Morgen komt de Tour de France tien minuten verderop langs. Jaarlijks uit- je, ze komen altijd wel in de buurt, vinden wij. En er wordt onder alle omstandigheden door de coureurs op ons gerekend. Wij komen tóch wel. Al zal het er ongeveer uitzien als die vaste bezoeker van het apenhuis van Artis die tegen elke bezoeker roept: ,,Ze kennen mij allemaal.” Ongevaar- lijk gek. Maar slaan wij soms een an- der circus, bijvoorbeeld dat van de Formule 1 Grand Prix, over omdat wij het bij de firma Spyker in alle opzich- ten zo’n verdacht zootje vinden en omdat het ANP bij elke gelegenheid een bericht rondstuurt dat ze bij Spy- ker hopen dat het zwaar gaat regenen omdat dan de kans groter is dat er voldoende ander volk uit de bocht vliegt om zelf een beetje competitief
|
te lijken, op twee ronden? Wij zijn present, hoe zwart de renners door de media ook zijn gemaakt. Want als ik het fietsend volk goed begrijp is dat eigenlijk het enige wat er nog in hun kraam loos is. Als elk hotel, drie minuten nadat een wieler- ploeg er uitgecheckt is, niet werd overvallen door een horde journalis- ten die de vuilnisbakken kwamen om- keren en hun voordeel deden met de lege potjes epo, de gezinsverpakkin- gen testosteron en de tot op de laats- te druppel leeggezogen bloedvaten, dan bestond er helemaal geen do- pingprobleem meer. Wij, langs de kant van de weg met niets beters te doen, weten dat allang, anders kwa- men wij niet. Belangrijkste vraag is dan ook deze
|
keer: staan wij nog steeds langs de kant wanneer de coureurs met een vertraging van anderhalf uur langs komen, dat wil zeggen drie uur nadat de reclamekaravaan met de sleutel- hangers ons luidruchtig passeerde, en dan ook nog in een tempo dat wij zelf zouden halen als we ons een keer goed kwaad zouden maken? Zijn we nog niet helemaal uit. Van bijzit Maar- ten Ducrot hoorden we zes uur lang dat het de schuld was van de ploeg- leiders en de oortjes dat er dinsdag stapvoets werd gereden. Derden be- weerden dat de renners onder elkaar hadden besloten dat ze er een dag geen zin hadden. Dan wordt het in- eens toch alsof je vanzelf gelovig wordt als de Sinterklaasoptocht voor- bij komt. Of Artis in het wilde weg: struisvogel ontmoet struisvogel.
|