij een gewelddadige aanslag door de vingers heeft gezien die op de te- levisie al vaker in slow motion is her- haald dan de foutieve toepassingen van de buitenspelregel, ik heb het dus
|
over de kledingvoorschriften. Een speler mag niet met afgezakte kousen spelen. Het shirt moet in de broek zitten en het mag niet uitgetrokken worden na een doelpunt om het pu- bliek een T-shirt te tonen met een foto van z’n nieuwe kind of verloofde. En de doelpuntenmaker mag al hele- maal niet na een treffer over de re- clameborden springen en in de hek- ken klimmen om samen met de fans te vieren. Dat irriteert vooral als scheidsrechters daar een gele kaart voor geven, en het is helemaal buiten proporties als ook nog blijkt dat het de tweede gele kaart voor het feest- varken is. Nee, dan het tennis. Roland Garros is weer aan de gang. Dertig jaar geleden werd je van de baan verwijderd als je
|
een geborduurd kleurig detail op een overigens lelieblank tennispakje had zitten. Dat was, naast de hoogte van de contributie en de baanhuur, een van de redenen waarom tennis een kaksport werd genoemd. Met de pro- fessionalisering van het tennis is de verplichte witte outfit afgeschaft. Te- genwoordig hebben vrouwen meestal iets jurkachtigs aan alsof ze ter disco moeten, terwijl de mannen gekleed gaan alsof ze helemaal klaar zijn om naar bed te gaan. Oude flodderbroek, oud T-shirtje; wel gewassen. Alleen schoenen en sokken nog uit, maar al wel een haarband in om het kapsel op z’n plaats te houden. Niks zit goed, en die zwarte kousen in die witte schoe- nen, het is geen gezicht. Maar da’s nou tennis, als je vloekt dan zwaait er wat.
|