Moesten we maar niet heen gaan, zou ik tegen mijn vrouw zeggen na het zien van de inburgeringsfilm van Ne- derland: het barst er van de files, en liegende en bedriegende ministers kunnen we thuis genoeg vinden. Al- lemaal leugens, die prachtige rolpren- ten van Bert Haanstra?, zou zij vra- gen. Allemaal leugens, vrouw. De inburgeringsfilm is in opdracht van Rita Verdonk in elkaar gezet en is exclusief gericht op mensen uit de derde wereld die zo stom zijn te den- ken dat het hier een land is van melk en honing én van geen files. Alvorens ze zich telefonisch tot de ambassade mogen wenden teneinde in onberispe- lijk Nederlands vragen te beantwoor- den over Willem van Oranje, de om- gang met de buren, wie te bellen in- dien de stroom uitvalt, waarna tot slot
|
om het tweede couplet van ‘Bij ons in de Jordaan’ wordt gevraagd, moeten ze eerst naar die film kijken waarin een buitenlandse meneer, zo te zien een welgestelde Fransman of een Amerikaanse wetenschapper, in elk geval een blanke waar de hele derde wereld zich onmiddellijk in herkent, Nederland bezoekt. Hij valt van de ene verbazing in de andere. Zo ver- schijnt er een meisje dat gierend van het lachen vertelt dat Nederlanders van nature kil en koud zijn en beslist niet aardig en gezellig; een overtui- gende bijrol van waarschijnlijk de oudste dochter van de minister. Maar de treinen rijden er stipt op tijd, wordt ze diets gemaakt als Hollands belangrijkste pluspunt en wij zien hoe de botterik achter het stuur van de
|
Conexxionbus de deur pardoes sluit voor de neus van de sympathieke ontdekkingsreiziger, die al moeite genoeg had om de stationstrap te bestijgen daar deze geheel bevolkt was met Hollandse horken, tangen en teringwijven die geen rechts kennen en zich zonder pardon op het tege- moetkomende verkeer stortten. Men moet werkelijk heel erg naar Hol- land verlangen om het einde van die film te halen. En dan komt er, kers op de taart, nog die scène van die twee langdurig tongende homo’s in het park. Zo sneu, had ik dan tegen mijn vrouw gezegd, nu moeten we ons leven lang in diepe, ongeletterde ar- moede doorbrengen. En wij hadden ons er nochtans zo thuis gevoeld, ik zag dat de vrouwen er soms oben ohne lopen, net als bij ons in de kraal.
|