Even de vingers erbij en tellen: nog zes nachtjes slapen, in elk geval vol- gende week donderdag, wordt in Antwerpen een onderzoek gepresen- teerd waaruit zal blijken dat de vrou- wen uit Nederland en Vlaanderen eeuwenlang de beste rekenaars ter wereld zijn geweest. Bij zo’n bericht bevalt een beetje man, mond open, grote ogen, vooral van vragen. Waar- om hebben wij dat nooit geweten? Is het geen man gedurende dezelfde eeuwen opgevallen dat de vrouwen zo goed waren in alles met ‘Meneer van Dale wacht op antwoord’? Wel Nobel- prijzen ophalen maar thuis met de oogkleppen voor? Een man die een beetje kon rekenen was al heel wat waard in die jaren, weet ik uit allerlei, soms bejubelde studies naar de be- woners van de Nederlanden en de
|
Bataafse Republiek, waarin de vrouw de positie kreeg toegeschoven die wij allemaal van haar kennen en die tot in deze eeuw de reden bleef waarom wij per reclamecampagne de paar die ervoor in aanmerking kwamen poog- den te enthousiasmeren om exact te kiezen. Had het ons ook niet moeten opvallen toen bleek dat op de Pabo meer dan de helft van de leerlingen én het vrijwel complete lerarencorps geen voldoende haalde voor de reken- toets van groep zes, dat wil zeggen met een cijfer dat al op één hand ge- teld kan worden. Nergens toen ge- hoord dat opvallend veel vrouwelijke leerlingen juist wel konden rekenen. Of konden ze het al die tijd wel maar deden ze er verder niets mee, zoals ik van Opzij weet dat vrouwen eigenlijk
|
alles kunnen maar er vaak niets mee doen. Aanwijzingen waren er volop in de literatuur te vinden. Daar brachten hardwerkende vaders, die bestonden toen óók al, op zaterdag het karige weekloon naar huis, waarna de moe- ders de glazen potjes tevoorschijn haalden met plakkertjes erop voor de diverse doelen van de inhoud van het loonzakje: huur, schoenen, voeding, kerk. Hier vader, zei zo’n moeder dan tot slot, en schoof hem vier centen toe voor een potje bier en zijn pruim- tabak. Nooit failliet. Een andere vraag is ook nog: levert het onderzoek wel op wat er staat? Want in de tweede zin wordt gezegd dat ze ‘soms’ beter konden rekenen dan mannen en ,,in andere gevallen” net zo goed. Dat beeld herken ik ten- minste van aan de kassa.
|