De beste cartoonisten hebben twee dwingende kaders: de Grondwet en het formaat van een A4’tje. Voor de Grondwet volstaat de herhaalde be- perking in artikel 7 dat de vrijheid van meningsuiting regelt: ,,Behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.” Zonder dat zou er geen barst meer zijn aan het werk van cartoonis- ten. Dat scheldt en vloekt en tiert, beledigt en discrimineert dan maar een eind raak. De verantwoordelijk- heid volgens de wet en het A4’tje doen een beroep op de grootste kwa- liteiten van een cartoonist. Het A4’tje dwingt de tekenaar tot pregnante beelden en tot het tonen van zijn be- langrijkste talent: het weglaten en toch alles laten zien. Onder de beste cartoons stond vroeger voor alle ze- kerheid: ,,… zonder woorden …”
|
En de tekenkunst dan? Daar heb ik het soms knap lastig mee. Al te vaak speelt het ontbreken van enig bege- nadigd tekentalent, maar dan wordt het gauw kunst genoemd en dan mag je kliederen, geen rol bij de beoorde- ling van een spotprent. Op internet staan volop splijtende artikelen over maatschappelijke misstanden die kreunen van de taal- en stijlfouten. Dat wordt soms nog gezien als een aanwijzing voor de kwaliteit van het beweerde. De lezersreacties onder deftiger artikelen op internet stem- men niet zelden extra droevig omdat blijkt dat zo’n stuk tevens gelezen wordt door complete zulthoofden, die nog terugschrijven óók. Heel vreemd is het dat daar, onder dezelfde vlag als die van de totale cartoonistenvrij-
|
heid, ineens wél rekening wordt ge- houden met ieders verantwoordelijk- heid volgens de wet. Daar worden bijdragen verwijderd zonder dat ie- mand ooit zal weten waarom. Had je er maar een tekening van moeten maken! Maar toegegeven, als je on- dertekent met Gregorius Nekschot en voor de rest je flagrante onzin binnen de wet houdt, dan wordt het keurig gepubliceerd. Ook al is het een aan- eenrijging van beledigingen voor wel- denkende mensen. Ik heb ook wel eens voor de rechter gestaan wegens een verondersteld beledigend stukje en daarna mijn ge- lijk gekregen. Godzijdank had ik toen niemand van dat volk dat nu krijsend voor Nekschot opkomt, achter me aan. Toen was het hier nog een fat- soenlijk land. Vanzelf won ik.
|